Overwegingen
1.
De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in deze zaken niet nodig is.
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Soms kan niet worden verwacht dat de betrokkene eerst een ingebrekestelling stuurt.1 Dat is in dit geval zo, omdat de rechtbank verweerder in de uitspraak van 7 april 2022 opdracht heeft gegeven om binnen 6 weken een nieuw besluit op het bezwaar te nemen.
3. Vaststaat dat verweerder niet heeft voldaan aan de opdracht van de rechtbank om binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak van 7 april 2022 een nieuw besluit op het bezwaar te nemen. Het beroep is kennelijk gegrond. De rechtbank vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een nieuw besluit op het bezwaar.
4. Omdat verweerder nog geen nieuw besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet verweerder dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. De rechtbank kan op grond van artikel 8:55d, derde lid, van de Awb in bijzondere gevallen of indien de naleving van andere wettelijke voorschriften daartoe noopt, een andere termijn bepalen.
5. Verweerder voert aan dat hij de ruimtelijke onderbouwing van de vergunninghouder op 24 juni 2022 heeft ontvangen. Hiervan maken onder meer een AERIUS-berekening, een memo stikstofdepositie en een notitie geluidsonderzoek deel uit. Voor de beoordeling van deze aspecten is verweerder aangewezen op de expertise van de omgevingsdienst. Gelet op de werkvoorraad bij de omgevingsdienst en het ambtelijk apparaat, mede in aanmerking genomen de naderende vakantieperiode en de mogelijke noodzaak van aanvulling van de ruimtelijke onderbouwing, vindt verweerder het reëel ervan uit te gaan dat een nieuwe beslissing voor eind september 2022 kan worden genomen.
6. De rechtbank begrijpt dat verweerder advies heeft gevraagd aan de omgevingsdienst. Verweerder heeft echter niet aangegeven welke periode de omgevingsdienst zegt nodig te hebben om tot een advies te komen. Hij heeft slechts in algemene bewoordingen gewezen op de werkvoorraad bij de omgevingsdienst en het ambtelijk apparaat en de nadere vakantieperiode. Dat is niet voldoende om uitstel van het besluit tot eind september 2022 te rechtvaardigen. Dat het mogelijk nodig is om de ruimtelijke onderbouwing aan te vullen is een toekomstige onzekere omstandigheid. Dat rechtvaardigt evenmin verder uitstel van het besluit. De rechtbank zal verweerder dan ook geen langere termijn geven dan twee weken.
7. De rechtbank bepaalt dat verweerder een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door verweerder. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-.
8.
Eisers hebben de rechtbank verzocht om de omgevingsvergunning te vernietigen. Daartoe is de rechtbank in deze procedure echter niet bevoegd. Verweerder heeft immers nog geen nieuw besluit op het bezwaar van eisers genomen. De rechtbank kan in deze procedure niet verder gaan dan het geven van een opdracht om een nieuw besluit te nemen en die opdracht versterken met een dwangsom.
9. Eisers geven aan dat zij zich het recht voorbehouden om zo nodig een schorsingsverzoek in te dienen. De rechtbank merkt hierover op dat de omgevingsvergunning al is geschorst in de uitspraak van 7 april 2022. Die schorsing geldt tot zes weken na de bekendmaking van het nieuwe besluit op bezwaar. Dat betekent dat de schorsing nog steeds geldt.
10. Omdat het beroep gegrond is, bepaalt de rechtbank dat verweerder het door eisers betaalde griffierecht moet vergoeden.
11. Er zijn geen voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.
Beslissing
- verklaart de beroepen gegrond;
- vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
- draagt verweerder op binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit op bezwaar bekend te maken;
- bepaalt dat verweerder aan eisers een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 184,- aan eisers te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.J. Hutten, rechter, in aanwezigheid van M. Verbeek, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 7 september 2022.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: