Uitspraken

Een deel van alle rechterlijke uitspraken wordt gepubliceerd op rechtspraak.nl. Dit gebeurt gepseudonimiseerd.

Deze uitspraak is gepseudonimiseerd volgens de pseudonimiseringsrichtlijn

ECLI:NL:RBNHO:2023:9422

Rechtbank Noord-Holland
24-08-2023
22-09-2023
9799337 EL 22-28
Verbintenissenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig

Dexia.

Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Alkmaar

Zaaknummer: 9799337 EL 22-28

vonnis van de kantonrechter van 24 augustus 2023

in de zaak van

de besloten vennootschap DEXIA NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

eisende partij,

gemachtigde: USG Legal Professionals,

tegen

1 [gedaagde 1] ,

2. [gedaagde 2] ,

beiden wonende te [woonplaats] ,

gedaagde partijen,

gemachtigde: mr. G. van Dijk, Leaseproces.

Partijen worden hierna Dexia en [gedaagden] (mannelijk enkelvoud) genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 29 maart 2022 van Dexia, met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord van [gedaagden] , met producties;

  • -

    de conclusie van repliek van Dexia, met producties;

  • -

    de conclusie van dupliek van [gedaagden] , met producties.

1.2.

Laatstgenoemde producties worden buiten beschouwing gelaten nu Dexia niet in de gelegenheid is gesteld daarop te reageren.

1.3.

Hierna is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[gedaagden] heeft de volgende leaseovereenkomst(en) ondertekend waarop hij als lessee stonden vermeld, met als wederpartij (de rechtsvoorganger van) Dexia:

Nr

Contractnr.

Datum

Naam overeenkomst

Looptijd

Leasesom

I.

[contractnr. 1]

16 januari 2001

AEX Plus Effect

240 mnd

€ 10.891,20

II.

[contractnr. 2]

16 januari 2001

AEX Plus Effect

240 mnd

€ 10.891,20

2.2.

De overeenkomsten zijn geëindigd op 9 augustus en 13 september 2006. Daarbij is een negatief resultaat van in totaal € 839,90 behaald, dat door [gedaagden] niet is voldaan.

2.3.

Vanaf januari 2022 heeft Dexia [gedaagden] uitgenodigd om in gesprek te gaan en te onderzoeken of partijen tot afronding van het effectenleasedossier kunnen komen. [gedaagden] heeft hierop niet (inhoudelijk) gereageerd.

3 De vordering en het verweer

3.1.

Dexia vordert dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad,:
1. [gedaagden] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 279,96 (zijnde één derde van de restschuld uit hoofde van de overeenkomsten met nummers [contractnr. 1] en [contractnr. 2] ), met rente,

2. zal verklaren voor recht dat Dexia met betrekking tot de overeenkomsten met nummers [contractnr. 1] en [contractnr. 2] , aan al haar verplichtingen heeft voldaan en niets meer aan [gedaagden] verschuldigd is,
3. [gedaagden] zal veroordelen in de proceskosten.

3.2.

[gedaagden] voert verweer tegen de vorderingen en concludeert tot niet-ontvankelijk verklaring van Dexia, althans afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van Dexia in de proceskosten en de nakosten.

3.3.

Op de stellingen en verweren van partijen zal voor zover nodig hierna nader worden ingegaan.

4 De beoordeling
4.1. Het gaat in deze zaak om een financieel product dat tussen 1990 en 2003 in Nederland ongeveer één miljoen keer is verkocht, namelijk een effectenleaseovereenkomst. Kenmerk van dit product is, dat de afnemer van het product met geleend geld belegt. Na het instorten van de aandelenmarkt zijn vele afnemers geconfronteerd met restschulden en andere verliezen. In de afgelopen 15 à 20 jaar zijn in Nederland hierover duizenden procedures gevoerd, waarbij Dexia vaak één van de procespartijen was. Door belangenbehartigers van afnemers en vertegenwoordigers van aanbieders van deze producten is, in het kader van de WCAM, een regeling getroffen, die bij beschikking van het Gerechtshof Amsterdam van 25 januari 2007 algemeen verbindend is verklaard. Enkele tienduizenden afnemers hebben deze regeling niet geaccepteerd en tijdig een opt-out-verklaring ingediend, onder wie [gedaagden] .

