Uitspraken

Een deel van alle rechterlijke uitspraken wordt gepubliceerd op rechtspraak.nl. Dit gebeurt gepseudonimiseerd.

Deze uitspraak is gepseudonimiseerd volgens de pseudonimiseringsrichtlijn

ECLI:NL:RBOVE:2023:1115

Rechtbank Overijssel
21-03-2023
28-03-2023
10146915 \ CV EXPL 22-3688
Verbintenissenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig

Ambtshalve toetsing. Universiteit vordert betaling collegegeld. Uitgebreide overwegingen dat de Richtlijn Consumentenrechten niet van toepassing is op de vordering en daarom niet hoeft te worden getoetst aan afdeling 6.5.2B BW.

Rechtspraak.nl
Prg. 2023/135 met annotatie van P.J.M. Ros

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Zwolle

Zaaknummer: 10146915 \ CV EXPL 22-3688

Vonnis van 21 maart 2023

in de zaak van

ERASMUS UNIVERSITEIT ROTTERDAM,

te Rotterdam,

eisende partij,

hierna te noemen: Erasmus Universiteit,

gemachtigde: LAVG Gerechtsdeurwaarders,

tegen

[gedaagde] ,

te [woonplaats] ,

gedaagde partij,

hierna te noemen: [gedaagde] ,

procederend in persoon.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 8 november 2022

- de akte uitlaten en overlegging producties en een aanvulling daarop van Erasmus Universiteit
- de mondelinge behandeling van 16 januari 2023, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De beoordeling

Waar gaat de zaak over?

2.1.

[gedaagde] heeft zich ingeschreven voor de studie Geschiedenis bij de Erasmus Universiteit. Hiervoor moest hij het collegegeld voor het jaar 2020/2021 betalen. Dit was een bedrag van € 2.143,00. [gedaagde] heeft een betalingsregeling getroffen met Erasmus Universiteit en daarom een betaling van € 953,10 gedaan. Vervolgens is [gedaagde] de betalingsregeling niet meer nagekomen en is de betalingsregeling vervallen. Erasmus Universiteit vordert in deze procedure betaling van het nog openstaande bedrag, met de bijkomende kosten.

Is afdeling 6.5.2B van het Burgerlijk Wetboek (BW) van toepassing? Nee.

Het wettelijk kader

2.2.

De grondslag van de vordering tot betaling van het collegegeld is de opleidingsovereenkomst. De Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW) is van toepassing op deze overeenkomst. Deze wet regelt de manier van inschrijving voor een opleiding en de toelating tot het onderwijs. Ook is de hoogte van het collegegeld wettelijk vastgesteld.

2.3.

Zoals op de mondelinge behandeling is besproken is de vraag of de kantonrechter (ambtshalve) moet toetsen of Erasmus Universiteit aan haar informatieplichten heeft voldaan van afdeling 6.5.2B BW, omdat de overeenkomst met een consument op afstand tot stand is gekomen (Hoge Raad 12 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1677). Die afdeling is een omzetting van bepalingen van de Richtlijn consumentenbescherming (Richtlijn 2005/29/EG).

2.4.

Uit het arrest van het Hof van Justitie EU1 volgt dat als een nationale bepaling de rechtsverhouding tussen partijen volledig beheerst, de praktijk voortvloeit uit de toepassing van deze nationale bepaling en deze bepaling niet de strekking heeft de bescherming van de economische belangen van de consument, maar enkel strekt tot bescherming van andere openbare belangen, de Richtlijn 2005/29/EG niet van toepassing is.

2.5.

Een en ander is te lezen in rechtsoverweging 50 en 51 van dit arrest:

“50. Artikel 1 van deze richtlijn, gelezen in het licht van overweging 23 ervan, bepaalt onder meer dat zij tot doel heeft bij te dragen tot de goede werking van de interne markt en een hoog niveau van consumentenbescherming te bieden door de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake oneerlijke handelspraktijken die schade toebrengen aan de economische belangen van de consumenten, onderling aan te passen.

51. Derhalve valt een nationale wettelijke regeling slechts binnen de werkingssfeer van die richtlijn wanneer met die regeling doelstellingen worden nagestreefd die verband houden met consumentenbescherming (zie in die zin beschikking van 4 oktober 2012, Pelckmans Turnhout, C559/11, niet gepubliceerd, EU:C:2012:615, punt 20).

2.6.

In de hiervoor genoemde zaak ging het om de vraag of Richtlijn 2005/29/EG van toepassing was, terwijl in de onderhavige zaak de vraag is of Richtlijn 2011/83/EU (Richtlijn Consumentenrechten) van toepassing is.

2.7.

In overweging 65 van Richtlijn Consumentenrechten is het volgende opgenomen:

“65. Aangezien de doelstelling van deze richtlijn, namelijk door de verwezenlijking van een hoog niveau van consumentenbescherming bijdragen aan de goede werking van de interne markt, niet voldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt en derhalve beter door de Unie kan worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan wat nodig is om deze doelstelling te verwezenlijken.”

