RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling Privaatrecht
Zaak/rolnummer: 9455451 EL EXPL 21-39
Vonnis van de kantonrechter van 20 december 2022
de besloten vennootschap
Dexia Nederland B.V.,
gevestigd te (1082 LZ) Amsterdam, Parnassusweg 819,
eiseres, hierna Dexia te noemen,
gemachtigde USG Legal Professionals B.V. te Amsterdam (Parnassusweg 819, 1082 LZ),
[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] ,
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde, hierna in mannelijk enkelvoud [gedaagden] te noemen,
gemachtigde mr. G. van Dijk, werkzaam bij Leaseproces te Amsterdam (postbus 22990, 1100 DL).
2 De feiten
2.1.
Dexia is rechtsopvolgster van Dexia Bank Nederland N.V., Bank Labouchere N.V. en Legio Lease B.V. Waar in het navolgende wordt gesproken over Dexia, wordt hieronder mede verstaan haar rechtsvoorgangsters.
2.2.
[gedaagden] heeft op 7 februari 2001 een effectenleaseovereenkomst met Dexia gesloten (genaamd: Capital Effect), onder [contractnummer] , met een leasesom van € 11.126,40 en een looptijd van 240 maanden (verder te noemen: de overeenkomst).
2.3.
De overeenkomst is tussentijds geëindigd en daarbij is een restschuld ontstaan van € 1.619,64. Deze restschuld heeft [gedaagden] betaald. Dexia heeft op enig moment tweederde gedeelte, vermeerderd met wettelijke rente, aan [gedaagden] uitgekeerd.
2.4.
Nadien zijn namens [gedaagden] meerdere stuitingsbrieven aan Dexia verzonden.
2.5.
Vanaf omstreeks medio 2002 zijn de effectenleaseproducten van Dexia onderwerp geweest van meerdere juridische procedures. Onder meer door het aanbieden van het zogenaamde "Dexia Aanbod" en door de zogenaamde "Duisenberg regeling" heeft Dexia geprobeerd de geschillen met haar afnemers minnelijk te regelen. Op 25 januari 2007 heeft het gerechtshof Amsterdam de "Duisenberg regeling" verbindend verklaard in de zin van de Wet op de Collectieve Afwikkeling Massaschade (WCAM). [gedaagden] heeft door middel van een zogenaamde "opt-out-verklaring" aangegeven niet aan die regeling gebonden te willen zijn.
2.6.
Dexia heeft vervolgens [gedaagden] uitgenodigd om te onderzoeken of tot een gezamenlijke oplossing voor de afwikkeling van de overeenkomst gekomen kon worden. [gedaagden] heeft hierop niet gereageerd.
4 De beoordeling
4.1.
Dexia vordert een verklaring voor recht die ertoe strekt het niet-bestaan van een recht vast te stellen. In haar visie is zij niets meer aan [gedaagden] verschuldigd.
4.2.
[gedaagden] betwist dit en stelt dat nog niet te overzien is of er nog een vordering op Dexia resteert, omdat de jurisprudentie op een aantal onderwerpen nog niet is uitgekristalliseerd. Hij wenst de ontwikkelingen af te wachten. In elk geval meent hij nog een vordering op Dexia te hebben vanwege:
- de advisering door een tussenpersoon en de schending van artikel 41 NR 1999;
- het door Dexia ten onrechte in rekening brengen van resterende termijnen;
- een vergoeding voor buitengerechtelijke kosten.
4.3.
