Uitspraken

Een deel van alle rechterlijke uitspraken wordt gepubliceerd op rechtspraak.nl. Dit gebeurt gepseudonimiseerd.

Deze uitspraak is gepseudonimiseerd volgens de pseudonimiseringsrichtlijn

ECLI:NL:RBOBR:2025:795

Rechtbank Oost-Brabant
17-02-2025
13-03-2025
23/2196
Belastingrecht
Eerste aanleg - meervoudig

Lokale heffingen, bouwleges, samenloop afdeling 6.4 Wro; de heffingsambtenaar mag geen bouwleges heffen voor het RO-deel, omdat eiser met het college een anterieure overeenkomst heeft gesloten met verplicht kostenverhaal. De bevoegdheid tot het opleggen van leges is komen te vervallen met het sluiten van de anterieure overeenkomst. Het al dan niet verzenden van een factuur brengt daarin geen verandering.

Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 23/2196


uitspraak van de meervoudige kamer van 17 februari 2025 in de zaak tussen


[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: [naam] ),

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Deurne, de heffingsambtenaar

(gemachtigden: L.A.W.G. Janssen en M.J.P. van Rooij).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank tot welk bedrag eiser de aanslag leges van 3 maart 2023 (de aanslag), opgelegd door de heffingsambtenaar van de gemeente Deurne (de heffingsambtenaar) moet betalen.

1.1.

Met de uitspraak op bezwaar van 17 juli 2023 (de bestreden uitspraak) heeft de heffingsambtenaar het door eiser ingediende bezwaar ongegrond verklaard en de aanslag gehandhaafd.

1.2.

Eiser heeft tegen de bestreden uitspraak beroep ingesteld.

1.3.

De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

1.4.

De enkelvoudige kamer van de rechtbank heeft het beroep op 11 april 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde, tevens echtgenote, van eiser en I. Leermaekers, de toenmalige gemachtigde van de heffingsambtenaar.

1.5.

De rechtbank heeft de zitting geschorst om partijen in de gelegenheid te stellen er gezamenlijk uit te komen.

1.6.

Partijen hebben daarna beiden een nader stuk ingediend, waaruit blijkt dat zij de procedure willen voortzetten.

1.7.

De rechtbank heeft vervolgens met toepassing van artikel 8:45 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Deurne (hierna: het college) schriftelijk om inlichtingen verzocht (hierna: het inlichtingenverzoek). Het college heeft daarna inlichtingen ingediend. Dat stuk is toegezonden aan partijen.

1.8.

De rechtbank heeft vervolgens besloten de zaak te verwijzen naar de meervoudige kamer.

1.9.

Eiser en de heffingsambtenaar hebben beiden een nader stuk ingediend.

1.10.

De meervoudige kamer van de rechtbank heeft het beroep op 25 november 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en zijn gemachtigde en de gemachtigden van de heffingsambtenaar.

De relevante feiten

2. Eiser heeft op 16 december 2020 een verzoek voor het in behandeling nemen van een principe-uitspraak (hierna: de principe-uitspraak) ingediend voor de herbouw van een (grotere) woning op het perceel aan de [adres] in [woonplaats] (gemeente Deurne). Met de brief van 10 juni 2021 heeft het college beslist positief te staan ten opzichte van het plan van eiser, onder de voorwaarden dat het bouwplan wordt voorgelegd aan de welstandscommissie en dat een anterieure overeenkomst wordt ondertekend. Voor het in behandeling nemen van de principe-uitspraak heeft de heffingsambtenaar op 23 april 2021 een aanslag leges aan eiser opgelegd, tot een bedrag van € 3.534,10. Eiser heeft de leges betaald.

2.1.

Op 13 juli 2021 heeft eiser een aanvraag voor vooroverleg ingediend. Hiervoor heeft de heffingsambtenaar op 21 juni 2022 aan eiser leges opgelegd, tot een bedrag van € 2.388,00. Eiser heeft ook deze leges betaald.

2.2.

Eiser heeft op 23 december 2021 bij het college een aanvraag voor een omgevingsvergunning ingediend voor het bouwen van een woning en het handelen in strijd met de regels van ruimtelijke ordening, te weten het bestemmingsplan.

2.3.

