4 De beoordeling
4.1.
Blijkens de toelichting in de dagvaarding en de overgelegde volmacht zijn [eiser2] en [eiser3] door [eiser1] gemachtigd om haar te vertegenwoordigen, zodat zij primair als gevolmachtigden van [eiser1] optreden. Daarnaast stellen eisers dat [eiser2] en [eiser3] ook rechtstreeks belang hebben bij (een deel van de) vorderingen omdat zij erfgenamen van [A.] zijn en toekomstig erfgenamen van [eiser1].
De rechtbank stelt vast dat [eiser2] en [eiser3] geen eigen vorderingsrechten hebben.
4.2.
De vorderingen zoals onder 3.1 weergegeven zullen hierna afzonderlijk worden besproken.
4.3.
Blijkens de stellingen van eisers beoogt [eiser1] met het onder I gevorderde een zogenoemde uitstotingsvordering in te stellen tegen [gedaagde1] als certificaathouder. Daaraan leggen zij ten grondslag dat [gedaagde1] door zijn gedragingen het belang van de vennootschap zodanig schaadt en heeft geschaad dat het voortduren van zijn certificaathouderschap in alle redelijkheid niet langer gevergd kan worden. Daartoe voeren eisers aan dat [gedaagde1], met [gedaagde5] en [gedaagde4] en met behulp van een bevriende notaris, en met misbruik van omstandigheden, althans misleiding van [eiser1], een zodanige constructie hebben weten op te tuigen dat het belangrijkste deel van de certificaten van [eiser1] in handen is gekomen van [gedaagde1]. Een constructie die, aldus eisers, in strijd is met de opzet en bedoeling die [A.] heeft gehad bij de oprichting van de Stak en de uitgifte van alle aandelen aan [eiser1]. Eisers beroepen zich op de wettelijke geschillenregeling en de vordering tot overdracht van aandelen, zoals bepaald in artikel 2:336 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Eisers betogen dat de wettelijke geschillenregeling niet alleen van toepassing is als de besluitvorming in het geding is, maar eveneens ten dienste kan staan van certificaathouders in onderling verband in gevallen als de onderhavige. Daarbij wijzen zij op jurisprudentie waarbij een uitstotingsvordering is toegewezen op andere grond dan waarvoor de wettelijke regeling is bedoeld, namelijk op grond van concurrerend gedrag.
4.4.
Gedaagden voeren verweer en betwisten dat sprake is van misleiding of misbruik van omstandigheden. Gedaagden voeren aan dat geen sprake is geweest van een discrepantie tussen wil en verklaring van [eiser1] bij de totstandkoming en het verlijden van de notariële akten waarbij [eiser1] certificaten aan [gedaagde1] heeft overgedragen. Volgens gedaagden heeft de herstructurering plaatsgevonden in het belang van [eiser1].
4.5.
Als uitgangspunt heeft te gelden dat de vordering van artikel 2:336 BW kan worden ingesteld door een of meer aandeelhouders die alleen of gezamenlijk ten minste een derde van het geplaatste kapitaal verschaffen. Certificaathouders kunnen de vordering niet zelf instellen omdat zij geen aandelen in de vennootschap houden. De verwijzing van eisers naar artikel 2:359a lid 2 BW waarin een certificaat van aandeel gelijkgesteld wordt met een aandeel en een certificaathouder gelijkgesteld wordt met een aandeelhouder, kan hen niet baten, omdat die bepaling geldt voor afdeling 3 van titel 8 van boek 2 van het wetboek, terwijl artikel 2:336 BW is geplaatst in afdeling 1 van titel 8 van boek 2.
Voorts kan het betoog van eisers dat een andere procedure tot het door eisers gewenste resultaat kan leiden, via een decertificeringsprocedure, ontbinding van de Stak en verkoop van het kapitaal, niet ertoe leiden dat de vordering in onderhavige procedure op voorhand kan worden toegestaan. Bij gebreke van een juridische grondslag zullen de vorderingen van eisers, zoals geformuleerd onder I in de dagvaarding, dan ook worden afgewezen.
II Rekening en verantwoording
4.6.
Eisers stellen dat er sprake is van een vermogensrechtelijke verhouding waarin een verplichting tot het doen van rekening en verantwoording bestaat, mede onder verwijzing naar artikel 6:248 lid 1 BW, artikel 3:15j onder a BW, artikel 22 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) en artikel 843a Rv, alsmede de financiële verantwoordingsplicht in de statuten van de Stak.