4.2.

De veelheid van procedures heeft geleid tot veel jurisprudentie, waaronder verschillende richtinggevende arresten van de Hoge Raad. Deze jurisprudentie is bij de gemachtigden van partijen bekend. In het bijzonder gaat het om de arresten van de Hoge Raad van 28 maart 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BC2837), 5 juni 2009 (ECLI:NL:HR:2009:BH 2815), 29 april 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BP4003), 3 februari 2017 (ECLI:NL:HR: 2017:164) en 12 april 2019 (ECLI:NL:HR:2019:590) en de arresten van het gerechtshof Amsterdam van 1 december 2009 (ECLI:NL: GHAMS:2009:BK4981) en 1 april 2014, (ECLI:NL:GHAMS:2014:1135). Deze jurisprudentie wordt als leidraad genomen. Door partijen zijn geen (althans onvoldoende) bijzondere omstandigheden gesteld die in deze zaak een afwijking daarvan rechtvaardigen.

4.3.

Toepassing van deze maatstaven en beoordelingskaders leidt in het onderhavige geval tot de volgende conclusies:

  1. er is sprake van huurkoop;

  2. er is geen sprake van dwaling, misleidende reclame en/of misbruik van omstandigheden; evenmin is er sprake van (ver)nietig(baar)heid krachtens de Wck;

  3. Dexia heeft haar bijzondere zorgplichten geschonden, in elk geval de waarschuwingsplicht, en daardoor onrechtmatig gehandeld;

  4. [gedaagden] heeft schade geleden, bestaande uit betaalde termijnen en restschuld;

  5. er is voldoende causaal verband aanwezig tussen de hiervoor bedoelde schade en de onrechtmatige daad van Dexia.

4.4.

Dexia vordert een verklaring voor recht die ertoe strekt het niet-bestaan van een recht vast te stellen. In haar visie is zij niets meer aan [gedaagden] verschuldigd.

4.5.

[gedaagden] stelt dat nog niet te overzien is of er nog een vordering op Dexia resteert, omdat de jurisprudentie op een aantal onderwerpen nog niet is uitgekristalliseerd. Hij wenst de ontwikkelingen af te wachten. In elk geval meent hij nog een vordering te hebben vanwege de advisering door een tussenpersoon en de schending van artikel 41 NR 1999. Ook stelt [gedaagden] dat door Dexia onvoldoende buitengerechtelijke kosten zijn betaald.

4.6.

In beginsel is het aan de schuldeiser van een vordering om te bepalen of en op welk moment hij zijn vordering in rechte geldend wil maken. Indien hij de regels ten aanzien van de (stuiting van) de verjaring (en onder omstandigheden de klachtplicht) in acht neemt, kan hij daarvoor de tijd nemen. Anderzijds dient het procesrecht er ook toe om bescherming te bieden aan een schuldenaar die jarenlang wordt genoodzaakt rekening te houden met een onduidelijke, mogelijk nog jegens hem geldend te maken vordering. Ook hem moet de mogelijkheid worden geboden om aan die situatie op enig moment een einde te maken door uitsluitsel te kunnen krijgen over de vraag of het gaat om daadwerkelijk bestaande civielrechtelijke rechten. Daartoe kan de door Dexia gevraagde verklaring voor recht een geëigend middel zijn. Bij een dergelijke negatieve verklaring voor recht, blijven de stelplicht en bewijslast rusten op de partij die in materieel opzicht aan bepaalde feiten rechtsgevolgen verbonden wil zien. De vorm waarin de vordering is gegoten is daarbij niet bepalend. Voor toewijzing van de vordering van Dexia is vereist dat in dit geding kan worden vastgesteld dat zij niets meer aan [gedaagden] verschuldigd is. Dat betekent dat wanneer dat niet ten volle kan worden vastgesteld, in beginsel afwijzing van de vordering behoort te volgen, dan wel de vordering slechts voorwaardelijk toewijsbaar is.
afwachten ontwikkelingen in de jurisprudentie

4.7.