Op 4 oktober 2022 hebben eiser en het college de ‘anterieure exploitatieovereenkomst bij de omgevingsvergunning voor [adres] , [woonplaats] ’ (de overeenkomst) getekend. In de overeenkomst is onder meer het volgende bepaald:
Artikel 4. Planologische maatregel
[…]
3. Verzoeker betaalt een exploitatiebijdrage van € 7377,15 deze bijdrage komt overeen met de gemeentelijke kosten voor het behandelen van de aangevraagde planologische maatregel (totaal bedrag betreft € 9.765,15 minus de al betaalde kosten voor het principeverzoek € 2388,00). Deze gemeentelijke kosten worden met een afzonderlijke factuur in rekening gebracht. Betaling van de exploitatiebijdrage voor de gemeentelijke plankosten staat los van de door verzoeker ter zake van omgevingsvergunningen verschuldigde leges of bijdragen.’

2.4.

Op 6 december 2022 heeft het college de omgevingsvergunning verleend. Voor het in behandeling nemen van de aanvraag voor de omgevingsvergunning heeft de heffingsambtenaar op basis van de Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Deurne houdende regels omtrent de heffing en invordering van leges 2021 (de Legesverordening 2021) en de daarbij behorende Tarieventabel 2021 met de aanslag van 3 maart 2023 leges geheven. Daarbij is een bedrag van € 10.924,08 in rekening gebracht voor de behandeling van de aanvraag om een omgevingsvergunning, voor zover deze ziet op de activiteit “het bouwen van een bouwwerk” (hierna: het bouwdeel) en een bedrag van € 9.765.15, voor zover de aanvraag betrekking heeft op de activiteit “het handelen in strijd met regels Ruimtelijke Ordening” (hierna: het RO-deel). De leges voor het vooroverleg met een bedrag van € 2.388,00 zijn op deze bedragen in mindering gebracht, waardoor in totaal een bedrag van € 18.301,23 resteert.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt tot welk bedrag eiser de aanslag moet betalen. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.

3.1.

De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Wat is het geschil?

4. Partijen zijn het niet eens over welk legesbedrag door de heffingsambtenaar in mindering moet worden gebracht. Verder zijn zij het er niet over eens of de heffingsambtenaar leges mag opleggen voor het RO-deel. De leges voor het bouwdeel en de omvang daarvan zijn niet in geschil.

Wat heeft eiser aangevoerd?

5. Eiser voert aan dat de legeskosten voor de principe-uitspraak van € 3.534,10 ten onrechte niet in mindering zijn gebracht op de aanslag. In artikel 4.3. van de overeenkomst staat namelijk dat eiser de kosten voor het behandelen van de aangevraagde planologische maatregel € 9.765,15 minus de al betaalde kosten voor de principe-uitspraak moet betalen en dat deze kosten los staan van de ter zake van de omgevingsvergunning verschuldigde leges. Het opgenomen bedrag van € 2.388,00 in de overeenkomst betreft een kennelijke verschrijving. Dat is niet het bedrag dat is verschuldigd voor de principe-uitspraak, maar betreffen de kosten voor vooroverleg. Naast de verrekening van de leges van het vooroverleg moeten ook de leges voor de principe-uitspraak worden verrekend op grond van de overeenkomst.

Eiser voert verder aan dat de kosten voor het RO-deel op basis van de overeenkomst moeten worden verhaald met een factuur en niet met een legesaanslag. De overeenkomst is namelijk een manier van verplicht kostenverhaal krachtens afdeling 6.4 van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro). In artikel 4, onder f, van de Legesverordening 2021 is bepaald dat diensten waarvan de kosten krachtens afdeling 6.4 van de Wro worden verhaald, niet via de Legesverordening 2021 kunnen worden verhaald.

Wat is het standpunt van de heffingsambtenaar?

6. De heffingsambtenaar stelt zich op het standpunt dat er geen reden is voor de door eiser gewenste mindering op de leges, omdat eiser een omgevingsvergunning heeft aangevraagd, waarop het college heeft beslist. Eiser is op grond van artikel 3 van de Legesverordening 2021 hiervoor leges verschuldigd. Er is geen grondslag in de Legesverordening 2021 voor verrekening van de leges voor de principe-uitspraak.
De heffingsambtenaar geeft aan dat in de overeenkomst abusievelijk verkeerde termen zijn gebruikt die tot verwarring kunnen leiden. De incorrecte terminologie doet echter niet af aan de toegepaste wettelijke grondslag en tarieven. De heffingsambtenaar is het met eiser eens dat diensten waarvan de kosten krachtens afdeling 6.4 van de Wro zijn of worden verhaald, niet meer via de Legesverordening 2021 kunnen worden verhaald. De heffingsambtenaar stelt zich op het standpunt dat er geen factuur is gestuurd, zodat de kosten niet reeds zijn verhaald. Daarom staat artikel 4, onder f, van de Legesverordening 2021 niet in de weg aan de oplegging van de leges voor het RO-deel.

