3.1.
De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
4. Partijen zijn het niet eens over welk legesbedrag door de heffingsambtenaar in mindering moet worden gebracht. Verder zijn zij het er niet over eens of de heffingsambtenaar leges mag opleggen voor het RO-deel. De leges voor het bouwdeel en de omvang daarvan zijn niet in geschil.
Wat heeft eiser aangevoerd?
5. Eiser voert aan dat de legeskosten voor de principe-uitspraak van € 3.534,10 ten onrechte niet in mindering zijn gebracht op de aanslag. In artikel 4.3. van de overeenkomst staat namelijk dat eiser de kosten voor het behandelen van de aangevraagde planologische maatregel € 9.765,15 minus de al betaalde kosten voor de principe-uitspraak moet betalen en dat deze kosten los staan van de ter zake van de omgevingsvergunning verschuldigde leges. Het opgenomen bedrag van € 2.388,00 in de overeenkomst betreft een kennelijke verschrijving. Dat is niet het bedrag dat is verschuldigd voor de principe-uitspraak, maar betreffen de kosten voor vooroverleg. Naast de verrekening van de leges van het vooroverleg moeten ook de leges voor de principe-uitspraak worden verrekend op grond van de overeenkomst.
Eiser voert verder aan dat de kosten voor het RO-deel op basis van de overeenkomst moeten worden verhaald met een factuur en niet met een legesaanslag. De overeenkomst is namelijk een manier van verplicht kostenverhaal krachtens afdeling 6.4 van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro). In artikel 4, onder f, van de Legesverordening 2021 is bepaald dat diensten waarvan de kosten krachtens afdeling 6.4 van de Wro worden verhaald, niet via de Legesverordening 2021 kunnen worden verhaald.
Wat is het standpunt van de heffingsambtenaar?
6. De heffingsambtenaar stelt zich op het standpunt dat er geen reden is voor de door eiser gewenste mindering op de leges, omdat eiser een omgevingsvergunning heeft aangevraagd, waarop het college heeft beslist. Eiser is op grond van artikel 3 van de Legesverordening 2021 hiervoor leges verschuldigd. Er is geen grondslag in de Legesverordening 2021 voor verrekening van de leges voor de principe-uitspraak.
De heffingsambtenaar geeft aan dat in de overeenkomst abusievelijk verkeerde termen zijn gebruikt die tot verwarring kunnen leiden. De incorrecte terminologie doet echter niet af aan de toegepaste wettelijke grondslag en tarieven. De heffingsambtenaar is het met eiser eens dat diensten waarvan de kosten krachtens afdeling 6.4 van de Wro zijn of worden verhaald, niet meer via de Legesverordening 2021 kunnen worden verhaald. De heffingsambtenaar stelt zich op het standpunt dat er geen factuur is gestuurd, zodat de kosten niet reeds zijn verhaald. Daarom staat artikel 4, onder f, van de Legesverordening 2021 niet in de weg aan de oplegging van de leges voor het RO-deel.
Wat is de beoordeling door de rechtbank?
7. In artikel 4, aanhef, en onder f, van de Legesverordening 2021 is bepaald dat leges niet worden geheven voor diensten waarvan de kosten krachtens afdeling 6.4 van de Wro (grondexploitatie) zijn of worden verhaald.
8. Niet in geschil is dat de tussen eiser en het college gesloten overeenkomst een overeenkomst is zoals bedoeld in artikel 6.24, eerste lid, van de Wro. In geschil is of met het sluiten van de overeenkomst, met toepassing van afdeling 6.4 van de Wro kosten voor diensten zijn of worden verhaald, waardoor verhaal van deze kosten via een legesaanslag niet (meer) mogelijk is.
9. Het college heeft in antwoord op het inlichtingenverzoek te kennen gegeven dat de werkzaamheden die de gemeente heeft verricht ter uitvoering van artikel 4.3. van de overeenkomst betrekking hebben op de beoordeling van de ingekomen stukken, opstellen advies (routing raad in verband met verklaring van geen bedenkingen) en begeleiding van de procedure. Verder heeft het college desgevraagd geantwoord dat deze werkzaamheden volgens hem niet vallen onder afdeling 6.4. van de Wro, omdat geen zogenoemde plankostenscan is uitgevoerd. De heffingsambtenaar heeft in deze procedure zich aangesloten bij de antwoorden van het college en die tot de zijne gemaakt.
