4 De beoordeling
Bestaat er een energieovereenkomst tussen Innova en [gedaagde]?
4.1.
Anders dan wat is geoordeeld door de kantonrechter van rechtbank Amsterdam, zoals is geciteerd door [gedaagde], overweegt de kantonrechter als volgt.
4.2.
Als een energieleverancier failliet gaat, is in de wet1 (hierna de Besluiten) een regeling opgenomen met als doel om de kleinverbruiker van energie te blijven voorzien. In deze regeling zijn twee vensterperiodes opgenomen. De eerste vensterperiode start vanaf het besluit van het ACM waarbij het ACM besluit de vergunning van de failliete leverancier in te trekken en geldt voor maximaal 20 werkdagen. In deze periode kan de curator het klantenbestand verkopen aan een andere energieleverancier. Na deze periode start de tweede vensterperiode, waarbij de niet verkochte klanten worden verdeeld over de andere energieleveranciers.
4.3.
De kantonrechter begrijpt dat er een overname is geweest in de eerste vensterperiode, waarbij Innova het klantenbestand van Flexenergie heeft overgenomen. Dit volgt uit punt 4 van de dagvaarding en punt 12 van de brief van de curator (productie 2 van de dagvaarding).
4.4.
In de Besluiten is niet bepaald dat een opvolgende energiemaatschappij die de klanten van een gefailleerde energiemaatschappij heeft gekocht, ook de energiecontracten moet overnemen. Dit volgt ook niet uit de wet of enige toelichting hierop. In de praktijk gebeurt dat doorgaans ook niet. Dit is anders wanneer een leverancier klanten overneemt in de tweede vensterperiode. In de Besluiten is bepaald dat bij overname in de tweede vensterperiode de nieuwe energieleveranciers hun eigen voorwaarden en tarieven kunnen toepassen op basis van een overeenkomst voor onbepaalde tijd2.
4.5.
Omdat het ontbreekt aan een regeling die bepaalt dat de energiecontracten moeten worden overgenomen door de opvolgende energiemaatschappij, in geval van een koop van het klantenbestand in de eerste vensterperiode, moet worden teruggevallen op het Burgerlijk Wetboek (hierna BW).
4.6.
Artikel 6:159 BW bepaalt dat voor een overgang van een overeenkomst de medewerking van alle contractspartijen vereist is. Dit staat haaks op de ontstane praktijk, waarbij klanten van gefailleerde energiemaatschappijen ongevraagd nieuwe voorwaarden en tarieven krijgen opgelegd van de opvolgende energiemaatschappij.
4.7.
Artikel 6:217 BW bepaalt dat een (nieuwe) overeenkomst tot stand komt door een aanbod en aanvaarding daarvan. Ook blijkt uit de praktijk dat er voor de eerste 30 dagen niet een aanbod wordt gedaan, dat moet worden aanvaard. De nieuwe energieleverancier stuurt enkel een bevestiging dat zij de nieuwe leverancier is en in de onderhavige casus heeft Innova bij deze bevestiging een overeenkomst verstrekt. Deze overeenkomst is echter niet tot stand gekomen middels aanbod en aanvaarding, zoals vereist in de wet. Van een overeenkomst is dus geen sprake.
4.8.
Het BW biedt nog een andere een ingang: de op grond van artikel 6:216 jo. artikel 6:2 jo. artikel 6:248 BW heersende redelijkheid en billijkheid. Tussen de klanten en de energiemaatschappij die in de eerste vensterperiode het klantenbestand heeft gekocht, ontstaat weliswaar niet een overeenkomst, want daarvoor is wilsovereenstemming vereist, maar wel een verbintenis waarop op grond van artikel 6:216 BW de redelijkheid en billijkheid van toepassing zijn. De verbintenis ontstaat, omdat de Besluiten in de eerste vensterperiode aan de klant de vrijheid ontnemen om van energiemaatschappij te wisselen. De klant gaat gedwongen over naar de energiemaatschappij die het klantenbestand in de eerste vensterperiode heeft gekocht, en kan pas na dertig dagen overstappen naar een andere energiemaatschappij3.
4.9.
De kantonrechter is van oordeel dat op grond van hetgeen hiervoor is overwogen er voor de eerste 30 dagen een verbintenis bestond tussen partijen. Die ziet enkel op de maand november 2018.
4.10.
De verplichte verbintenis gold slechts voor de maand november 2018. Daarna golden wederom de vaste regels voor het aangaan van een overeenkomst. Innova diende een aanbod te doen en dit moest worden aanvaard door [gedaagde].
4.11.
Innova heeft gesteld dat zij per e-mail van 9 november 2018 een aanbod heeft gedaan voor een vaste energieovereenkomst. Deze e-mail heeft zij ook overgelegd. De kantonrechter begrijpt dat deze overeenkomst voor [gedaagde] te zien was geweest indien zij had geklikt op de link ‘Bekijk het scherpe aanbod’. Innova heeft ook gesteld dat [gedaagde] dit aanbod niet heeft geaccepteerd, maar dat zij vervolgens energie is blijven leveren op basis van de energieovereenkomst die gold voor de maand november 2018.
4.12.
