RECHTBANK ROTTERDAM
Sector civiel recht
Zaak-/rolnummer: 201447 / HA ZA 03-1960
Uitspraak: 20 december 2006
VONNIS van de enkelvoudige kamer in de zaak van:
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [eiseres],
gevestigd te Barendrecht,
eiseres,
procureur mr. J.H.J. Rijntjes,
- tegen -
de rechtspersoon naar publiekrecht WATERSCHAP HOLLANDSE DELTA (voorheen genaamd Waterschap IJsselmonde),
gevestigd te Barendrecht,
gedaagde,
procureur mr. H.E. Schweers,
advocaat mr. A.J.J.G. Schijns te ‘s-Gravenhage.
Partijen blijven verder aangeduid als "[eiser]" respectievelijk "het Waterschap".
1 Het verdere verloop van het geding
De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:
- tussenvonnis van deze rechtbank d.d. 6 juli 2005 en de daaraan ten grondslag liggende
processtukken;
- de processen-verbaal van [getuige 1]nverhoor d.d. 1 december 2005 en 14 maart 2006;
- de brief d.d. 7 maart 2006, met bijlage, aan de zijde van [eiser];
- de door [eiser] na enquête genomen conclusie, tevens akte houdende wijziging van eis, met producties;
- de door het Waterschap na enquête genomen antwoordconclusie, tevens houdende reactie op de wijziging van eis.
2 De verdere beoordeling
2.1 Bij voormeld vonnis is [eiser] opgedragen te bewijzen dat een gedeelte van de weg bij de reconstructie in 1994/1995 meer op haar terrein (en het terrein van [getuige 1]) is komen te liggen en daarbij tevens aan te tonen over welke afstand en breedte dat is geschied.
2.2 [eiser] heeft in enquête als getuigen doen horen [[getuige 1]], [getuige 2],
[getuige 3] en [getui[getuige 4]; in contra-enquête heeft het Waterschap als getuigen doen horen [getuige 5] en [getuige 6].
Eiswijziging
2.3 Bij conclusie na enquête heeft [eiser] haar eis en de grondslag daarvan gewijzigd in die zin dat zij thans naast hetgeen in voormeld vonnis onder 3.1 is weergegeven tevens vordert vergoeding van de schade wegens periodieke “bijplant” vanaf 2002 (aldus heeft [eiser] de in voormeld vonnis onder 3.1 weergegeven vordering sub 1. met een bedrag van € 4.500,-- vermeerderd tot een bedrag van in totaal € 15.687,04), alsmede het Waterschap te verbieden de Noldijk ter plaatse van de percelen van [eiser] (en [getuige 1]) zodanig te (doen) pekelen dat de daartoe gebezigde stoffen op de onverharde percelen van [eiser] (en [getuige 1]) terechtkomen, zulks op straffe van een dwangsom ad € 25.000,-- voor elk kalenderjaar / winter dat het Waterschap dit verbod na betekening van het in deze te wijzen vonnis schendt, daaraan aanvullend ten grondslag leggende artikel 14 Wegenwet.
2.4 Het Waterschap heeft bij antwoordconclusie na enquête geen bezwaar gemaakt tegen de eiswijziging van [eiser]. Nu de wijziging geen strijd oplevert met de eisen van een goede procesorde, zal op de gewijzigde eis recht worden gedaan.
Meetresultaten
2.5 Alvorens in te gaan op de getuigenverklaringen merkt de rechtbank het volgende op.
Na afloop van het getuigenverhoor op 1 december 2005 heeft de rechtbank bepaald dat er metingen moeten worden verricht op de percelen van [eiser]. In het proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 1 december 2005 wordt – voor zover thans van belang – het volgende gerelateerd:
“(…) dat partijen (…) gezamenlijk langs de heg van [eiser] om de 2 meter een afstand van 1,25 meter zullen afmeten vanaf de buitenste stammetjes van de heg richting asfalt en vervolgens de afstand van die plaats tot de rand van het asfalt.”
Deze metingen hebben op 15 februari 2006 overeenkomstig de opdracht van de rechtbank plaatsgevonden. Het resultaat daarvan is vastgelegd in een tekening die door beide partijen voor akkoord is ondertekend en bij brief van 7 maart 2006 – voorafgaand aan de contra-enquête op 14 maart 2006 – aan de rechtbank is toegezonden. De betekenis die aan de meetresultaten, en de tekening waarin die resultaten zijn neergelegd, kan worden gehecht, zal hierna (onder 2.10) worden besproken.