In beginsel is het aan de schuldeiser van een vordering om te bepalen of en op welk moment hij zijn vordering in rechte geldend wil maken. Indien hij de regels ten aanzien van de (stuiting van) de verjaring (en onder omstandigheden de klachtplicht) in acht neemt, kan hij daarvoor de tijd nemen. Anderzijds dient het procesrecht er ook toe om bescherming te bieden aan een schuldenaar die jarenlang wordt genoodzaakt rekening te houden met een onduidelijke, mogelijk nog jegens hem geldend te maken vordering. Ook hem moet de mogelijkheid worden geboden om aan die situatie op enig moment een einde te maken door uitsluitsel te kunnen krijgen over de vraag of het gaat om daadwerkelijk bestaande civielrechtelijke rechten. Daartoe kan de door Dexia gevraagde verklaring voor recht een geëigend middel zijn. Bij een dergelijke negatieve verklaring voor recht, blijven de stelplicht en bewijslast rusten op de partij die in materieel opzicht aan bepaalde feiten rechtsgevolgen verbonden wil zien. De vorm waarin de vordering is gegoten is daarbij niet bepalend. Voor toewijzing van de vordering van Dexia is vereist dat in dit geding kan worden vastgesteld dat [gedaagden] het gevorderde, althans enig bedrag, aan Dexia dient te betalen en Dexia niets meer aan [gedaagden] verschuldigd is. Dat betekent dat wanneer dat niet ten volle kan worden vastgesteld, in beginsel afwijzing van de vordering(en) zal volgen of een voorwaardelijke toewijzing.
4.4.
Dexia heeft zich bij repliek beroepen op verjaring. Zij erkent dat namens [gedaagden] meerdere brieven zijn verstuurd om de verjaring te stuiten, maar stelt zich op het standpunt dat daarbij in eerste instantie alleen een beroep is gedaan op de aantastbaarheid van de overeenkomst. De woorden “schade” of “schadevergoeding” werden pas veel later - en in de ogen van Dexia na het verstrijken van de toepasselijke verjaringstermijn - gebezigd.
4.5.
Het beroep op verjaring wordt verworpen. De vordering is gebaseerd op een onrechtmatige daad van Dexia. Deze vordering verjaart vijf jaar na het moment waarop de benadeelde daadwerkelijk bekend is geworden met de schade en de aansprakelijke persoon of personen (artikel 3:310 lid 1 BW). Met de eerste stuitingsbrief waarin onder meer de onrechtmatige daad wordt genoemd en de daaropvolgende brieven heeft [gedaagden] de verjaring van deze vordering op Dexia gestuit.
afwachten ontwikkelingen in de jurisprudentie
4.6.
[gedaagden] voert aan dat hij de komende ontwikkelingen in de jurisprudentie wil afwachten, zodat de vordering van Dexia niet toegewezen kan worden zolang nog geen beslissingen in hoogste instantie zijn gegeven. Dit verweer wordt niet gevolgd. Het enkele feit dat er een mogelijkheid bestaat dat de jurisprudentie zich op enig moment in de toekomst in een voor [gedaagden] gunstiger zin zal kunnen ontwikkelen, betekent niet dat thans niet zou kunnen of mogen worden beslist over de aanspraken van [gedaagden] Met het recente arrest van de Hoge Raad van 10 juni 2022 (ECLI:NL:HR:2022:862) met antwoorden op de gestelde prejudiciële vragen, is er geen concrete aanleiding om spoedige nieuwe jurisprudentie te verwachten.
4.7.
[gedaagden] voert verder, verkort weergegeven, aan dat Dexia onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld door hem als cliënt te accepteren via [Fin Bedrijf J. W(…) BV] , terwijl het [Fin Bedrijf J. W(…) BV] als cliëntenremisier zonder vergunning ex artikel 7 Wet toezicht effectenverkeer 1995 (hierna: Wte 1995) niet was toegestaan om [gedaagden] te adviseren om effectenleaseovereenkomsten met Dexia aan te gaan en Dexia dit wist, althans dit behoorde te weten. Dexia heeft dit verweer betwist.
4.8.