[gedaagden] voert aan dat hij de komende ontwikkelingen in de jurisprudentie wil afwachten, zodat de vordering van Dexia niet toegewezen kan worden zolang nog geen beslissingen in hoogste instantie zijn gegeven. Dit verweer wordt niet gevolgd. Het enkele feit dat er een mogelijkheid bestaat dat de jurisprudentie zich op enig moment in de toekomst in een voor [gedaagden] gunstiger zin zal kunnen ontwikkelen, betekent niet dat thans niet zou kunnen of mogen worden beslist over de aanspraken van [gedaagden] .

4.8.

Met de door de Hoge Raad eerder gegeven maatstaven staat in de onderhavige zaken vast dat Dexia een onrechtmatige daad heeft gepleegd, dat de daardoor veroorzaakte schade, waarvoor Dexia in beginsel aansprakelijk is, moet worden vergoed en dat de eigen schuld als bedoeld in artikel 6:101 BW de verdeelsleutel geeft om die schade over partijen te verdelen. Dat de mogelijkheid van nieuwe ontwikkelingen in de jurisprudentie aanwezig is, vormt geen belemmering om op de voorgelegde geschilpunten te beslissen, nu die mogelijkheid ook op andere rechtsterreinen en in andere soorten zaken steeds aanwezig is.


verjaring
4.9. Dexia stelt dat een eventuele vordering van [gedaagden] in verband met een schending van artikel 41 NR 1999 inmiddels verjaard is. Dit verweer kan niet worden gevolgd.
In de uitspraken van diverse rechtbanken in het recente verledenzijn bestendige oordelen te vinden voor wat betreft de stellingen en verweren van partijen die zien op (onder andere) de volmacht van Leaseproces, de klachtplicht en verjaring. Voor zover in deze zaak geen andere, afwijkende standpunten zijn ingenomen door één van de partijen, wordt op de aan (de gemachtigde van) partijen bekende overwegingen, ook in deze zaak geoordeeld dat er geen reden is om aan te nemen dat de verweren omtrent de verjaring doel treffen.

tussenpersoon

4.10.

[gedaagden] heeft de overeenkomsten met Dexia afgesloten via de tussenpersoon Excellent Adviseurs. Tussen partijen is niet in geschil dat de tussenpersoon niet beschikt over de voor beleggingsadvieswerkzaamheden noodzakelijke vergunning. In het arrest van de Hoge Raad van 10 juni 2022 (ECLI :NL:HR:2022:862) is opnieuw geoordeeld dat indien de afnemer een effectenleaseovereenkomst is aangegaan nadat de daarbij optredende tussenpersoon, zonder te beschikken over de daarvoor benodigde vergunning, tevens – naar de aanbieder wist of behoorde te weten – als financieel adviseur is opgetreden door advies te geven, daarmee vaststaat dat de aanbieder heeft gecontracteerd in strijd met het verbod van artikel 41 NR 1999, dan wel met het daarmee materieel overeenkomende artikel 25 NR 1995. De Hoge Raad heeft daarbij, zoals (de gemachtigden van) partijen bekend is, bepaald dat het moet gaan om een gepersonaliseerde aanbeveling, waarbij een aantal omstandigheden zijn genoemd, die bij de beoordeling daarvan van belang kunnen zijn.

Ook indien niet wordt vastgesteld dat die omstandigheden zich voordoen, bestaat de mogelijkheid dat de tussenpersoon toch een gepersonaliseerde aanbeveling heeft gedaan als door de Hoge Raad bedoeld, namelijk een aanbeveling die is voorgesteld als geschikt voor de betrokken afnemer.