4.7.
Gedaagden voeren verweer onder meer aanvoerend dat tijdens de certificaathoudersvergaderingen jaarlijks rekening en verantwoording is en wordt afgelegd. Gedaagden voeren aan dat van de zijde van de vennootschap en de Stak al meer informatie is verschaft dan waartoe zij verplicht zijn en wijzen erop dat zij bij brief van 25 september 2012 eisers hebben laten weten dat inzage in de administratie kan worden verkregen.
4.8.
De stelling van eisers dat jarenlang zeer veel transacties hebben plaatsgevonden vanuit, dan wel via de vennootschap of de Stak waarbij [gedaagde1] en/of [gedaagde4] en/of [gedaagde5] ernstig zijn bevoordeeld en de vennootschap dan wel de Stak, en dus [eiser1] en de kinderen [gedaagde2], juist zijn benadeeld om reden waarvan eisers graag in de boeken willen kijken, is onvoldoende om tot toewijzing van deze vorderingen te leiden. Dat gedaagden, aldus eisers, categorisch inzage in en terbeschikkingstelling van de gevraagde gegevens weigeren, – voor zover dat al juist zou zijn – maakt dat niet anders. Dat aan de verplichtingen van gedaagden tot het afleggen van rekening en verantwoording niet is voldaan, is door eisers onvoldoende onderbouwd. De vorderingen van eisers, zoals geformuleerd in de dagvaarding onder II, zullen worden afgewezen.
4.9.
Eisers leggen aan hun vordering uit hoofde van het auteursrecht ten grondslag dat de kunstwerken van [A.] hebben te gelden als werken die voor auteursrechtelijke bescherming in aanmerking komen alsmede dat aan [A.] als maker van de betreffende werken de auteursrechten op die werken (verder: de auteursrechten) toekwamen. Bij overlijden van [A.] zijn de auteursrechten krachtens erfopvolging overgegaan naar [eiser1], aldus de stelling van eisers. Ter onderbouwing hebben eisers als productie E57 twee testamenten van [A.] overgelegd. Eisers stellen dat [eiser1] als erfgenaam feitelijk enig rechthebbende is van de intellectuele eigendomsrechten met betrekking tot de beeldentuin en meer in het bijzonder het auteursrecht op de door [A.] gemaakte kunstwerken. Zij stellen dat de vennootschap en [gedaagde1] al jaren zonder toestemming van [eiser1] de kunstwerken openbaar maken en verveelvoudigen en derhalve inbreuk maken op de auteursrechten van [eiser1].
4.10.
Gedaagden betwisten dat [eiser1] als auteursrechthebbende moet worden aangemerkt. Ten verwere voeren zij aan dat bij gelegenheid van de oprichting van de vennootschap de auteursrechten van [A.] zijn ingebracht in de vennootschap.
Daartoe beroepen gedaagden zich op de oprichtingsakte van de vennootschap en de akte van inbreng. Gedaagden doen daarbij een beroep op het Haviltex-criterium, aanvoerend dat uit de omschrijving van het doel van vennootschap, de omstandigheid dat de gehele onderneming daarin is ingebracht en dat nooit een licentievergoeding is betaald, volgt dat de inbreng mede de auteursrechten omvat. Gedaagden voeren voorts aan dat in ieder geval de exploitatierechten van nagekomen werken rechtstreeks aan de vennootschap toekomen, omdat [A.] bij leven de exploitatie daarvan heeft laten verlopen via de vennootschap.
4.11.
De rechtbank overweegt als volgt.
Tussen partijen is niet in geschil dat op de kunstwerken van [A.] auteursrechten rusten. Evenmin is tussen partijen in geschil dat die auteursrechten bij leven van [A.] en voorafgaand aan de oprichting van de vennootschap bij [A.] rustten. Partijen verschillen van mening over het antwoord op de vraag of de auteursrechten bij de oprichting van de vennootschap in de vennootschap zijn ingebracht, dan wel dat de auteursrechten bij [A.] zijn gebleven en na zijn overlijden krachtens erfopvolging zijn overgegaan op [eiser1].
4.12.