De kantonrechter stelt bij de beoordeling het volgende voorop. In 2016 heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 2 september 2016 ( [naam] /Dexia, ECLI:NL:HR:2016:2012) onder meer geoordeeld, samengevat weergegeven, dat indien een cliëntenremisier zich niet beperkt tot het aanbrengen van potentiële cliënten bij een beleggingsinstelling of effecteninstelling, maar hij die belegger tevens in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf adviseert, de aldus handelende cliëntenremisier over een vergunning dient te beschikken. Indien de cliëntenremisier geen vergunning heeft en zich niet heeft beperkt tot het aanbrengen van de cliënt, maar ook jegens de afnemer als financieel adviseur is opgetreden en Dexia hiervan op de hoogte was of behoorde te zijn, schendt Dexia niet alleen haar zorgplicht, maar handelt zij ook in strijd met artikel 41 NR 1999. Dit levert volgens de Hoge Raad een (extra) onrechtmatigheidsgrond op, die Dexia zwaar wordt aangerekend. Dit komt doordat een cliënt die is geadviseerd door een dienstverlener (beleggingsadviseur) minder snel bedacht hoeft te zijn op en zich minder snel uit eigen beweging hoeft te verdiepen in niet vermelde risico's dan degene die zich wendt tot een aanbieder van een effectenleaseproduct. De Hoge Raad oordeelt daarnaast dat niet hoeft te worden aangetoond dat Dexia wist of behoorde te weten dat de cliëntenremisier niet over een vergunning beschikte toen zij ten opzichte van de belegger mede als beleggingsadviseur optrad. Dexia moet als professionele effecteninstelling (geacht worden te) weten dat een cliëntenremisier die tevens adviseert, de grenzen van de vrijstelling van artikel 12 Vrijstellingsregeling Wte 1995 overschrijdt. Daarom lag het ook op haar weg om, als zij wist of behoorde te weten dat Spaar Select mede in de hoedanigheid van beleggingsadviseur was opgetreden, te onderzoeken of Spaar Select over de daartoe benodigde vergunning beschikte. Indien daarvan geen sprake was had Dexia moeten weigeren met de particuliere belegger te contracteren. In zijn arresten van 12 oktober 2018 ( [naam] /Dexia, ECLI:NL:HR:2018:1935) en van 10 juni 2022 (ECLI:NL:HR:2022:862) bevestigt de Hoge Raad het voorgaande nogmaals uitdrukkelijk.
4.9.
In voornoemd arrest van 10 juni 2022 heeft de Hoge Raad voorts geoordeeld dat de reikwijdte van de vrijstelling van artikel 12 Vrijstellingsregeling Wte 1995 als volgt dient te worden bepaald:
- -
een tussenpersoon gaat de reikwijdte van de vrijstelling te buiten indien hij een bepaalde afnemer het aangaan van een specifieke effectenleaseovereenkomst of een ander specifiek financieel product aanbeveelt;
- -
het moet gaan om een gepersonaliseerde aanbeveling, dat wil zeggen dat zij voorgesteld is als geschikt voor deze afnemer, of berust op een afweging van de persoonlijke omstandigheden van de afnemer;
- -
het moet gaan om een aanbeveling die de tussenpersoon doet in het kader van zijn beroep of bedrijf; daarvan kan ook sprake zijn als de tussenpersoon een dergelijke aanbeveling slechts incidenteel of zelfs eenmalig doet;
- -
geen vergunning behoeft de tussenpersoon voor het verstrekken van algemene informatie over wat effectenleaseovereenkomsten zijn, en evenmin voor het verstrekken van algemeen advies (waarbij in algemene zin wordt aangeraden een, verder op geen enkele wijze nader bepaalde, effectenleaseovereenkomst te sluiten);
- -
uit de enkele omstandigheid dat een tussenpersoon met de afnemer een aanvraagformulier invult, waarbij in voorkomende gevallen een fondskeuze aangekruist wordt, en dit opstuurt, volgt niet dat de tussenpersoon heeft geadviseerd.
4.10.
