Uitspraken

Een deel van alle rechterlijke uitspraken wordt gepubliceerd op rechtspraak.nl. Dit gebeurt gepseudonimiseerd.

Deze uitspraak is gepseudonimiseerd volgens de pseudonimiseringsrichtlijn

ECLI:NL:RBNHO:2018:11946

Rechtbank Noord-Holland
02-05-2018
31-05-2023
260220
Verbintenissenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig

Aansprakelijkheidsrecht

Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2023-0279

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling privaatrecht

Zittingsplaats Alkmaar

zaaknummer / rolnummer: C/15/260220 / HA ZA 17-427

Vonnis van 2 mei 2018

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. C.C.J. de Koning te Zeist,

tegen

N.V. NOORDHOLLANDSCHE VAN 1816,

SCHADEVERZEKERINGSMAATSCHAPPIJ,

gevestigd te Oudkarspel,

gedaagde,

advocaat mr. J. van Rhijn te Alkmaar.

Partijen zullen hierna [eiser] en NH1816 worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding, met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord, met producties;

  • -

    het tussenvonnis van 9 augustus 2017;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 25 januari 2018 en de daarin genoemde processtukken en opgenomen rectificatie van de naam van gedaagde.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser] is op 8 juni 2015 betrokken geraakt bij een verkeersongeval, waarbij hij op zijn motor is aangereden door een links af slaande auto. Bij dit ongeval heeft [eiser] lichamelijk letsel opgelopen.

2.2.

De wettelijke aansprakelijkheidsverzekeraar (WAM-verzekeraar) van de aanrijdende auto is [WAM-verzekeraar] (hierna: [WAM-verzekeraar] ).

2.3.

Ten tijde van het ongeval had [eiser] een Combipolis bij NH1816, waaronder door hem een zevental verzekeringen zijn afgesloten. Onder deze polis heeft hij onder meer een zogenoemde no fault (first party) verzekering in de vorm van een schadeverzekering voor in-/opzittenden (hierna: SVI) afgesloten. Deze verzekering biedt dekking tot een bedrag van € 150.000,00. Ook heeft hij onder de Combipolis een rechtsbijstandverzekering bij de [rechtsbijstandsverzekeraar] afgesloten.

2.4.

Op het polisblad (ingangsdatum 1 augustus 2014) waren de bijzondere voorwaarden rubriek E(3) ‘Bijzondere voorwaarden schadeverzekering voor in-/opzittenden (SVI)’ (hierna: de bijzondere voorwaarden) op de SVI van toepassing, die zijn overgelegd als productie 2 bij conclusie van antwoord.

2.5.

In de bijzondere voorwaarden staat, voor zover van belang, het volgende opgenomen:

Artikel 2 – Omvang van de dekking

De verzekering dekt, voor alle verzekerden tezamen tot ten hoogste het op het polisblad vermelde verzekerde bedrag per gebeurtenis, schade ten gevolge van het verkeersongeval, waarbij sprake is van

a. lichamelijk letsel, al dan niet de dood van de verzekerde(n) ten gevolge hebbend;

b. beschadiging of vernietiging van met het motorrijtuig meegevoerde zaken, die behoren tot de particuliere huishouding van verzekerde(n).

Artikel 5 – Schadevaststelling/Beperking van de uitkeringen

1. De hoogte van de schadevergoeding waarop de verzekerde uit hoofde van deze verzekering aanspraak kan maken, wordt vastgesteld overeenkomstig de daartoe strekkende bepalingen in afdeling 6.1.10. van het Burgerlijk Wetboek.

(…)

3. Als de verzekerde geheel of gedeeltelijk recht heeft op vergoeding krachtens een andere verzekering of op uitkeringen of verstrekkingen uit andere hoofde, kan voor dat deel geen beroep worden gedaan op deze verzekering.

Kan verzekerde daarentegen, wegens aansprakelijkheid van een ander, rechten ontlenen aan een WAM-polis, dan kan hij wel een beroep doen op deze verzekering. (…)”

2.6.

[WAM-verzekeraar] heeft een bedrag van in totaal € 8.000,00 (2 x € 4.000,00) aan [eiser] vergoed als algemeen voorschot op de buitengerechtelijke kosten.

2.7.

[eiser] heeft van NH1816 de dagwaarde van de motor en een voorschot op smartengeld van € 5.000,00 ontvangen.

2.8.

Na het ongeval heeft [eiser] contact gehad met [rechtsbijstandsverzekeraar] . Bij brief van 7 oktober 2015 heeft mr. De Koning aan NH1816 bericht dat hij de zaak heeft overgenomen van [rechtsbijstandsverzekeraar] (productie 2 bij dagvaarding).