Voor overdracht van auteursrechten is ingevolge artikel 2 lid 2 Auteurswet (hierna: Aw) een daartoe bestemde akte vereist. Nu gedaagden zich op het standpunt stellen dat sprake is van overdracht van de auteursrechten aan hen, ligt de bewijslast van het bestaan van een akte van overdracht bij gedaagden. Gedaagden beroepen zich in dat kader onder meer op de oprichtingsakte van de vennootschap. In de oprichtingsakte, zoals vermeld onder 2.4, is voor zover hier van belang, vermeld dat [A.] zijn “gehele” onderneming zal inbrengen, omvattende “alle activa” van gemelde onderneming. In de akte van inbreng, zoals vermeld onder 2.5., is voor zover hier van belang, vermeld dat [A.] het huis met atelier, expositieruimte, erf schuur en weiland en “alle overige activa” omschreven in de akte van oprichting inbrengt en in volle eigendom overdraagt aan de vennootschap.
4.13.
De taalkundige uitleg van de aktes wijst er op dat alles is overgedragen, zonder daarbij een uitzondering te maken voor de auteursrechten. Dat in de akte van oprichting is vermeld dat de oprichter, zijnde [A.], een beschrijving van die activa zal opstellen en dat aan het slot van de akte is vermeld dat die beschrijving is opgesteld en door de oprichter ondertekend, brengt daarin geen verandering. Het is een feit van algemene bekendheid dat dergelijke beschrijvingen veelal zijn bedoeld om de waarde van de inbreng bij de oprichting van de rechtspersoon te bepalen. Dat de betreffende beschrijving in onderhavige procedure niet is overgelegd, leidt er hoe dan ook slechts toe dat niet is komen vast te staan dat de auteursrechten van de overdracht zijn uitgezonderd.
4.14.
De uitleg van de bepalingen in de akte kan niet worden beantwoord op grond van alleen maar een zuiver taalkundige uitleg. Bij de uitleg komt het tevens aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij wat dat betreft redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Voorts zijn bij de uitleg van beslissende betekenis alle omstandigheden van het concrete geval, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen.
De door gedaagden aangevoerde omstandigheden, te weten het doel van de vennootschap, dat de vennootschap van 1989 tot op heden het gehele artistieke erfgoed van [A.] heeft beheerd en geëxploiteerd en dat daarvoor nooit royalty’s zijn afgedragen, dragen bij aan de uitleg dat [A.] en de vennootschap hebben bedoeld de auteursrechten aan de vennootschap over te dragen en dat ook daadwerkelijk hebben gedaan. Voorts vindt de rechtbank steun voor deze uitleg in het onder 2.9 vermelde testament van [A.] waaruit de bedoeling blijkt van [A.] om bij vooroverlijden van [eiser1] de in artikel 25 lid 1 a tot en met d Aw bedoelde persoonlijkheidsrechten aan de vennootschap te legateren. Daaruit valt op te maken dat [A.] op dat moment ervan uitging dat de exploitatierechten van [A.] (door inbreng in de vennootschap) inmiddels reeds bij de vennootschap lagen, omdat anderszins niet valt in te zien waarom de hem toekomende persoonlijkheidsrechten wél en de exploitatierechten niet aan de vennootschap dienden te worden overgedragen. Dit strookt tevens met door gedaagden uiteengezette bedoeling van [A.] om versnippering tegen te gaan, welke bedoeling ook blijkt uit de hiervoor onder 2.15 genoemde akte van overdracht van auteursrechten van [eiser1] zelf aan de vennootschap.
4.15.
De conclusie van het voorgaande luidt dat de auteursrechten van [A.] bij akte van inbreng in de vennootschap zijn ingebracht, zodat de vennootschap auteursrechthebbende is.
4.16.
Aan het voorgaande kan niet afdoen dat de vennootschap zich in een eerdere procedure op het standpunt heeft gesteld dat de auteursrechten bij [eiser1] liggen. Gedaagden hebben door overlegging van een brief van hun advocaat (productie G60) onderbouwd dat zij dit standpunt indertijd slechts gemakshalve hebben ingenomen. Daarbij komt dat, de enkele inname van een standpunt onvoldoende is om de overdracht van de auteursrechten aan de vennootschap ongedaan te maken. Daarvoor zou immers weer een akte van overdracht nodig zijn geweest.
4.17.
