beschikking
RECHTBANK OOST-NEDERLAND
Team kanton en handelsrecht
zaaknummer / rekestnummer: C/05/238085 / HA RK 13-1
Beschikking van 28 maart 2013
[verzoeker]
wonende te [woonplaats]
verzoeker
advocaat mr. C.C.J. de Koning te Zeist
de publiekrechtelijke rechtspersoon
GEMEENTE TIEL
zetelend te Tiel
verweerster
advocaat mr. M.T. Spronck te Apeldoorn
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- -
het verzoekschrift
- -
het verweerschrift
- -
het faxbericht van de zijde van [verzoeker] van 12 mart 2013
- -
het faxbericht van de zijde van de gemeente van diezelfde datum
- -
de mondelinge behandeling, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt
- -
de aantekeningen ten behoeve van de mondelinge behandeling van de zijde van [verzoeker] .
2. De feiten
2.1. De gemeente is eigenaar van [sporthal] , gebouwd in 1967. Op enig moment heeft zij de sporthal verhuurd met het oog op exploitatie ervan, laatstelijk bij overeenkomst van 8 december 2008 aan [bedrijf 1] (verder: [bedrijf 1] ). Op dezelfde datum hebben de gemeente en [bedrijf 1] een ‘beheer- en exploitatie-overeenkomst’ gesloten met betrekking tot onder meer [sporthal] .
2.2. Het tweede lid van artikel 4 van de huurovereenkomst luidt:
De gemeente draagt er zorg voor dat het gehuurde voldoet aan de dan vigerende wet- en regelgeving, dan wel de benodigde dispensaties hiervoor en dat het gehuurde gebruiksgereed voor de Exploitant wordt opgeleverd. Onder gebruiksgereed wordt verstaan: wat een normale bedrijfsvoering niet in de weg staat. De Exploitant is verplicht het gehuurde minimaal op het (kwaliteit)niveau bij aanvang van de huur in stand te houden.
2.3. Het eerste lid van artikel 4 van de exploitatieovereenkomst luidt:
De Exploitant [ [bedrijf 1] , rechtbank] zal de Accomodaties voor eigen rekening en risico en uitsluitend overeenkomstig de in dit artikel beschreven bestemming op publieksgerichte wijze exploiteren.
2.4. [naam 1] , ook naar zijn voornaam [naam 1] genaamd, heeft van [bedrijf 1] [sporthal] (of een zaal daarin) gehuurd om op 30 oktober 2009 te zaalvoetballen met vrienden, onder wie [verzoeker] .
2.5. Uit een brief van 26 januari 2012 van [naam 2] , orthopaedisch expert, aan [naam 3] , medisch adviseur werkzaam bij N.V. Interpolis Achmea, wordt geciteerd:
Als medisch adviseur van Interpolis vroeg u mij te rapporteren in het kader van een ongevallenverzekering naar aanleiding van het ongeval van 31-10-2009, waarbij betrokkene de rechterelleboog heeft gelaedeerd. De ongevalsdatum is 30-10-2009 blijkens betrokkene en de stukken. Hierbij doe ik u verslag van het onderzoek van dinsdag 29-11-2011.
VII. SAMENVATTING
[verzoeker] is nu 30. Op 30-10-2009 heeft hij een comminutieve rechter olecranonfractuur opgelopen, maar ook een radiuskopfractuur, bij fors trauma. Voorheen had hij geen klachten over de rechterelleboog. Hij is rechtshandig. (...)
VIII. OVERWEGINGEN EN CONCLUSIE
De afwijkingen in de rechterelleboog zijn ongevalsgevolg van 30-10-2009. De klachten en anamnestische beperkingen passen bij de gevonden afwijkingen. (...)
2.6.
Uit een uitgave van de KNVB van juli 2011 ‘spelregels top- en eredivisie zaalvoetbal’ wordt geciteerd:
Rondom het speelveld dient bij voorkeur een obstakelvrije uitloopruimte van 2 meter met een minimum van 1 meter te worden aangehouden.
2.7.
Op 30 november 2011 vermeldde Wikipedia bij de zoekterm ‘zaalvoetbal’ onder ‘Het speelveld, afmetingen’ onder meer:
Rondom het speelveld dient een obstakelvrije uitloopruimte van 2 meter te zijn.
2.8.
Bij brief van 5 juni 2012 heeft Centraal Beheer Achmea, aansprakelijkheidsverzekeraar van de gemeente, aan de advocaat van [verzoeker] bericht dat zij vooralsnog geen aansprakelijkheid ziet aan de zijde van de gemeente.
3.1.
[verzoeker] heeft de rechtbank op de voet van artikel 1019w Rv verzocht, zoals blijkt uit het verzoekschrift en de daarop ter zitting gegeven toelichting, ten eerste te beslissen dat de gemeente aansprakelijk is voor de letselschade die hij heeft opgelopen tijdens de zaalvoetbalwedstrijd op 30 oktober 2009 en ten tweede de gemeente te veroordelen bij wijze van voorschot op schadevergoeding dan wel smartengeld aan [verzoeker] een bedrag te betalen van € 10.000,- te vermeerderen met rente.
3.2.