2.9.

Mr. De Koning heeft declaraties van zijn werkzaamheden voor [eiser] (productie 9 bij dagvaarding) bij NH1816 ingediend. NH1816 weigert deze te voldoen.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

 voor recht verklaart dat NH1816 is gehouden de door [eiser] geleden en nog te lijden schade ter zake van de buitengerechtelijke kosten die hij moet maken in verband met en ten gevolge van het hem op 8 juni 2015 overkomen verkeersongeval volledig aan [eiser] te vergoeden;

 althans (subsidiair) voor recht te verklaren dat NH1816 gehouden is de door [eiser] geleden en nog te lijden schade ter zake van de buitengerechtelijke kosten die hij moet maken in verband met en ten gevolge van het hem op 8 juni 2015 overkomen verkeersongeval aan [eiser] te vergoeden voor zover [WAM-verzekeraar] deze niet vergoedt aan [eiser] ;

 NH1816 te veroordelen om ter zake van de reeds verschenen buitengerechtelijke kosten aan [eiser] een bedrag groot € 11.012,65 te vergoeden, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na het uitvaardigen van iedere factuur (de uiterste betaaldatum) tot aan de dag der algehele voldoening;

 met veroordeling van NH1816 in de kosten en de nakosten van dit geding.

3.2.

[eiser] stelt - kort gezegd - dat de door hem gemaakte buitengerechtelijke kosten (te weten: advocaatkosten) op grond van artikel 7:959 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) voor rekening van NH1816 komen. Van dit artikel mag niet worden afgeweken, zo volgt uit artikel 7:963 lid 6 BW. Daarom komt NH1816 geen beroep toe op artikel 5.3 van de algemene voorwaarden. De [rechtsbijstandsverzekeraar] vergoedt de advocaatkosten van mr. De Koning niet, terwijl [eiser] een vrije advocaatkeuze heeft. Daarnaast vindt [eiser] dat een beroep op artikel 5.3 van de algemene voorwaarden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

3.3.

NH1816 voert gemotiveerd verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling - uitvoerbaar bij voorraad - van [eiser] in de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente indien deze kosten niet binnen veertien dagen na het vonnis zijn voldaan. NH1816 voert onder meer aan dat de gevorderde advocaatkosten niet vallen onder de reikwijdte van artikel 7:959 lid 1 BW. Volgens NH1816 heeft de SVI verzekering een subsidiair karakter en strekt deze (mede) tot dekking van de kosten als bedoeld in artikel 6:96 BW en vormen deze kosten (onder een dergelijke verzekering) onderdeel van de eigenlijke schade als bedoeld in afdeling 10, titel 1 van boek 6 BW.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De SVI kwalificeert als een schadeverzekeringsovereenkomst in de zin van artikel 7:944 BW. Tussen partijen is niet in geschil dat NH1816 onder de SVI gehouden is dekking te verlenen voor de door [eiser] ten gevolge van het motorongeval geleden schade. In geschil is of NH1816 gehouden is de door [eiser] gevorderde buitengerechtelijke kosten te vergoeden.

4.2.

Artikel 7:959 lid 1 BW bepaalt:

De (…) redelijke kosten tot het vaststellen van de schade gemaakt, komen ten laste van de verzekeraar, ook al zou daardoor, tezamen met de vergoeding van de schade, de verzekerde som worden overschreden.

Uit artikel 7:963 lid 6 BW volgt dat van artikel 7:959 lid 1 BW niet ten nadele van [eiser] kan worden afgeweken.

4.3.

Partijen zijn het er niet over eens of de gevorderde advocaatkosten van mr. De Koning al dan niet onder de werking van artikel 7:959 lid 1 BW vallen. De rechtbank zal dit punt in het midden laten omdat een vergoedingsplicht van deze advocaatkosten hoe dan ook afstuit op het bepaalde in artikel 5.3 van de algemene voorwaarden. Anders dan [eiser] stelt, houdt dit artikel namelijk geen beperking in van artikel 7:959 lid 1 BW (en is dit artikel 5.3 dus ook niet in strijd met dwingend recht). Artikel 5.3 sluit de vergoeding van redelijke kosten gemaakt tot het vaststellen van de schade immers niet uit en artikel 5.3 regelt ook niets over de hoogte daarvan. Artikel 5.3 regelt alleen dat als er een vergoeding, uitkering of verstrekking uit andere hoofde bij een andere verzekeraar geldt, er dan geen kosten onder de SVI kunnen worden geclaimd. Vast staat dat [eiser] een verzekering (in natura) voor de kosten van rechtsbijstand had, namelijk bij [rechtsbijstandsverzekeraar] en dat [rechtsbijstandsverzekeraar] dekking wilde verlenen. [eiser] heeft [rechtsbijstandsverzekeraar] hiervoor ook ingeschakeld maar zelf besloten niet [rechtsbijstandsverzekeraar] maar mr. De Koning in te schakelen. Deze beslissing mag NH1816 voor rekening van [eiser] laten, te meer omdat vaststaat dat de tussenpersoon [eiser] erop heeft gewezen dat dit zijn eigen keuze is en dat hij rekening moest houden met extra kosten. NH1816 kan dan ook niet verplicht worden de advocaatkosten van mr. De Koning te vergoeden.