4.11.

De stelplicht en bewijslast dat de tussenpersoon [gedaagden] heeft geadviseerd en dat Dexia wetenschap had althans behoorde te hebben van het feit dat de tussenpersoon [gedaagden] , anders dan in algemene zin, een persoonlijk en specifiek op dit product toegesneden advies heeft verstrekt, rusten op [gedaagden] . Dat is immers degene die zich op de rechtsgevolgen van het onrechtmatig handelen van Dexia en de vergunningplichtige advisering beroept.
De door [gedaagden] gestelde feiten en omstandigheden dienen voldoende concreet te zijn en zo mogelijk voorzien van onderbouwing. Voor zover Dexia de gestelde feiten en omstandigheden betwist, dient die betwisting eveneens voldoende gemotiveerd te zijn.
Bij de beoordeling of de stellingen voldoende concreet en onderbouwd zijn en of het verweer voldoende gemotiveerd is weegt mee, dat beide partijen al zeer lange tijd – in elk geval sinds de opt-out door [gedaagden] in 2007 – weten dat over de totstandkoming van de overeenkomst en de afwikkeling daarvan een gerechtelijke procedure gevoerd zal (kunnen) worden, zodat van hen verlangd mag worden de voor hun procespositie relevante informatie en stukken te hebben verzameld en bewaard.

4.12.

[gedaagden] stelt over de feitelijke gang van zaken het volgende:

[gedaagden] is in contact gekomen met Excellent Adviseurs via een aanbeveling van vrienden. [gedaagden] was namelijk op zoek naar een advies om de financiën van het jonge gezin van [gedaagden] in te richten. [gedaagden] heeft daarom zelf contact opgenomen met Excellent Adviseurs. Naar aanleiding van dit contact is een afspraak gemaakt voor een huisbezoek van een financieel adviseur van Excellent Adviseurs, [adviseur] (hierna: de adviseur). De adviseur is tweemaal bij [gedaagden] aan huis geweest. In het eerste huisbezoek heeft de adviseur de situatie en wensen van [gedaagden] doorgenomen. [gedaagden] gaf aan graag te willen sparen voor de toekomst. Daarbij had [gedaagden] korte termijn-doelen en lange termijn-doelen. Op de korte termijn wilde [gedaagden] het graag mogelijk maken om over enkele jaren een lange reis te kunnen maken en/of een caravan te kunnen aanschaffen. Op lange termijn wilde [gedaagden] een voorziening treffen voor de studie van de kinderen en het eigen pensioen.

Nadat deze wensen besproken waren, maakte de adviseur een inventarisatie van wat [gedaagden] maandelijks kon missen om mee te sparen. De adviseur kwam vervolgens met de volgende constructie. [gedaagden] diende vier producten af te sluiten: tweemaal een AEX Plus Effect van Bank Labouchere, en tweemaal een pensioenproduct van Avéro/Achmea. Eén AEX Plus Effect zou voorzien in de vermogensopbouw voor over enkele jaren. Het andere AEX Plus Effect was bedoeld voor het sparen voor de lange termijndoelen van [gedaagden] . De Avéro-producten waren bedoeld voor het pensioen van [gedaagden] . Over het AEX Plus Effect vertelde de adviseur dat dit een spaarproduct was waarmee een goed rendement kon worden behaald. Hoe dit precies in zijn werk ging werd door de adviseur niet uitgelegd. [gedaagden] heeft de adviseur gevraagd of er risico’s verbonden waren aan het geadviseerde product. De adviseur heeft deze vraag echter weggewuifd: het zou hier om een veilig product gaan. [gedaagden] wist dan ook niet dat het hier in feite ging om een belegging met geleend geld. Ook heeft de adviseur niet gewezen op risico’s van die constructie, namelijk dat bij een koersdaling op de beurs de hele inleg verloren kon gaan en dat er zelfs een restschuld kon ontstaan. Als [gedaagden] had geweten van deze risico’s, had hij de AEX Plus Effect overeenkomsten niet afgesloten. Omdat [gedaagden] geen kennis had van complexe financiële constructies, vertrouwde hij op de deskundigheid van de adviseur. Hiervoor had [gedaagden] nu juist een adviseur opgezocht. [gedaagden] is dan ook afgegaan op het advies. De aanvraagformulieren zijn bij het eerste huisbezoek getekend en daarna door de adviseur naar Bank Labouchere doorgestuurd. De adviseur is nogmaals bij [gedaagden] aan huis geweest, waarbij zij de overeenkomsten door [gedaagden] heeft laten tekenen. Ook de overeenkomsten zijn vervolgens door de adviseur doorgestuurd naar Bank Labouchere.