Omdat [gedaagde] het aanbod niet heeft geaccepteerd, is er geen energieovereenkomst tot stand gekomen voor de periode na november 2018. Dat Innova energie is blijven leveren, is haar eigen keuze geweest maar de overeenkomst voor de maand november 2018 kan niet als grondslag hiervoor dienen, zoals reeds hiervoor is overwogen.
4.13.
Innova heeft nog als (meer) subsidiaire rechtsgrond aangevoerd dat er sprake is van onverschuldigde betaling.
4.14.
De kantonrechter overweegt hierover het volgende.
Ingevolge het bepaalde in artikel 7:7 lid 2 BW bestaat geen verplichting tot betaling voor een consument bij de ongevraagde levering van onder andere elektriciteit, waarbij geldt dat het uitblijven van een reactie van hem op de ongevraagde levering of verstrekking niet als aanvaarding wordt aangemerkt. In de Memorie van Toelichting wordt opgemerkt dat de zinsnede “geen verplichting tot betaling ontstaat” elke vorm van vergoeding bestrijkt, in welke vorm dan ook, wanneer een consument te maken krijgt met een ongevraagde levering, dat evenmin op een andere rechtsgrond, zoals onverschuldigde betaling (6:203 BW) of ongerechtvaardigde verrijking (artikel 6:212 BW) een betalingsverplichting kan ontstaan, voor zover deze is te herleiden tot de geleverde zaken of de verrichte diensten en dat dit betekent dat de verrichte diensten jegens de consument om niet zijn verricht. (Kamerstukken II 2012/13, 33520, 3, p. 58).
4.15.
Gesteld noch gebleken is dat [gedaagde] op enig moment aan Innova uitdrukkelijk heeft medegedeeld dat zij energie wilde afnemen of dat zij een andere handeling heeft verricht waardoor Innova er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat zij het aanbod van de levering van energie heeft aanvaard. Daarom is er sprake van ongevraagde levering van energie in de zin van artikel 7:7 lid 2 BW. Conclusie van het voorgaande is dat de vordering tot betaling van de geleverde energie na 30 november 2018 niet toewijsbaar is.
Is de vordering verjaard?
4.16.
[gedaagde] moet dus alleen de factuur van 1 november 2018 voor het bedrag van
€ 172,00 met nummer [factuurnummer] betalen, als de vordering tot betaling niet is verjaard.
4.17.
Zoals [gedaagde] terecht heeft aangevoerd, verjaart de vordering van Innova door verloop van 2 jaar (artikel 7:5 lid 5 jo. artikel 7:28 BW), tenzij er een stuiting heeft plaatsgevonden.
4.18.
De verjaringstermijn is gaan lopen op 1 november 2018, omdat uit de factuur en aanmaningen blijkt dat dit de vervaldatum van de factuur is. [gedaagde] heeft niet dit niet weersproken. De verjaringstermijn eindigt daarom op 31 oktober 2020. Uit de dagvaarding blijkt dat Innova aan [gedaagde] een herinnering heeft gestuurd op 23 januari 2019, zodat daarmee een nieuwe verjaringstermijn is begonnen, die afliep op 22 januari 2021. De veertiendagenbrief is verstuurd op 5 mei 2021.
4.19.
[gedaagde] heeft in zijn conclusie van dupliek gesteld dat hij in de periode tussen 23 januari 2019 en 5 mei 2021 geen schriftelijk schrijven heeft ontvangen waarvan stuitende werking uitgaat. Uit de conclusie van dupliek blijkt dat [gedaagde] zich op het standpunt stelt dat hij de door Innova bij conclusie van repliek overgelegde schrijven niet heeft ontvangen.
4.20.
De door Innova bij conclusie van repliek overgelegde brieven van 16 december 2021 en 4 januari 2021 zouden de verjaring hebben kunnen stuiten, als deze door [gedaagde] zouden zijn ontvangen.
4.21.
Volgens de hoofdregel van de eerste zin van artikel 3:37 lid 3 BW moet een tot een bepaalde persoon gerichte verklaring om haar werking te hebben, die persoon, te weten [gedaagde], hebben bereikt (de ‘ontvangsttheorie’).
4.22.
Uit het arrest van de Hoge Raad van 15 juni 2013 (ECLI:NL:HR:2013:BZ4104) vloeit voort dat bij betwisting van de ontvangst van een verklaring het aan de afzender is om te stellen en zo nodig te bewijzen dat hij de verklaring heeft gezonden naar het adres waarvan hij redelijkerwijs mocht aannemen dat de geadresseerde daar kon worden bereikt en dat de verklaring daar is aangekomen.
4.23.
Innova heeft hierover niets gesteld of onderbouwd, zodat niet kan komen vast te staan dat de hiervoor genoemde brieven door [gedaagde] zijn ontvangen. De verjaring is dan ook niet gestuit met deze brieven. De vordering is op 22 januari 2021 verjaard, zodat daarvan geen betaling meer kan worden afgedwongen. De hoofdsom zal daarom volledig worden afgewezen.
4.24.
Omdat de hoofdsom wordt afgewezen, maakt dit dat ook de buitengerechtelijke incassokosten en wettelijke rente niet verschuldigd zijn en daarom worden afgewezen. [gedaagde] hoeft dus niets te betalen aan Innova.
4.25.
Innova zal als de verliezende partij in de proceskosten worden veroordeeld. De proceskosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op € 264,00 aan salaris gemachtigde (2 punten x tarief € 132,00).