2.8.

In artikel 1 van de Richtlijn Consumentenrechten is het volgende opgenomen:

“Het doel van deze richtlijn is om door de verwezenlijking van een hoog niveau van consumentenbescherming bij te dragen aan de goede werking van de interne markt door bepaalde aspecten van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake tussen consumenten en handelaren gesloten overeenkomsten onderling aan te passen.”

2.9.

Omdat in de Richtlijn Consumentenrechten in rechtsoverweging 65 en artikel 1 nagenoeg hetzelfde is opgenomen als wat is opgenomen in overweging 23 en artikel 1 van de Richtlijn 2005/29, is de kantonrechter van oordeel dat het door het Europese Hof gegeven kader, ook in deze zaak moet worden toegepast.

De toepassing op deze zaak

2.10.

Dit alles betekent dat de WHW de rechtsverhouding tussen partijen volledig beheerst en dat de praktijk hieruit voortvloeit. De inschrijfprocedure via Studielink is namelijk een voortvloeisel uit de WHW en deze procedure van inschrijven is gevolgd. De WHW heeft niet de doelstelling om de economische belangen van de consument te beschermen, maar heeft enkel tot doel de bescherming van de openbare belangen. Dit betekent dat, anders dan de kantonrechter eerder heeft geoordeeld, de Richtlijn consumentenrechten niet van toepassing is op de onderhavige vordering. Omdat afdeling 6.5.2B BW in het leven is geroepen door omzetting van bepalingen van de Richtlijn consumentenbescherming, is deze afdeling in dit geval niet van toepassing en zal de kantonrechter niet (ambtshalve) toetsen of Erasmus Universiteit heeft voldaan aan de in die afdeling genoemde informatieplichten.

Toewijzing hoofdsom

2.11.

[gedaagde] heeft niet betwist dat hij het collegegeld verschuldigd is. Hij heeft aangevoerd dat hij de overeenkomst met Erasmus Universiteit wilde beëindigen, omdat de lessen online werden gegeven. Daarbij heeft hij aangegeven dat hij de overeenkomst niet op een juiste wijze heeft opgezegd. Hij heeft namelijk alleen telefonisch contact opgenomen met Erasmus Universiteit en vervolgens niet uitgeschreven via Studielink.

2.12.

Omdat partijen een overeenkomst hebben gesloten en deze overeenkomst door [gedaagde] niet (juist) is opgezegd, moet [gedaagde] de overeenkomst nakomen en het (restant van) het collegegeld over het jaar 2020/2021 betalen. De hoofdsom zal dan ook worden toegewezen.

Rente en (proces)kosten

2.13.

De wettelijke rente van € 7,52 en de buitengerechtelijke incassokosten van € 215,96 zullen ook worden toegewezen, omdat [gedaagde] de hoofdsom niet volledig en tijdig heeft betaald, ook niet nadat hij hiervoor op een juiste wijze is aangemaand.

2.14.

[gedaagde] is de partij die ongelijk krijgt en hij zal daarom in de proceskosten worden veroordeeld. Tot aan dit vonnis worden de proceskosten aan de zijde van Erasmus Universiteit als volgt vastgesteld:

- kosten van de dagvaarding

129,74

- griffierecht

322,00

- salaris gemachtigde

398,00

(2 punten × € 199,00)

Totaal

849,74

2.15.

De gevorderde veroordeling in de nakosten is toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment kunnen worden begroot. De nakosten zullen dan ook worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.

2.16.

Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen een afwijkende regeling afgesproken.

3 De beslissing

De kantonrechter

3.1.

veroordeelt [gedaagde] om aan Erasmus Universiteit te betalen een bedrag van € 1.413,38, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over € 1.189,90, met ingang van 29 september 2022, tot de dag van volledige betaling,

3.2.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van Erasmus Universiteit tot dit vonnis vastgesteld op € 849,74,

3.3.

veroordeelt [gedaagde] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 99,50 aan salaris gemachtigde,

3.4.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.J.S. Groeneveld - Koekkoek en in het openbaar uitgesproken op 21 maart 2023. (SK)

1 HvJ EU, C-922/19, ECLI:EU:C:2021:91 (Stichting Waternet/MG)

De gegevens worden opgehaald

Hulp bij zoeken

Er is een uitgebreide handleiding beschikbaar voor het zoeken naar uitspraken, met onder andere uitleg over:

Selectiecriteria

De Rechtspraak, Hoge Raad der Nederlanden en Raad van State publiceren uitspraken op basis van selectiecriteria:

  • Uitspraken zaken meervoudige kamers
  • Uitspraken Hoge Raad en appelcolleges
  • Uitspraken met media-aandacht
  • Uitspraken in strafzaken
  • Europees recht
  • Richtinggevende uitspraken
  • Wraking

Weekoverzicht

Selecteer een week en bekijk welke uitspraken er in die week aan het uitsprakenregister zijn toegevoegd.