4.13.

[gedaagden] heeft, ter onderbouwing van zijn stellingen, gewezen op de volgende stukken die in het geding zijn gebracht:
- een kopie van de overeenkomsten van 16 januari 2001 met contractnummer [contractnr. 1] en [contractnr. 2] , voorzien van het adviseursnummer: [adviseursnummer] -Excellent Adviseurs,

- een kopie van het aanvraagformulier van 11 januari 2001 met contractnummer [contractnr. 1] en [contractnr. 2] , voorzien van het adviseursnummer: [adviseursnummer] en een stempel van Excellent Adviseurs met contactgegevens en met vermelding bij “Naam adviseur”: [adviseur]
- een kopie van de website van Excellent Adviseurs waarin de volgende activiteiten staan omschreven: ‘Excellent Adviseurs biedt u graag een totaal advies in combinatie met een geïntegreerde oplossing aan. Onze kennis en ervaring gekoppeld aan onze heldere visie op financiële dienstverlening bieden u één overduidelijk voordeel: de garantie van een excellent advies.’,

- een afschrift van de Kamer van Koophandel van Excellent Adviseurs waarin de volgende activiteiten staan omschreven: ‘Bemiddeling in het tot stand komen van overeenkomsten op het gebied van assurantiën/hypotheken/financieringen/beleggingen’,

- afschriften van de polissen Avéro/Achmea die tegelijk met de effectenleaseovereenkomsten zijn geadviseerd,

- een brochure van Bank Labouchere over het beleggingsproduct AEX Plus Effect.

4.14.

Met deze feitelijke uiteenzetting en stukken heeft [gedaagden] voldoende onderbouwd dat sprake is geweest van een specifiek op de persoon van [gedaagden] gericht financieel advies van de adviseur van de tussenpersoon om een specifiek effectenleaseproduct met Dexia overeen te komen. In elk geval staat voldoende vast dat sprake is geweest van een huisbezoek door de tussenpersoon. Dat heeft Dexia, gelet op de toelichting en stukken van [gedaagden] , onvoldoende gemotiveerd betwist. Zonder aanwijzingen van het tegendeel, die ontbreken, kan er dan vanuit worden gegaan dat de tussenpersoon daarbij (ook) heeft geïnformeerd naar de financiële omstandigheden en financiële doelen van [gedaagden] . Ook kan er dan vanuit worden gegaan dat de tussenpersoon aan de hand van een inventarisatie van de persoonlijke situatie en wensen van [gedaagden] heeft geadviseerd het product aan te schaffen. Tevens is voldoende onderbouwd dat de tussenpersoon ook een ander financieel product heeft geadviseerd, zoals een pensioenproduct. En er kan dan eveneens vanuit worden gegaan dat de tussenpersoon zich niet heeft beperkt tot het geven van algemene informatie over de verschillende beleggingen of over effectenleaseproducten.