Getuigenverklaringen
2.6 Bij de beoordeling van de getuigenverklaringen geldt als uitgangspunt dat de verklaring van [getuige 2] als partijgetuige omtrent de door [eiser] te bewijzen feiten en omstandigheden geen bewijs in haar voordeel kan opleveren, indien geen aanvullende bewijzen voorhanden zijn die zodanig sterk zijn en zodanig essentiële punten betreffen, dat zij die partijverklaring voldoende geloofwaardig maken.
2.7 De getuigen hebben – voor zover thans van belang – het volgende verklaard:
De getuige [[getuige 1]], buurman van [eiser] en eigenaar van perceelnummer 8176:
“Ik heb destijds samen met [getuige 1] en [getuige 3] nagenoeg de hele haag gepoot. Ik weet 100 procent zeker dat wij de haag op 1,25 meter van de witte lijn op de weg hebben geplant.
De afstand van de buitenste rand van de witte lijn tot de rand van het asfalt bedroeg 5 à 10 centimeter. De haag bestaat uit een dubbele rij stammetjes die samen een breedte van 50 centimeter beslaan. De afstand van 1,25 meter is gemeten tussen de buitenste van de stammetjes en de buitenste rand van de witte lijn. (…) De haag staat vanaf het begin van perceel 8175 tot het einde van perceel 9239, met uitzondering van het gedeelte liggend aan perceel 9238 en 126. (…) Voor de reconstructie bestond de berm uit gras en soms modder. Sinds de reconstructie liggen er grasbetontegels langs de weg. Volgens mij zijn die grasbetontegels 30 à 35 centimeter breed. (…) Bij de reconstructie in 1994/1995 is de dijk helemaal afgegraven en is het asfalt verwijderd. Er zijn ook nieuwe leidingen gelegd. (…) Er is bij de reconstructie nieuw asfalt gelegd en een nieuwe witte lijn getekend. Die lijn is nu niet meer te zien behalve aan het feit dat de ondergrond van de weg ruwer is op de plek waar deze heeft gelegen. Deze lijn is niet de witte lijn vanaf welke wij destijds de 1,25 meter hebben gemeten om te bepalen op welke plek de haag moest komen te staan. (…) Het gedeelte van het asfalt dat voor mijn perceel ligt is niet verlegd maar wel schuiner teruggeplaatst. Het loopt nu af naar mijn perceel. Voor wat de rest van de Noldijk betreft weet ik dat er een flauwe bocht was ter hoogte van het einde van het perceel van [eiser] met nummer 9239 richting het perceel van de heer [getuige 4]/het spoor. Die flauwe bocht is meer rechtgetrokken. Langs de Noldijk gelegen aan de percelen van [eiser] en mijzelf liggen overal grasbetontegels. Ter hoogte van het terrein van [eiser] is het asfalt meer naar de heg toegekomen. (…) Voor de reconstructie was er zeker een meter tussen de rand van het asfalt en de eerste stammenrij. Nu – na de reconstructie – ligt direct naast het asfalt een grasbetontegel en is de afstand tussen de rand van de grasbetontegel en de eerste stammenrij 25 tot 50 centimeter. Ik heb het nu alleen over het gedeelte langs mijn perceel.(…) U houdt mij voor dat als de grasbetontegel ongeveer 30 cm is en het asfalt niet is verlegd, de afstand tussen de grasbetontegel en de eerste stammenrij niet meer dan 30 cm kan zijn, omdat de rand van de haag tot de rand van de grasbetontegel komt. Als ik de foto die ik heb overgelegd nu zie naast de tweede foto van productie 8, dan heb ik het misschien verkeerd gezegd en is het asfalt misschien toch naar mijn perceel toegekomen. (…) Verder verklaar ik nog dat het geasfalteerde gedeelte van de weg vanaf de uitrit tegenover het perceel van [getuige 4] richting mijn perceel meer op het terrein van [eiser] is komen te liggen. Dat heeft te maken met het rechttrekken van de bocht bij [getuige 4] waar ik het eerder over had."
De (partij)getuige [getuige 2], directeur/grootaandeelhouder van [eiser]:
“Al voor het planten van de heg was de erfgrens overschreden, maar sinds de reconstructie is dat veel meer het geval. Bij het planten van de heg heb ik steeds 1,25 meter aangehouden vanaf de buitenste rand van de witte lijn op de weg tot het eerste stammetje van de dubbele stammenrij van de heg. (…) Vanaf het buitenste stammetje steekt de heg circa 25 cm uit richting asfalt. (…) De weg is verlegd en meer op mijn terrein gekomen. Ik wijs u op de oprit aan de buitenste rand van perceel 8175. Voorts staat er bij [getuige 4] een heg die vóór de reconstructie evenwijdig liep met de weg. Sinds de reconstructie loopt de heg niet meer evenwijdig met de weg. De afstand tussen de zijkant van de heg en de witte lijn op het asfalt loopt uiteen van 85 cm tot 1,45 meter. Verder staan er bij [getuige 1] paaltjes die ook vóór de reconstructie evenwijdig liepen met de weg en sinds de reconstructie niet meer. (…) De grasbetontegels zijn 40 cm breed.”