Wat is de beoordeling door de rechtbank?

7. In artikel 4, aanhef, en onder f, van de Legesverordening 2021 is bepaald dat leges niet worden geheven voor diensten waarvan de kosten krachtens afdeling 6.4 van de Wro (grondexploitatie) zijn of worden verhaald.

8. Niet in geschil is dat de tussen eiser en het college gesloten overeenkomst een overeenkomst is zoals bedoeld in artikel 6.24, eerste lid, van de Wro. In geschil is of met het sluiten van de overeenkomst, met toepassing van afdeling 6.4 van de Wro kosten voor diensten zijn of worden verhaald, waardoor verhaal van deze kosten via een legesaanslag niet (meer) mogelijk is.

9. Het college heeft in antwoord op het inlichtingenverzoek te kennen gegeven dat de werkzaamheden die de gemeente heeft verricht ter uitvoering van artikel 4.3. van de overeenkomst betrekking hebben op de beoordeling van de ingekomen stukken, opstellen advies (routing raad in verband met verklaring van geen bedenkingen) en begeleiding van de procedure. Verder heeft het college desgevraagd geantwoord dat deze werkzaamheden volgens hem niet vallen onder afdeling 6.4. van de Wro, omdat geen zogenoemde plankostenscan is uitgevoerd. De heffingsambtenaar heeft in deze procedure zich aangesloten bij de antwoorden van het college en die tot de zijne gemaakt.

10. De rechtbank volgt het standpunt van de heffingsambtenaar dat de kosten voor het behandelen van het RO-deel van de aanvraag om een omgevingsvergunning via een legesaanslag verhaald kunnen worden niet. Met het sluiten van de overeenkomst worden namelijk langs privaatrechtelijke weg kosten verhaald op grond van afdeling 6.4 van de Wro. Daarvoor is het, anders dan de heffingsambtenaar heeft gesteld, niet nodig dat het college een factuur aan eiser heeft verzonden ter uitvoering van de overeenkomst. Kostenverhaal langs privaatrechtelijke weg begint op grond van afdeling 6.4 van de Wro al met het sluiten van de overeenkomst. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat met het sluiten van de overeenkomst, ten gunste van de gemeente een vorderingsrecht op eiser ontstaat voor de verrichte diensten en de kosten verhaald kunnen worden. Het al dan niet verzenden van een factuur brengt daarin geen verandering.
Het feit dat de gemeente geen plankostenscan heeft gemaakt voor de behandeling van het RO-deel, leidt de rechtbank ook niet tot een ander oordeel. De door de gemeente verrichte werkzaamheden die het college vermeldt in het antwoord op het inlichtingenverzoek zijn plankosten. Voor het verhalen van plankosten is het op grond van afdeling 6.4 van de Wro niet vereist dat de gemeente die kosten heeft berekend op basis van de plankostenscan.1
De rechtbank stelt verder vast dat het bij de leges-aanslag voor het RO-deel om dezelfde diensten gaat als de kosten voor de diensten in de overeenkomst. Daarbij betrekt de rechtbank dat het college en ook de heffingsambtenaar hebben medegedeeld dat voor de bedragen die in artikel 4.3. van de overeenkomst zijn opgenomen voor het RO-deel is aangesloten bij de leges zoals deze zijn vastgesteld voor deze diensten in de Legesverordening 2021. De rechtbank is daarom van oordeel dat de werkzaamheden die zijn verricht vanwege artikel 4.3 van de overeenkomst vallen onder afdeling 6.4 van de Wro en dat voor die werkzaamheden de leges voor het RO-deel zijn opgelegd.
Dat sprake is van een kennelijke verschrijving en dat ‘leges’ in plaats van factuur had moeten staan in artikel 4.3 van de overeenkomst, zoals de heffingsambtenaar heeft bepleit, volgt de rechtbank niet. De heffingsambtenaar heeft erkend dat er zowel een fiscale als een privaatrechtelijke weg is voor kostenverhaal, zodat alleen al daarom niet aanstonds duidelijk is dat sprake is geweest van een kennelijke verschrijving.