Gelet op het hiervoor overwogene zal de gevorderde verklaring voor recht dat het auteursrecht op alle door [A.] gemaakte werken aan [eiser1] toekomt worden afgewezen. Van inbreuk op auteursrechten door de vennootschap is gelet op het voorgaande ook geen sprake. De vordering om de vennootschap en [gedaagde1] te veroordelen zich te onthouden van iedere inbreuk, alsmede de daarmee samenhangende nevenvorderingen strekkende tot verschaffen van informatie omtrent inbreuk en afgifte van inbreukmakende zaken en daarmee behaalde winst, zullen eveneens worden afgewezen.
4.18.
Ten overvloede merkt de rechtbank het volgende op. Zelfs indien er vanuit zou worden gegaan dat de auteursrechten niet in de vennootschap zouden zijn ingebracht, zou dat niet leiden tot het oordeel dat de vennootschap zich schuldig maakt aan auteursrechtinbreuk. Daartoe is het volgende redengevend. Partijen zijn het erover eens dat er in dat geval van uit moet worden gegaan dat de auteursrechten vanaf 1989 zijn blijven berusten bij [A.] en na zijn overlijden bij [eiser1]. Gedaagden voeren aan dat in dat geval uit het feit dat zij de auteursrechten altijd heeft mogen exploiteren blijkt dat aan de vennootschap een ongeschreven licentie is verstrekt voor de exploitatie van de auteursrechten. Uit het onder III. subsidiair gevorderde en de toelichting in de akte vermeerdering van eis leidt de rechtbank af dat eisers het bestaan van een licentieovereenkomst niet bestrijden, maar beëindiging van de licentieovereenkomst beogen. De rechtbank zou er, indien de overdracht van de auteursrechten niet zou worden aangenomen, derhalve van uit gaan dat er een licentieovereenkomst bestaat. Dat betekent dat er geen sprake zou zijn van inbreuk op de auteursrechten door de vennootschap.
4.19.
Ten overvloede merkt de rechtbank voorts het volgende op. Eisers stellen dat sprake is van een duurovereenkomst die opzegbaar is en dat [eiser1] recht en belang heeft om deze licentie te beëindigen en zeggen de licentieovereenkomst bij de op 9 april 2014 overgelegde akte na comparitie op, uiterst subsidiair tegen een opzegtermijn van 6 maanden. Tevens maakt [eiser1] met terugwerkende kracht aanspraak op een redelijke royaltyvergoeding van 25% van de gerealiseerde jaaromzetten.
4.20.
Gedaagden voeren ten verwere aan dat de vennootschap, indien deze niet auteursrechthebbende is maar een licentie heeft, volledig afhankelijk is van de voortzetting van de licentieovereenkomst en dat om die reden de licentieovereenkomst niet opzegbaar is, althans slechts voor zover een voldoende zwaarwegende grond bestaat. Daarnaast voeren gedaagden aan dat opzegging leidt tot de onwenselijke situatie dat de kunstwerken van [A.] niet meer worden geëxploiteerd, het museum en de beeldentuin en het atelier zeer waarschijnlijk verloren zullen gaan. Gedaagden betogen dat een opzegtermijn van 6 maanden dan ook irreëel is en dat voorts gelet op de consequenties een schadevergoeding op zijn plaats is, die voorlopig wordt begroot op € 2.000.000,-. Voorts betwisten gedaagden dat zij vergoedingen verschuldigd zijn. Daartoe voeren zij aan dat nimmer winstafdracht of betaling van royalty’s is overeengekomen. Tot slot beroepen gedaagden zich op verjaring ingevolge artikel 3:310 BW, daartoe aanvoerend dat [A.] en later [eiser1] nooit winstafdracht hebben gevorderd in de afgelopen 24 jaar.
4.21.
De rechtbank overweegt hieromtrent, ten overvloede, als volgt. Zo sprake zou zijn van een licentieovereenkomst, dan kwalificeert deze als een duurovereenkomst voor onbepaalde tijd. In beginsel is een duurovereenkomst voor onbepaalde tijd opzegbaar. De eisen van redelijkheid en billijkheid tezamen met de inhoud en aard van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval kunnen bepalen dat opzegging slechts mogelijk is in geval van een zwaarwegende grond, na een opzegtermijn of na betaling van schadevergoeding. Mede in het licht van hetgeen gedaagden ten verwere op dit punt hebben aangevoerd is het belang van [eiser1] bij opzegging onvoldoende onderbouwd en blijkt dat belang ook overigens niet uit het dossier. Nu voorts geen sprake is van een redelijke opzegtermijn en bovendien een aanbod tot passende schadeloosstelling geheel ontbreekt, zou een verklaring voor recht betreffende de beëindiging van de licentieovereenkomst, zo het bestaan daarvan zou worden aangenomen, voor afwijzing gereed liggen.