4.4.

[eiser] stelt verder dat artikel 5.3 van de algemene voorwaarden buiten toepassing moet blijven, omdat de uitwerking van deze contractuele bepaling in zijn situatie naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. De rechtbank oordeelt dat dit beroep op de redelijkheid en billijkheid niet opgaat omdat door [eiser] onvoldoende feiten en omstandigheden zijn gesteld om de hoge drempel die hiervoor geldt, te nemen. [eiser] laat bijvoorbeeld na toe te lichten waarom [rechtsbijstandsverzekeraar] niet zou kunnen voorzien in de benodigde gespecialiseerde rechtsbijstand en waarom zijn belang inschakeling van mr. De Koning vergt, te meer nu de mogelijkheid bestaat dat [rechtsbijstandsverzekeraar] de zaak extern uitbesteedt. Ook de door [eiser] gestelde rechtsongelijkheid tussen

SVI-verzekerden met rechtsbijstandsverzekering en zonder rechtsbijstandsverzekering leidt niet tot een onaanvaardbare situatie. Uit de polisvoorwaarden is kenbaar dat NH1816 deze kosten niet draagt indien er recht bestaat op vergoeding door een andere verzekeraar en [eiser] is er bovendien, volgens zijn verklaring ter zitting, door zijn assurantietussenpersoon op gewezen dat inschakeling van zijn advocaat extra kosten voor hem met zich brengt. Daarbij blijven de advocaatkosten ook niet geheel voor rekening van [eiser] : hij heeft zelf verklaard dat deze deels (wegens 50% erkenning van de aansprakelijkheid) worden vergoed door [WAM-verzekeraar] .

4.5.

[eiser] verwijst nog naar de PIV-overeenkomst en het convenant tussen Platforms Aansprakelijkheid, Mobiliteit en Rechtsbijstand van het Verbond van Verzekeraars (productie 8 bij dagvaarding), maar voor zover al van toepassing, is [eiser] geen partij bij deze overeenkomsten en komt hem daarop geen beroep toe. Of er al dan niet regres is op [WAM-verzekeraar] , is verder niet van invloed op de beslissing in deze zaak.

4.6.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de financiële gevolgen van de keuze van [eiser] om de rechtsbijstandverlening door [rechtsbijstandsverzekeraar] te beëindigen en de zaak over te dragen aan mr. De Koning niet voor rekening van NH1816 komen. De vorderingen van [eiser] zullen worden afgewezen.

4.7.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten en de wettelijke rente daarover worden veroordeeld. De proceskosten aan de zijde van NH1816 worden begroot op:

- griffierecht € 1.924,00

- salaris advocaat 1.086,00 (2,0 punten × tarief € 543,00)

Totaal € 3.010,00

4.8.

De gevorderde nakosten en de wettelijke rente daarover zullen eveneens als na te melden worden toegewezen.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van NH1816 tot op heden begroot op € 3.010,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

5.3.

veroordeelt [eiser] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 157,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [eiser] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

5.4.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling (5.2. en 5.3.) uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.K. Korteweg en in het openbaar uitgesproken op 2 mei 2018.1

1 type: RvD coll: CK

De gegevens worden opgehaald

Hulp bij zoeken

Er is een uitgebreide handleiding beschikbaar voor het zoeken naar uitspraken, met onder andere uitleg over:

Selectiecriteria

De Rechtspraak, Hoge Raad der Nederlanden en Raad van State publiceren uitspraken op basis van selectiecriteria:

  • Uitspraken zaken meervoudige kamers
  • Uitspraken Hoge Raad en appelcolleges
  • Uitspraken met media-aandacht
  • Uitspraken in strafzaken
  • Europees recht
  • Richtinggevende uitspraken
  • Wraking

Weekoverzicht

Selecteer een week en bekijk welke uitspraken er in die week aan het uitsprakenregister zijn toegevoegd.