Inleiding
1.1.
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de uitspraak op bezwaar van 21 december 2021.
1.2.
Bij besluit van 26 februari 2021 heeft verweerder op grond van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [adres] (hierna: de onroerende zaak), per waardepeildatum 1 januari 2020, vastgesteld voor het kalenderjaar 2021 op € 6.000.
1.3.
In het onder 1.2. vermelde besluit is onder andere ook de aanslag onroerende zaakbelasting van € 10,28 voor een gebruiker niet-woning voor het kalenderjaar 2021 opgelegd.
1.4.
Verweerder heeft het bezwaar van eiseres gegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij de beschikking vernietigd. Verweerder heeft daarbij een proceskostenvergoeding toegekend aan eiseres van € 132,50.
1.5.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.6.
De rechtbank heeft het beroep op 14 februari 2023 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van eiseres: [gemachtigde] deelgenomen. Verweerder heeft zich afgemeld voor de zitting.
Beoordeling door de rechtbank
4.1.
De rechtbank stelt vast dat tussen partijen geen geschil meer bestaat over de hoogte van de proceskostenvergoeding in bezwaar en dat deze moet worden vastgesteld op grond van het Bpb op € 296, waarbij voor het indienen van het bezwaarschrift en het bijwonen van de hoorzitting een punt wordt toegekend met een waarde per punt van € 296 en een wegingsfactor 0,5. Nu verweerder in bezwaar al € 132,50 heeft vergoed, heeft eiseres bijkomend nog recht op € 163,50. De rechtbank zal het beroep daarom gegrond verklaren. Uit praktisch oogpunt zal de rechtbank de uitspraak op bezwaar voor zover het betreft de proceskostenvergoeding volledig vernietigen en € 296 alsnog toekennen.
4.2.
De rechtbank merkt nog op dat zij volstrekt niet kan begrijpen dat eiseres en haar gemachtigde over deze WOZ-beschikking en daaruit voortvloeiende aanslag onroerende zaakbelasting van € 10,28 tot en met de rechtbank hebben geprocedeerd. Dit, omdat aanstonds duidelijk was dat beide niet voor eiseres bestemd waren (2.2.). Het geringe misverstand over dat eiseres nog als gebruiker was aangemerkt, had naar het oordeel van de rechtbank, toch opgelost kunnen en, met in achtneming van enige maatschappelijke verantwoordelijkheid, moeten worden met één enkel telefoontje naar verweerder. Dat geldt evenzeer voor de abusievelijk onjuist berekende proceskostenvergoeding in bezwaar, mede gelet op de hoogte van het griffierecht van € 365.
4.3.
Omdat het beroep gegrond is, dient verweerder het griffierecht aan eiseres te vergoeden en veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten in beroep. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 418,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van
€ 837 en een wegingsfactor 0,25). De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de zaak als zeer licht is aan te merken omdat in beroep uitsluitend in geschil is dat verweerder was vergeten het bijwonen van de hoorzitting te vergoeden. Daarnaast speelt mee de geringe bewerkelijkheid en complexiteit van de zaak in combinatie met het geringe financiële belang1.
Conclusie en gevolgen
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar, uitsluitend voor zover deze ziet op de daarbij
verleende proceskostenvergoeding;
- bepaalt dat verweerder eiseres alsnog een bedrag van € 296 aan proceskosten in
bezwaar dient te vergoeden;
- bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak
op bezwaar;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 365 aan eiseres te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres in beroep tot een bedrag van
€ 418,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M.A.M. Kager, rechter, in aanwezigheid van
mr. H.J. Haanstra, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 7 maart 2023.
w.g. griffier
|
w.g. rechter
|
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer).
Als het een Rijksbelastingzaak betreft (dat is een zaak waarbij de Belastingdienst partij is), kunt u digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds per brief op de hierna vermelde wijze.
Betreft het een andere belastingzaak (bijvoorbeeld een zaak waarbij een heffingsambtenaar van een gemeente of een samenwerkingsverband partij is), dan kan het hoger beroep uitsluitend worden ingesteld door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Bij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de datum van verzending;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).