4.22.
Ten aanzien van de gevorderde royaltyvergoeding geldt het volgende. Onweersproken is gesteld dat [A.] en [eiser1] nooit enige royaltyvergoeding hebben bedongen bij de vennootschap. Derhalve bestaat geen grond voor een vordering wegens achterstallige royalty’s.
4.23.
Nog afgezien van de constatering dat jegens [gedaagde4] geen vordering strekkende tot betaling van een auteursrechtelijke vergoeding is geformuleerd, zijn de gestelde auteursrechtelijke vergoedingsplichten van [gedaagde1] en [gedaagde4] in privé mede gelet op de betwisting onvoldoende onderbouwd. Het gestelde kan derhalve niet leiden tot toewijzing van betaling van auteursrechtelijke vergoedingen.
IV Overige vergoedingsrechten
4.24.
Eisers stellen dat [eiser1] opeisbare vorderingen heeft op [gedaagde1] in verband met de betaling van de koopprijs van een deel van de certificaten van NLG 13.290,- (€ 6.030,74), alsmede (hoofdelijk) op [gedaagde1] en de vennootschap uit hoofde van de verstrekte geldlening van € 150.000,- en in verband met betalingen die [gedaagde1] heeft geboekt van de privérekening van [eiser1] naar zijn eigen rekening en de rekening van de vennootschap, en voorts op de vennootschap in verband met de aanspraken op stamrechtuitkeringen. Aan de vorderingen tot betaling van schadevergoeding door gedaagden leggen eisers ten grondslag nakoming, ingevolge artikel 3:296 BW en 3:74 [de rechtbank begrijpt 6:74] e.v. BW ingeval van een bestaande contractuele verplichting, alsmede onrechtmatige daad en de vennootschappelijke normen van de artikelen 2:8 en 2:9 BW. Voorts stellen eisers dat [gedaagde1] ongerechtvaardigd is verrijkt ten gevolge van bepaalde transacties en dat instandhouding daarvan in strijd is met de redelijkheid en billijkheid ex artikel 6:2 BW.
4.25.
Gedaagden betwisten de vorderingen van eisers, onder meer aanvoerend dat bij gebreke van een feitelijke en juridische grondslag de vorderingen niet toewijsbaar zijn.
4.26.
Blijkens de akte tot levering van certificaten van 20 december 2001 heeft [eiser1] 1.329 certificaten van preferente aandelen in het kapitaal van de vennootschap verkocht aan [gedaagde1] voor een koopsom van fl. 13.290,-. Partijen zijn met betrekking tot de betaling van de koopsom een overeenkomst van geldlening aangegaan. Uit de akte van kwijtschelding, zoals hiervoor vermeld onder 2.14, volgt dat de schuld voor een bedrag van € 2.516,21 is kwijtgescholden en dat daarna een schuld resteert van € 3.514,53. Gedaagden voeren weliswaar aan dat aan alle verplichtingen is voldaan, maar bij gebreke van nadere stukken is niet gebleken dat deze schuld inmiddels is voldaan. Ervan uitgaande dat de schuld terstond opeisbaar is, zal de vordering tot betaling van het resterende bedrag van € 3.514,53 worden toegewezen. De gevorderde wettelijke rente zal worden toegewezen met ingang van de dag der dagvaarding nu een eerdere verzuimdatum is gesteld noch gebleken.
Betalingen van de privérekening van [eiser1]
4.27.
Eisers hebben ten aanzien van dit deel hun vordering onvoldoende onderbouwd. Overlegging van een aantal bankafschriften waaruit blijkt dat vanaf de bankrekening van [eiser1] betalingen zijn verricht naar de bankrekening van de vennootschap en [gedaagde1] en diens vrouw in privé, is daartoe onvoldoende. Dat geldt te meer nu gedaagden onweersproken hebben gesteld dat [eiser1] zelf weleens, door gebruikmaking van overschrijvingsformulieren, bedragen naar de vennootschap en [gedaagde1] overmaakte. Deze vordering zal worden afgewezen.
Lening van € 150.000,- van [eiser1] aan de vennootschap
4.28.