Voor de beoordeling of de tussenpersoon een gepersonaliseerde aanbeveling tot het aangaan van een specifieke effectenleaseovereenkomst heeft gedaan, kunnen volgens de Hoge Raad de volgende omstandigheden van belang zijn:
- -
de omstandigheid dat de tussenpersoon al dan niet heeft geïnformeerd naar de financiële omstandigheden en financiële doelen van de afnemer;
- -
de omstandigheid dat de tussenpersoon al dan niet ook andere mogelijke effectenleaseproducten heeft genoemd en besproken dan het uiteindelijk afgenomen product;
- -
de omstandigheid dat de tussenpersoon al dan niet, naast of in samenhang met het afgenomen effectenleaseproduct, een ander financieel product, zoals een hypothecaire lening, heeft geadviseerd.
4.11.
In aanvulling daarop heeft de Hoge Raad geoordeeld dat, ook indien voornoemde omstandigheden niet worden vastgesteld, de mogelijkheid bestaat dat de tussenpersoon toch een gepersonaliseerde aanbeveling heeft gedaan als hiervoor genoemd, namelijk een aanbeveling die is voorgesteld als geschikt voor de betrokken afnemer.
4.12.
Met inachtneming van het vorenstaande overweegt de kantonrechter als volgt. Niet in geschil is dat [Fin Bedrijf J. W(…) BV] is opgetreden als effectenbemiddelaar. Een effectenbemiddelaar die mogelijke cliënten aanbrengt bij een effecteninstelling wordt ook cliëntenremisier genoemd. Cliëntenremisiers zoals [Fin Bedrijf J. W(…) BV] waren uit hoofde van artikel 12 van de Vrijstellingsregeling Wte 1995 vrijgesteld van de vergunningplicht van artikel 7 lid 1 Wte 1995, om cliënten aan te brengen bij een effecteninstelling als Dexia. Op grond van artikel 21 lid 1 Wte 1995 moesten effectenbemiddelaars die van de vergunningplicht waren vrijgesteld, worden ingeschreven in het in dit artikel genoemde register. Voornoemde vrijstelling was slechts beperkt tot werkzaamheden als cliëntenremisier. De effecteninstelling die wist of behoorde te weten dat een cliëntenremisier een aangebrachte belegger vergunningplichtige diensten heeft verleend zonder over de noodzakelijke vergunning te beschikken en deze belegger niettemin als cliënt accepteert, handelt in strijd met artikel 41 NR 1999 en daarmee onrechtmatig jegens die belegger.
4.13.
De kantonrechter zal voor het antwoord op de vraag of sprake is van schending van artikel 41 NR 1999 dienen te beoordelen of [Fin Bedrijf J. W(…) BV] haar vrijstelling te buiten is gegaan en vergunningplichtige diensten heeft verleend, alsmede of Dexia dit wist of behoorde te weten. Vast staat tussen partijen dat [Fin Bedrijf J. W(…) BV] niet over een vergunning ex artikel 7 lid 1 Wte 1995 beschikte.
4.14.