10. De rechtbank volgt het standpunt van de heffingsambtenaar dat de kosten voor het behandelen van het RO-deel van de aanvraag om een omgevingsvergunning via een legesaanslag verhaald kunnen worden niet. Met het sluiten van de overeenkomst worden namelijk langs privaatrechtelijke weg kosten verhaald op grond van afdeling 6.4 van de Wro. Daarvoor is het, anders dan de heffingsambtenaar heeft gesteld, niet nodig dat het college een factuur aan eiser heeft verzonden ter uitvoering van de overeenkomst. Kostenverhaal langs privaatrechtelijke weg begint op grond van afdeling 6.4 van de Wro al met het sluiten van de overeenkomst. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat met het sluiten van de overeenkomst, ten gunste van de gemeente een vorderingsrecht op eiser ontstaat voor de verrichte diensten en de kosten verhaald kunnen worden. Het al dan niet verzenden van een factuur brengt daarin geen verandering.
Het feit dat de gemeente geen plankostenscan heeft gemaakt voor de behandeling van het RO-deel, leidt de rechtbank ook niet tot een ander oordeel. De door de gemeente verrichte werkzaamheden die het college vermeldt in het antwoord op het inlichtingenverzoek zijn plankosten. Voor het verhalen van plankosten is het op grond van afdeling 6.4 van de Wro niet vereist dat de gemeente die kosten heeft berekend op basis van de plankostenscan.1
De rechtbank stelt verder vast dat het bij de leges-aanslag voor het RO-deel om dezelfde diensten gaat als de kosten voor de diensten in de overeenkomst. Daarbij betrekt de rechtbank dat het college en ook de heffingsambtenaar hebben medegedeeld dat voor de bedragen die in artikel 4.3. van de overeenkomst zijn opgenomen voor het RO-deel is aangesloten bij de leges zoals deze zijn vastgesteld voor deze diensten in de Legesverordening 2021. De rechtbank is daarom van oordeel dat de werkzaamheden die zijn verricht vanwege artikel 4.3 van de overeenkomst vallen onder afdeling 6.4 van de Wro en dat voor die werkzaamheden de leges voor het RO-deel zijn opgelegd.
Dat sprake is van een kennelijke verschrijving en dat ‘leges’ in plaats van factuur had moeten staan in artikel 4.3 van de overeenkomst, zoals de heffingsambtenaar heeft bepleit, volgt de rechtbank niet. De heffingsambtenaar heeft erkend dat er zowel een fiscale als een privaatrechtelijke weg is voor kostenverhaal, zodat alleen al daarom niet aanstonds duidelijk is dat sprake is geweest van een kennelijke verschrijving.
11. De rechtbank heeft geconstateerd dat de overeenkomst is gesloten na indiening van de aanvraag om een omgevingsvergunning. De rechtbank is het in beginsel met de heffingsambtenaar eens dat hij op grond van de Legesverordening 2021 na ontvangst van deze aanvraag bevoegd is om de leges te heffen. De aanslag is echter opgelegd na het sluiten van de overeenkomst. Dat leidt tot de vraag of deze bevoegdheid is komen te vervallen met het sluiten van de overeenkomst. In dit geval beantwoordt de rechtbank deze vraag bevestigend. De rechtbank acht het moment van het opleggen van de aanslag bepalend voor de vraag of de bevoegdheid tot het opleggen van een aanslag nog aanwezig is.
De stelling van de heffingsambtenaar dat het moment van verzending van de factuur bepalend is kan niet worden gevolgd. Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen leidt het niet-verzenden van de factuur er niet toe dat de kosten niet krachtens afdeling 6.4 van de Wro kunnen worden verhaald.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de heffingsambtenaar geen leges voor het behandelen van de aanvraag om een omgevingsvergunning, voor zover deze betrekking heeft op het RO-deel, omdat is voldaan aan artikel 4, aanhef, en onder f, van de Legesverordening 2021. De beroepsgrond slaagt.