De voorzieningenrechter verwerpt de stelling van [eiser] dat artikel 10.2 van de Standaardvoorwaarden onredelijk bezwarend is respectievelijk vermoed wordt dat te zijn, zulks gelet op reeds door de KNVB aangehaalde uitspraken van gerechtshoven.
Allereerst het arrest van het Gerechtshof te Den Haag van 9 augustus 20067. In dit arrest oordeelde het hof ingevolge artikel 6:241 BW op een vordering van de vereniging Samenwerkende Organisaties Voetbalsupporters, strekkende tot onredelijk bezwarend verklaring van bepalingen uit de Standaardvoorwaarden van de KNVB op voet van artikel 6:240 BW. Het hof overwoog naar aanleiding van de aangedragen bezwaren dat artikel 10.2 van de Standaardvoorwaarden niet als onredelijk bezwarend is aan te merken.
Verder heeft het gerechtshof te Amsterdam in een arrest van 13 december 20078 naar aanleiding van een beroep op het onredelijk bezwarend karakter van de gewraakte bepaling9 overwogen en beslist dat deze bepaling niet in strijd is met artikel 6:236 sub a BW. Op grond van deze wetsbepaling is een beding onredelijk bezwarend voor zover het de wederpartij geheel en onvoorwaardelijk het recht ontneemt de door de wederpartij toegezegde prestatie op te eisen. De KNVB heeft in deze zaak betoogd dat dit dan mutatis mutandis ook geldt voor zover het beding valt binnen het bereik van artikel 6:236 sub c BW (dat handelt over opschorting van de verplichting tot nakoming).
[eiser] heeft, naar aanleiding van het door de KNVB aan deze arresten ontleende standpunt dat artikel 10.2 van de Standaardvoorwaarden niet onredelijk bezwarend is, zijn stellingen omtrent het onredelijk bezwarende karakter van de bedingen waarop de KNVB het opgelegde stadionverbod baseert niet nader onderbouwd of toegelicht.
Datzelfde geldt voor zijn stelling dat bedoelde bedingen vermoedelijk onredelijk bezwarend zijn op grond van artikel 6:237 sub b BW.
Voorshands oordelend concludeert de voorzieningenrechter dan ook dat de KNVB het stadionverbod kon opleggen op grond van artikel 10.2 van haar Standaardvoorwaarden.
Ten overvloede voegt de voorzieningenrechter daar nog aan toe dat gegrondbevinding van de argumenten van [eiser] over het onredelijk bezwarend zijn ook niet tot een wezenlijk ander resultaat zou leiden (althans voor zover het betreft een in Nederland te effectueren stadionverbod). Immers, de KNVB heeft het stadionverbod subsidiair gegrond op de volmachten, afgegeven door alle bij haar aangesloten bvo’s, een en ander als bedoeld in artikel 10.5 van de Standaardvoorwaarden. De KNVB heeft de daartoe door Ajax en PSV verstrekte volmachten overgelegd en gesteld dat zij ten tijde van het opleggen van het stadionverbod beschikte over gelijkluidende volmachten van de overige bvo’s. Het verweer van [eiser] dat hij dit laatste bij gebrek aan wetenschap bestrijdt, dient als onvoldoende onderbouwd te worden verworpen; [eiser] heeft niets aangevoerd om de stelling van de KNVB met betrekking tot de overige verstrekte volmachten in twijfel te trekken. Ook overigens is niet aannemelijk geworden dat de KNVB haar zaakjes op dit punt niet op orde heeft.