[gedaagden] stelt over de feitelijke gang van zaken het volgende:
[gedaagden] wilde destijds graag een verbouwing doen aan zijn huis en daarvoor was geld nodig. In de Tros Kompas kwam [gedaagden] een advertentie tegen van [Fin Bedrijf J. W(…) BV] als bedrijf dat volgens de advertentie mogelijk kon helpen bij het afsluiten van een krediet. [gedaagden] besloot [Fin Bedrijf J. W(…) BV] te bellen om te vragen wat de mogelijkheden waren. In het telefoongesprek vertelde [gedaagden] dat hij een krediet wilde voor voornoemde verbouwing. Daarbij heeft hij aangegeven dat het zou gaan om een bedrag van NLG 5.000,00. De adviseur van [Fin Bedrijf J. W(…) BV] stelde dat hij dit voor [gedaagden] kon regelen. Aldus heeft [gedaagden] [Fin Bedrijf J. W(…) BV] benaderd met een concreet verzoek om zijn financiële situatie aan te passen. [gedaagden] had namelijk al leningen lopen en vroeg zich af, en hoe, er nog een bedrag kon worden geleend. De adviseur heeft [gedaagden] een financiële constructie geadviseerd waarbij het Capital Effect-product een centrale rol vervulde. Die constructie bestond eruit dat [gedaagden] een nieuwe lening aanging om daarmee een andere leningen (van NLG 4.587,61) af te lossen en dit te combineren met het aangaan van een effectenleaseovereenkomst om enerzijds te voldoen aan een voorwaarde voor het aangaan van de (nieuwe) lening en anderzijds daarmee deze nieuwe lening af te lossen. Er is een kredietovereenkomst gesloten met de Nederlandse Voorschotbank ter hoogte van NLG 5.000,00. Van dat bedrag is NLG 4.904,15 aan Bank Labouchere vooruitbetaald in het kader van het Capital Effect-product. [gedaagden] had zelf geen ervaring en kennis van complexe financiële producten en beleggingsproducten. Hij vertrouwde geheel op het advies van de adviseur. De adviseur heeft op 29 januari 2001 (of 1 dag daarna) documenten toegestuurd, die volgens de adviseur door [gedaagden] moest worden ondertekend, voor het afsluiten van het krediet. De adviseur, die op het aanvraagformulier wordt aangeduid met de naam [naam] , heeft het aanvraagformulier ingevuld op 31 januari 2001. [gedaagden] heeft de documenten ondertekend en aan de adviseur geretourneerd. Zou [gedaagden] door de adviseur dringend zijn gewaarschuwd voor de risico’s die kleefden aan het aangaan van het krediet inclusief het Capital Effect-product, dan was hij het nimmer aangegaan. Maar omdat de adviseur had aangegeven de wens van [gedaagden] te kunnen laten uitkomen, ging [gedaagden] ervan uit dat [Fin Bedrijf J. W(…) BV] de zaken goed voor hem had geregeld.
4.15.
Op de door Dexia overgelegde overeenkomst is [Fin Bedrijf J. W(…) BV] als adviseur vermeld. Dexia heeft ook het aanvraagformulier overgelegd, dat voorzien is van de naam van [Fin Bedrijf J. W(…) BV] en de naam van [naam] . [gedaagden] heeft de volgende stukken in het geding gebracht: uittreksels uit het register van de Kamer van Koophandel betreffende [Fin Bedrijf J. W(…) BV] , stukken met betrekking tot de enig aandeelhouder van [Fin Bedrijf J. W(…) BV] , een kredietovereenkomst met de Nederlandse Voorschotbank en een geanonimiseerde brief van [Fin Bedrijf J. W(…) BV] .
4.16.
Naar het oordeel van de kantonrechter heeft Dexia voornoemde gang van zaken onvoldoende adequaat weersproken. Uit de gestelde gang van zaken blijkt, dat sprake is van een telefoongesprek met de tussenpersoon om [gedaagden] te adviseren over de mogelijkheden om een verbouwing van zijn huis te realiseren en dat de adviseur een Capital Effect-product heeft aanbevolen. Voor zover Dexia bedoeld heeft de door [gedaagden] gestelde inhoud van het gesprek met [Fin Bedrijf J. W(…) BV] te betwisten, heeft zij dit slechts in algemene zin gedaan. Bovendien heeft de adviseur niet louter het advies gegeven om een Capital Effect-product af te nemen, maar heeft hij de aanvraag van dat product verzorgd en daarnaast een andere kredietovereenkomst aanbevolen en voor [gedaagden] geregeld. Gelet op de concrete toelichting van [gedaagden] inzake de advisering door [Fin Bedrijf J. W(…) BV] had het op de weg van Dexia gelegen om haar betwistingen nader te substantiëren en omstandigheden aan te voeren waaruit zou kunnen blijken dat er geen gesprek is gevoerd of dat er geen op de persoon toegespitst advies is gegeven en opgevolgd. Dit heeft Dexia nagelaten. Bij gebreke van een voldoende gemotiveerde betwisting komt de kantonrechter daarom niet toe aan het (tegen)bewijsaanbod van Dexia.