11. De rechtbank heeft geconstateerd dat de overeenkomst is gesloten na indiening van de aanvraag om een omgevingsvergunning. De rechtbank is het in beginsel met de heffingsambtenaar eens dat hij op grond van de Legesverordening 2021 na ontvangst van deze aanvraag bevoegd is om de leges te heffen. De aanslag is echter opgelegd na het sluiten van de overeenkomst. Dat leidt tot de vraag of deze bevoegdheid is komen te vervallen met het sluiten van de overeenkomst. In dit geval beantwoordt de rechtbank deze vraag bevestigend. De rechtbank acht het moment van het opleggen van de aanslag bepalend voor de vraag of de bevoegdheid tot het opleggen van een aanslag nog aanwezig is.
De stelling van de heffingsambtenaar dat het moment van verzending van de factuur bepalend is kan niet worden gevolgd. Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen leidt het niet-verzenden van de factuur er niet toe dat de kosten niet krachtens afdeling 6.4 van de Wro kunnen worden verhaald.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de heffingsambtenaar geen leges voor het behandelen van de aanvraag om een omgevingsvergunning, voor zover deze betrekking heeft op het RO-deel, omdat is voldaan aan artikel 4, aanhef, en onder f, van de Legesverordening 2021. De beroepsgrond slaagt.

11.1.

Ten aanzien van eisers stelling dat ook de leges voor de principe-uitspraak moeten worden verrekend overweegt de rechtbank het volgende. De heffingsambtenaar heeft terecht het standpunt ingenomen dat, anders dan de verrekening van de leges van het vooroverleg, er geen grondslag is in de Legesverordening 2021 voor verrekening van de leges voor de principe-uitspraak. Deze beroepsgrond slaagt niet. Voor zover eisers beroepsgrond is gebaseerd op nakoming dan wel verrekening op grond van artikel 4.3. van de overeenkomst is het aan de civiele rechter om daarover een oordeel te geven. De belastingrechter is niet bevoegd daarover een oordeel te geven.

Conclusie en gevolgen

12. Het beroep is gegrond omdat de bestreden uitspraak in strijd is met artikel 4, aanhef, en onder f, van de Legesverordening 2021. Dit betekent dat eiser gelijk krijgt. De rechtbank vernietigt daarom de bestreden uitspraak voor zover deze betrekking heeft op het bedrag voor het RO-deel van € 9.765,15 van de aanslag.

De rechtbank neemt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb nu zelf een beslissing en bepaalt dat de aanslag moet worden verminderd met het bedrag van € 9.765,15. Dat betekent dat een bedrag van € 8.536,08 in de legesaanslag overblijft dat eiser verschuldigd is. Dat bedrag correspondeert met de kosten voor de behandeling van het bouwdeel van de aanvraag om een omgevingsvergunning van eiser.

12.1.

Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het verschuldigde griffierecht van € 50,00 aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van de door hem gemaakte reiskosten voor de zitting van 11 april 2024 (€ 23,60). Van reiskosten voor de zitting van 25 november 2024 is niet gebleken.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de bestreden uitspraak voor zover deze betrekking heeft op het bedrag van € 9.765,15 van de aanslag;

- vermindert de aanslag tot een bedrag van € 8.536,08;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde gedeelte van de bestreden uitspraak;

- bepaalt dat de heffingsambtenaar het door eiser verschuldigde griffierecht van € 50,00 aan eiser moet vergoeden;

- veroordeelt de heffingsambtenaar tot betaling van € 23,60 aan proceskosten wegens reiskosten aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Cune, voorzitter, en mr. M. van den Brink en

mr. J.A.W. Huijben, leden, in aanwezigheid van mr. Y. Mutsaers, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 17 februari 2025.

griffier

voorzitter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘sHertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘sHertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ‘sHertogenbosch.

1 Regeling plankosten exploitatieplan.

De gegevens worden opgehaald

Hulp bij zoeken

Er is een uitgebreide handleiding beschikbaar voor het zoeken naar uitspraken, met onder andere uitleg over:

Selectiecriteria

De Rechtspraak, Hoge Raad der Nederlanden en Raad van State publiceren uitspraken op basis van selectiecriteria:

  • Uitspraken zaken meervoudige kamers
  • Uitspraken Hoge Raad en appelcolleges
  • Uitspraken met media-aandacht
  • Uitspraken in strafzaken
  • Europees recht
  • Richtinggevende uitspraken
  • Wraking

Weekoverzicht

Selecteer een week en bekijk welke uitspraken er in die week aan het uitsprakenregister zijn toegevoegd.