Gedaagden betwisten de stelling van eisers dat deze lening opeisbaar is. Daartoe voeren zij aan dat de lening zijn oorsprong vindt in de oprichting, meer in het bijzonder door de inbreng van de onderneming boven de nominale waarde van de aandelen. Gedaagden voeren ten verwere aan dat de lening sinds 1989 bestaat en dat deze als achtergestelde lening dient te worden gekwalificeerd.
4.29.
Vast staat dat dit deel van de vordering betrekking heeft op een lening van [eiser1] aan de vennootschap. Dat sprake is van een achtergestelde lening is niet gebleken. De enkele omstandigheid dat feitelijk nooit is ingevorderd is onvoldoende om te concluderen dat sprake is van een achtergestelde lening. Aangezien gedaagden verder niets hebben aangevoerd tegen deze vordering, luidt de conclusie dat de lening opeisbaar is en dat, nu [eiser1] de terugbetaling opeist, de vordering met de gevorderde wettelijke rente met ingang van de dag der dagvaarding zal worden toegewezen.
4.30.
Eisers leggen aan deze vordering ten grondslag de stamrechtovereenkomst waaruit een recht op periodieke uitkering volgt. Op grond daarvan dient per kwartaal bij vooruitbetaling een bedrag van € 3.834,30 aan [eiser1] te worden uitgekeerd. Eisers stellen dat [eiser1] sinds december 2012 geen uitkering meer heeft ontvangen.
4.31.
Gedaagden erkennen dat door de vennootschap maandelijks stamrecht aan [eiser1] dient te worden uitgekeerd. Ten verwere tegen de vordering voeren gedaagden aan dat de vennootschap een aantal maal niet in staat is geweest uit te keren, als gevolg van de economische crisis, die, aldus gedaagden, ook de kunstwereld hard raakt, alsmede als gevolg van teruglopende verkopen en bezoeken. Gedaagden hebben toegezegd de achterstand zo snel mogelijk in te lopen.
4.32.
Gelet op de onbetwiste inhoud van de stamrechtovereenkomst en de erkenning dat sprake is van een achterstand kan de vordering ten aanzien van de vennootschap worden toegewezen, ook voor de toekomstige uitkeringen voor zover die nog niet zijn betaald.
Algemene schadevergoedingsvordering
4.33.
Eisers hebben ten aanzien van deze vordering onvoldoende aan hun stelplicht voldaan. De enkele stelling dat schade is geleden, zonder onderbouwing waaruit die schade bestaat, is volstrekt onvoldoende. Deze vordering zal worden afgewezen.
4.34.
Het gelegde beslag is mede gelet op het hiervoor overwogene niet aan te merken als nietig, onnodig of onrechtmatig, zodat de kosten voor de gelegde beslagen ingevolge artikel 706 Rv voor vergoeding in aanmerking komen. Blijkens de overgelegde stukken gaat het om een totaalbedrag van € 2.171,90 aan deurwaarderskosten. Voor het salaris van de advocaat voor de beide beslagrekesten zal 2 punten van het toepasselijk liquidatietarief, totaal € 904,00, worden toegekend, alsmede een totaal van € 548,- aan griffierecht.
Buitengerechtelijke incassokosten
4.35.
Eisers vorderen betaling van een bedrag van € 2.775,-, althans een door de rechtbank vast te stellen bedrag, aan buitengerechtelijke incassokosten.
De rechtbank stelt vast dat voor de hierna toe te wijzen vorderingen het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is, nu het verzuim ten aanzien van die vorderingen na 1 juli 2012 is ingetreden.
De gevorderde vergoeding komt jegens [gedaagde1] echter niet voor toewijzing in aanmerking, nu gesteld noch gebleken is dat een aanmaning conform de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW heeft plaatsgevonden. De brief van mr. Hoekstra aan [gedaagde1] van 12 juli 2013 (productie E46) voldoet daar niet aan. De gevorderde vergoeding komt jegens de vennootschap niet voor toewijzing in aanmerking, nu gesteld noch gebleken is dat werkzaamheden zijn verricht ter incasso van de hierna toe te wijzen vorderingen. De vordering tot betaling van een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten is dan ook niet toewijsbaar
4.36.