Tegenover de concreet toegelichte stellingen van [gedaagden] heeft Dexia, gelet op de hiervoor genoemde motiveringseisen, haar verweer onvoldoende onderbouwd. Daarmee heeft zij niet voldaan aan de motiveringsplicht. Hieruit volgt dat sprake is geweest van een vergunningplichtig advies door de tussenpersoon. Aan bewijslevering wordt niet toegekomen. Hetgeen Dexia in dit verband heeft aangevoerd maakt het voorgaande niet anders.
wetenschap Dexia

4.15.

[gedaagden] stelt dat Dexia wist, althans behoorde te weten, dat de tussenpersoon een op de persoon van [gedaagden] toegesneden beleggingsadvies heeft gegeven. Dexia betwist dit. In diverse uitspraken van verschillende rechtbanken is overwogen en beslist dat in zijn algemeenheid uit de door Leaseproces in vele procedures overgelegde stukken het beeld naar voren komt, dat Dexia ermee bekend moet zijn geweest dat tussenpersonen, zoals Excellent Adviseurs, op grote schaal individueel persoonlijk financieel advies gaven. Er bestaat geen aanleiding om in de huidige procedure anders te oordelen, te minder nu [gedaagden] genoegzaam heeft aangetoond dat de tussenpersoon zich in haar algemene naar buiten toe gerichte publicaties (zoals website, brochures, inschrijving in het handelsregister van de Kamer van Koophandel en dergelijke) profileerde als persoonlijk adviseur op maat.

4.16.

Hoewel in dit geval niet is gebleken dat Dexia concrete wetenschap heeft gehad van de advisering van de tussenpersoon aan [gedaagden] , had het, gelet op wat hiervoor is overwogen, op de weg van Dexia gelegen om bij de totstandkoming van een leaseovereenkomst, zoals in dit geval de overeenkomst met [gedaagden] , actief navraag te doen bij de tussenpersoon of de desbetreffende klant de overeenkomst is aangegaan op advies van de tussenpersoon, om te kunnen beoordelen of zij de overeenkomst(en) met [gedaagden] kon en mocht aangaan. Dat Dexia in deze zaak enig concreet hierop gericht onderzoek heeft verricht is gesteld noch gebleken. Zij had derhalve behoren te weten dat [gedaagden] door de tussenpersoon is geadviseerd.

aansprakelijkheid Dexia
4.17. Nu Dexia ondanks het voorgaande toch met [gedaagden] de overeenkomsten is aangegaan, heeft zij jegens [gedaagden] onrechtmatig gehandeld. Dit moet Dexia zwaar worden aangerekend. Weliswaar zijn aan [gedaagden] omstandigheden toerekenbaar die tot zijn schade hebben bijgedragen, maar vanwege de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten, eist de billijkheid in beginsel dat de vergoedingsplicht van Dexia geheel in stand blijft (zie de arresten van de Hoge Raad van 2 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2012 r.o. 5.6 en 5.7). Deze lijn is nadien bevestigd in het arrest van de Hoge Raad van 12 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1935. Weliswaar kunnen er situaties zijn waarin voldoende reden is om een deel van de schade op grond van artikel 6:101 BW voor rekening van de afnemer te doen komen, maar in dit geval zijn dergelijke feiten en omstandigheden niet aanwezig. Er is geen aanleiding om af te wijken van het hierboven genoemde uitgangspunt. De schade komt dan ook geheel voor rekening van Dexia.