[verzoeker] heeft het volgende aan dit verzoek ten grondslag gelegd. Tijdens een zaalvoetbalwedstrijd met vrienden in [sporthal] op 30 oktober 2009 is hij tegen de achterwand naast het doel gebotst na een poging een bal voor te zetten. Als gevolg daarvan heeft hij blijvend letsel opgelopen aan zijn rechter elleboog. [verzoeker] verwijt de gemeente dat het zaalvoetbalveld niet is omgeven door een obstakelvrije ruimte van twee meter en dat er ook geen andere maatregelen zijn getroffen ter bevordering van de veiligheid, zoals stootkussens of een zachte boarding. [verzoeker] houdt de gemeente aansprakelijk voor zijn schade op grond van artikel 6:174 BW (aansprakelijkheid van de bezitter van een opstal met een gebrek), artikel 6:74 BW (toerekenbare tekortkoming) dan wel artikel 6:162 BW (onrechtmatige daad).
4.1.
De gemeente heeft met een beroep op artikel 1019z lid 1 BW bepleit dat [verzoeker] niet-ontvankelijk wordt verklaard. Zij heeft daartoe aangevoerd dat een beslissing van de deelgeschilrechter geenszins zal kunnen bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst, omdat zij bij inwilliging van het verzoek de zaak ten principale aanhangig zal maken. Dat verweer faalt, omdat aangenomen moet worden dat de gemeente haar beleid mede zal laten afhangen van de wijze waarop de rechtbank haar beslissing motiveert.
4.2.
Als verweer tegen de vordering op de grondslag van artikel 6:174 BW heeft de gemeente een beroep gedaan op artikel 6:181 BW. Dat verweer slaagt. Uit de huurovereenkomst van 8 december 2008 en de exploitatieovereenkomst van dezelfde datum tussen de gemeente en [bedrijf 1] blijkt dat [sporthal] wordt gebruikt in de uitoefening van een bedrijf door [bedrijf 1] , te weten de exploitatie van de sportaccomodatie. Voor zover de sporthal niet voldoet aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden kan stellen, rust de aansprakelijkheid daarvoor dus niet op de gemeente maar op [bedrijf 1] . Het verzoek is jegens de gemeente dus niet toewijsbaar op grond van artikel 6:174 BW.
4.3.
Als verweer tegen de vordering op de grondslag van artikel 6:74 BW heeft de gemeente aangevoerd dat noch zij, noch [verzoeker] partij is bij de huurovereenkomst. Ook dat verweer slaagt. Het verzoek is dus ook niet toewijsbaar op grond van artikel 6:74 BW.
4.4.
De gemeente heeft voorts aangevoerd dat niet zij maar [bedrijf 1] als exploitant van [sporthal] verantwoordelijk is voor de positie van de lijnen die de speelvelden aanduiden en van de gaten die bestemd zijn voor de doelen. [verzoeker] heeft daar tegenover gesteld dat de lijnen en de gaten zijn aangebracht door de bouwer van het pand en dat de gemeente op grond van artikel 4 lid 2 van de huurovereenkomst ervoor zorgdraagt dat het gehuurde voldoet aan de vigerende wet- en regelgeving.
4.5.
De gemeente heeft bestreden dat zij verantwoordelijk is voor de positie van de lijnen en de gaten. Volgens haar bepaalt de exploitant de wijze van exploiteren en ook – in dat kader – de belijning. Tegenover dit verweer heeft [verzoeker] onvoldoende gesteld om te kunnen oordelen dat de gemeente jegens [bedrijf 1] verantwoordelijk is voor de positie van de lijnen en de gaten. Voor het oordeel dat de gemeente onrechtmatig heeft gehandeld jegens de huurders en gebruikers van de sporthal ontbreekt daarom een grond. Het verzoek is daarom jegens de gemeente ook niet toewijsbaar op grond van gevaarzetting (artikel 6:162 BW).
4.6.
Uit het voorgaande blijkt dat het verzoek de gemeente te veroordelen tot betaling van een voorschot niet toewijsbaar is.
4.7.
Ter zake van de begroting van de kosten van [verzoeker] bij de behandeling van het verzoek (op de voet van artikel 1019aa Rv) geldt het volgende. Verzocht is de kosten te begroten op basis van 15 uur aan werkzaamheden van de advocaat van [verzoeker] tegen een uurtarief van € 250,00 exclusief 6% kantoorkosten en 19% btw. De gemeente acht deze begroting bovenmatig.
Het enkele feit dat de advocaat van [verzoeker] een opslag van 6% voor kantoorkosten in rekening brengt acht de rechtbank niet onredelijk. Een totaal uurtarief van € 315,35, waarop de bezwaren van de gemeente eveneens zien, is dat wel. In deze zaak is ten hoogste een uurtarief van € 283,82 (€ 225,00 plus 6% kantoorkosten plus 19% btw) op z’n plaats.
Uit de door [verzoeker] overgelegde specificatie blijkt dat zijn advocaat tot aan de zitting 10 uur aan de zaak heeft besteed. Dit komt, anders dan de gemeente summierlijk heeft bepleit, niet onredelijk voor. Aan reistijd, mondelinge behandeling en nabespreking zullen drie in plaats van de verzochte vijf uren worden begroot. De begroting komt dan op een bedrag van € 3.956,66 (€ 283,82 maal 13 plus € 267,00 aan griffierecht). Nu aansprakelijkheid van de gemeente niet is komen vast te staan bestaat voor een veroordeling tot betaling van dit bedrag geen grond. Het daartoe strekkende verzoek wordt afgewezen.
5. De beslissing
De rechtbank
begroot de kosten bij de behandeling van het verzoek aan de zijde van [verzoeker] op een bedrag van € 3.956,66,
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. S.C.P. Giesen en in het openbaar uitgesproken op 28 maart 2013.