[eisers] leggen daaraan het volgende ten grondslag.
Volgens [eisers] zijn partijen gehouden tot nadere uitwerking van de vaststellingsovereenkomst. In dit verband wordt verwezen naar artikel 5 van de VSO waarin is vermeld dat de onderhavige vergoeding jaarlijks tussen partijen of hun rechtsopvolgers (onder algemene dan wel bijzondere titel) wordt verdeeld. [gedaagde sub 1] heeft dat in een e-mail van
2 maart 2022 ook bevestigd door daarin te schrijven dat de overeenkomt vergoeding opstalrechten in ieder geval nog moet worden afgerond. Partijen zijn verplicht tot het maken van nadere afspraken, omdat bij verkoop van de percelen aan een derde de persoonlijke verplichting die [gedaagde sub 2] heeft, namelijk de vergoeding voor het opstalrecht van de windmolens inclusief de vergoeding voor de belaste strook, jegens [eiser sub 2] niet overgaat op die derde indien [gedaagde sub 2] geen verplichting met die derde overeenkomt. De nadere juiste uitwerking van de VSO behoort daarom een kettingbeding met boeteclausule te bevatten, zodat ook de derde c.q. de opvolger onder bijzondere titel verplicht is tot het voldoen van de jaarlijkse vergoeding aan [eiser sub 2] .
Over kapitalisatie van de vergoeding is door de partijen nooit gesproken, een jaarlijkse vergoeding is overeengekomen voor de duur van de energieproductie. Dit is voor dertig jaar te rekenen vanaf 2021.
[gedaagden] schieten tekort in de nakoming van de vaststellingsovereenkomst, althans handelen in strijd met de redelijkheid en billijkheid, door niet hun medewerking te verlenen aan de ondertekening van conceptversie 7 van de OVW. Conceptversie 7 doet, volgens [eisers] , het meeste recht aan de door partijen gemaakte basisafspraken omtrent de windmolens en de vergoedingen in de vaststellingsovereenkomst.
[gedaagden] zijn in verzuim, omdat op grond van artikel 6:83 sub c Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) geen ingebrekestelling vereist was.