conclusie
4.18. Uit het voorgaande volgt, dat niet ten volle kan worden vastgesteld dat Dexia niets meer aan [gedaagden] verschuldigd is. Wat Dexia nog wel aan [gedaagden] verschuldigd is, kunnen partijen inmiddels berekenen. Zoals in de vele uitspraken in soortgelijke zaken is geoordeeld, bestaat de voor vergoeding in aanmerking komende schade uit de door de afnemer betaalde inleg (termijnbetalingen en eventuele aflossingen minus (dividend)uitkeringen) en het niet vergoede gedeelte van de eventueel betaalde (fictieve) restschuld. Daarnaast dient rekening gehouden te worden met te verrekenen genoten voordelen, waaronder fiscale voordelen en een eventueel in aanmerking te nemen batig saldo uit voorgaande overeenkomsten, één en ander volgens het door Dexia overgelegde financiële overzicht waarvan de juistheid door [gedaagden] niet of onvoldoende gemotiveerd is betwist. Ook dient een eventueel eerder betaalde schadevergoeding in aanmerking te worden genomen. De wettelijke rente is verschuldigd over het door Dexia te restitueren bedrag volgens de uitgangspunten als geformuleerd in HR 1 mei 2015 (ECLI:NL: HR:2015:1198) en HR 3 februari 2017 (ECLI:NL:HR:2017:164, r.o. 3.6.3). In het geval reeds eerder een schadevergoeding door Dexia is betaald, geldt ten aanzien van de verrekening daarvan hetgeen is overwogen in de beslissing van de Rechtbank Amsterdam van 25 november 2021 (ECLI:NL:RBAMS:2021:7910). Een vergoeding voor buitengerechtelijke kosten is niet aan de orde. Niet gebleken is dat er meer of andere werkzaamheden aan de orde zijn geweest dan die, welke genoemd zijn in het arrest van de Hoge Raad van 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:590.

4.19.

Gelet op het voorgaande behoeven de overige weren van [gedaagden] niet inhoudelijk besproken te worden. De vordering van Dexia zal met inachtneming hiervan worden toegewezen als na te melden. Omdat [gedaagden] inhoudelijk gelijk krijgt is Dexia aan te merken als de in overwegende mate in het ongelijk te stellen partij. Dexia zal dan ook worden veroordeeld in de proceskosten.

4.20.

De gevorderde nakosten zullen voorwaardelijk worden toegewezen, voor zover nakosten gemaakt zullen worden en Dexia niet vrijwillig binnen veertien dagen na aanschrijving van [gedaagden] aan de veroordeling in het vonnis heeft voldaan. Daarbij wordt overwogen dat Dexia, indien deze door de aanschrijving van [gedaagden] pas kennis heeft kunnen nemen van de inhoud van het vonnis, de gelegenheid moet worden geboden om binnen een redelijke termijn aan de veroordeling in dit vonnis te voldoen, waarbij een termijn van veertien dagen als een redelijke termijn voor nakoming wordt gezien. De nakosten zullen worden vastgesteld op € 132,00.

5
5. De beslissing


De kantonrechter

5.1.

verklaart voor recht dat Dexia niets meer aan [gedaagden] verschuldigd is, nadat is overgegaan tot uitbetaling van de schadevergoeding als onder 4.18. weergegeven,

5.2.

veroordeelt Dexia in de proceskosten, die aan de zijde van [gedaagden] tot en met heden worden vastgesteld op € 528,00 aan salaris van de gemachtigde,

5.3.

veroordeelt Dexia, onder de voorwaarde dat deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving door [gedaagden] volledig aan dit vonnis voldoet, in de na dit vonnis ontstane kosten, vastgesteld op € 132,00 aan salaris gemachtigde, te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van betekening van het vonnis,

5.4.

verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,

5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.


Dit vonnis is gewezen door mr. A. van Dijk, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 24 augustus 2023 in tegenwoordigheid van de griffier.

typ:

De gegevens worden opgehaald

Hulp bij zoeken

Er is een uitgebreide handleiding beschikbaar voor het zoeken naar uitspraken, met onder andere uitleg over:

Selectiecriteria

De Rechtspraak, Hoge Raad der Nederlanden en Raad van State publiceren uitspraken op basis van selectiecriteria:

  • Uitspraken zaken meervoudige kamers
  • Uitspraken Hoge Raad en appelcolleges
  • Uitspraken met media-aandacht
  • Uitspraken in strafzaken
  • Europees recht
  • Richtinggevende uitspraken
  • Wraking

Weekoverzicht

Selecteer een week en bekijk welke uitspraken er in die week aan het uitsprakenregister zijn toegevoegd.