4.17.
Dexia heeft voorts betwist dat zij wist of moest weten dat [Fin Bedrijf J. W(…) BV] beleggingsadvies gaf, dat mede inhield een effectenleaseovereenkomst met Dexia te sluiten. De kantonrechter overweegt omtrent de wetenschap van Dexia als volgt.
4.18.
In vergelijkbare zaken bij deze rechtbank, waaronder een vonnis van 24 juni 2020 (Rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, ECLI:NL:RBNNE:2020:2219), alsmede in vergelijkbare zaken bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, waaronder de arresten van 3 november 2020 (bijvoorbeeld ECLI:NL:GHARL:2020:8984), is wetenschap bij Dexia aangenomen in zaken waarin onder meer [Fin Bedrijf J. W(…) BV] heeft geadviseerd. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft zijn oordeel bevestigd in een recent arrest van 5 juli 2022 (ECLI:NL:GHARL:2022:5730). De kantonrechter is van oordeel dat die overwegingen over de wetenschap van Dexia ook hier van toepassing zijn (zie onder meer rechtsoverwegingen 5.28 en 5.29 van het vonnis van 24 juni 2020). Weliswaar betreft het hier een andere adviseur, te weten [Fin Bedrijf J. W(…) BV] , maar de kantonrechter ziet gelet op de door [gedaagden] geschetste en door Dexia onvoldoende weersproken werkwijze van [Fin Bedrijf J. W(…) BV] geen aanleiding om in deze zaak anders te oordelen. Hetgeen Dexia in deze procedure overigens nog heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel, zodat de kantonrechter ervan uitgaat dat Dexia wist en in ieder geval had behoren te weten dat er vergunningplichtig advies werd gegeven.
4.19.
Omdat Dexia ondanks het voorgaande toch met [gedaagden] de overeenkomsten is aangegaan, heeft zij jegens [gedaagden] onrechtmatig gehandeld. Dit moet Dexia zwaar worden aangerekend. Weliswaar zijn aan [gedaagden] omstandigheden toerekenbaar die tot zijn schade hebben bijgedragen, maar vanwege de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten, eist de billijkheid in beginsel dat de vergoedingsplicht van Dexia geheel in stand blijft (zie ook hierover Hoge Raad 12 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1935). Weliswaar kunnen er situaties zijn waarin voldoende reden is om een deel van de schade op grond van artikel 6:101 BW voor rekening van de afnemer te doen komen, maar in dit geval zijn dergelijke feiten en omstandigheden niet aanwezig. Er is geen aanleiding om af te wijken van het hierboven genoemde uitgangspunt. De schade komt dan ook geheel voor rekening van Dexia.
4.20.
Uit het voorgaande volgt dat niet kan worden vastgesteld dat [gedaagden] nog enig bedrag aan Dexia verschuldigd is. Voldoende aannemelijk is, dat Dexia nog een bedrag aan [gedaagden] verschuldigd zal zijn. Hoe hoog dat bedrag is, kan op basis van de in dit dossier beschikbare informatie niet worden vastgesteld. De vorderingen van Dexia zullen daarom worden afgewezen. De overige verweren van [gedaagden] behoeven daarom geen bespreking.
4.21.
Dexia, als de in het ongelijk te stellen partij, worden veroordeeld in de proceskosten. De kosten aan de zijde van [gedaagden] worden vastgesteld op € 622,50 aan salaris gemachtigde (2½ punten × € 249,00). De meegevorderde nakosten zijn eveneens toewijsbaar.