Gelet op de familierechtelijke betrekking tussen eisers en [gedaagde1] ziet de rechtbank aanleiding om de proceskosten tussen eisers enerzijds en [gedaagde1] anderzijds te compenseren in die zin dat ieder de eigen kosten draagt. Aangezien ten aanzien van de vorderingen van eisers gericht tegen de vennootschap beide partijen als over en weer in het ongelijk gesteld zijn te beschouwen, zullen de proceskosten tussen deze partijen eveneens worden gecompenseerd in die zin dat ieder de eigen kosten draagt. Gelet op het in het voorgaande overwogene zullen de vorderingen voor zover gericht tegen de Stak, [gedaagde4] en [gedaagde5] worden afgewezen. Dat leidt ertoe dat eisers in de kosten van de Stak, [gedaagde4] en [gedaagde5] voor deze procedure zullen worden veroordeeld. Aangezien de Stak, [gedaagde4] en [gedaagde5] bij dezelfde advocaat zijn verschenen als de overige gedaagden, worden deze kosten begroot op nihil.
Uitvoerbaarheid bij voorraad verklaring
4.37.
Eisers hebben verzocht het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Gedaagden hebben verzocht om het vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Zij voeren daartoe aan dat executie van een toewijzend vonnis onder meer ten gevolge zal hebben dat de vennootschap failleert, hetgeen ook niet in het belang van eisers is.
4.38.
Als uitgangspunt voor de beoordeling van uitvoerbaarverklaring bij voorraad heeft te gelden dat de belangen van partijen moeten worden afgewogen in het licht van de omstandigheden van het geval. Daarbij moet worden nagegaan of op grond van die omstandigheden, bijvoorbeeld in verband met de spoedeisendheid van het voldoen aan de veroordeling, het belang van degene die de veroordeling verkrijgt, zwaarder weegt dan dat van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand tot op het rechtsmiddel is beslist. De kans van slagen van het aangewende rechtsmiddel dient daarbij in de regel buiten beschouwing te blijven. Daarbij geldt bovendien dat degene die een veroordeling tot betaling van een geldsom verkrijgt, wordt vermoed het vereiste belang bij uitvoerbaarverklaring bij voorraad te hebben. Mogelijk ingrijpende gevolgen van de executie, die moeilijk ongedaan gemaakt kunnen worden, kunnen op zichzelf niet in de weg staan aan uitvoerbaarverklaring bij voorraad, maar dienen meegewogen te worden.
Met inachtneming van het hiervoor overwogene is de rechtbank van oordeel dat het belang van [eiser1] bij betaling zwaarder weegt dan het belang van gedaagden bij het schorsen van executie van het vonnis hangende een eventueel in te stellen hoger beroep. Daarbij komt betekenis toe aan de vergevorderde leeftijd van [eiser1]. De omstandigheid dat de vennootschap mogelijk zal failleren legt daarbij onvoldoende gewicht in de schaal.
4.39.
Een van de rechters van de meervoudige kamer, ten overstaan van wie de comparitie is gehouden, heeft dit vonnis niet mede kunnen wijzen in verband met zijn tijdelijk verblijf in het buitenland in het kader van de Rule of Law Mission van de Europese Unie.
5 De beslissing
De rechtbank
5.1.
veroordeelt [gedaagde1] om aan [eiser1] te betalen een bedrag van € 3.514,- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 maart 2013 tot de dag der algehele voldoening,
5.2.
veroordeelt de vennootschap om aan [eiser1] te betalen een bedrag van € 150.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 maart 2013 tot de dag der algehele voldoening,
5.3.
veroordeelt de vennootschap om aan [eiser1] te betalen een bedrag van € 3.834,30 per 3 maanden vanaf 1 januari 2013, telkens te vermeerderen met de wettelijke rente telkens vanaf de dag na de overeengekomen datum van betaling,
5.4.
veroordeelt [gedaagde1] en de vennootschap in de beslagkosten, tot op heden begroot op € 3.623,90,
5.5.
verklaart dit vonnis wat betreft de onder 5.1, 5.2, 5.3 en 5.4 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad,
5.6.
compenseert de proceskosten in die zin dat eisers, [gedaagde1] en de vennootschap ieder de eigen kosten dragen,
5.7.
veroordeelt eisers in de proceskosten van de Stak, [gedaagde4] en [gedaagde5], begroot op nihil,
5.8.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Th.S. Röell, mr. J.I. de Vreese-Rood en mr. M.P.E. Oomens en in het openbaar uitgesproken op 24 december 2014.1