De getuige [getuige 3], broer van [getuige 2]:
“Ik heb geholpen bij het planten van de haag. De plaats waar de haag is geplant is uitgemeten ten opzichte van de weg. Er zijn piketpaaltjes geplaatst op een bepaalde afstand van de weg. De exacte afstand ken ik niet, maar dat zal tussen de 80 cm en 1,50 meter zijn geweest. De piketpaaltjes langs de wegwaren om de paar meter geplaatst; soms wat dichter bij elkaar als er een kromming in de weg was (…). Tussen de piketpaaltjes was een lijn gespannen en de haag werd achter de lijn geplant. De afstand van de heg tot de weg was overal gelijk. Dat was visueel waarneembaar.
Bovendien weet ik dat mijn broer heel nauwkeurig is. (…) Over de huidige situatie kan ik verklaren dat het evident is dat de heg en de weg niet meer overal evenwijdig lopen. Als je bijvoorbeeld voor de boerderij staat met je rug naar de boerderij en je kijkt naar links in de richting van [getuige 4], dan zie je dat de heg en de weg in een flauwe bocht naar elkaar toelopen. Als ik het over dit visuele effect heb dan doel ik op de buitenkant van de heg. Als ik langs de heg loop dan is mijn waarneming dat de afstand tussen de buitenkant van de heg en de stammetjes steeds redelijk constant is.”
De getuige [getuige 4], eigenaar van perceel 101:
“Ik ben aanwezig geweest bij de reconstructie in 1994/1995. Ik weet dat de weg toen is verlegd, omdat er zich ter hoogte van het einde van mijn tuin – dat tegenover het perceel van [eiser] ligt – een knik in de weg zat die bijna rechtgetrokken is. Ik weet dat omdat mijn heg voor de reconstructie evenwijdig aan de weg liep, met een afstand van circa 40 cm ertussen. (…) Na de reconstructie is er aan het eind een grotere afstand tussen mijn heg en de weg ontstaan. De weg en de heg lopen ook niet meer evenwijdig. Aan het begin is de afstand tussen de heg en de rand van het asfalt nog steeds 40 cm; aan het einde van mijn perceel loopt dit uit tot circa een meter tussen de heg en de grasbetontegel.”
De getuige [getuige 5], werkzaam bij het Waterschap als civil engineer (afdelingshoofd):
“Tijdens de reconstructie zijn grasbetontegels aangebracht in de berm ter versterking daarvan. (…) De grasbetontegels zijn in de berm gelegd ter voorkoming van ongevallen. Het is op dit moment gebruikelijk waar mogelijk bermverharding toe te passen. (…) Met het verklikken van de weg bedoel ik het volgende. Uitgaande van de as van de weg neem je een aantal punten (dat zijn meestal hoeken van woningen). Voordat het oude asfalt verwijderd wordt meet je die punten in. Voordat het nieuwe asfalt wordt aangebracht meet je de as van de weg opnieuw in aan de hand van de vastgestelde punten. (…) Wij hebben de Noldijk uitsluitend gestroomlijnd. De weg is niet verplaatst. Verplaatsing is de weg echt omleggen, daarmee bedoel ik dat de as van de weg wordt verlegd. Bij een reconstructie wordt de as vastgelegd en wordt geprobeerd om van kleine knikjes een vloeiend geheel te maken. In het geval van de Noldijk zijn stukken met een knik of een flauwe bocht vloeiend gemaakt. (…) Verplaatsen betekent een substantiële verplaatsing van de as van de weg. Het gaat dan om een minimale verlegging van een halve meter. (…) Ik sluit niet uit dat het asfalt dichter bij de heg van [eiser] is gaan lopen. (…) Ik ben niet bij het verklikken aanwezig geweest. (…) Het vloeiend maken van een weg is afhankelijk van de noodzaak van een vloeiende doorgang van het verkeer. In het algemeen wordt een afstand van 50 centimeter aangehouden tussen de wegverharding en een object langs die weg. (…) De Noldijk is over een afstand van ongeveer één kilometer gereconstrueerd.(…) In het algemeen wordt bij een stroomlijning de as van de weg met maximaal vijf tot tien centimeter naar links of naar rechts verplaatst. (…) Er vindt altijd of een kleine of een grote (meer dan vijftig centimeter) verplaatsing plaats.”
De getuige [getuige 6], werkzaam bij het Waterschap als ambtenaar:
“Het was niet de bedoeling dat de weg verplaatst zou worden. Met weg bedoel ik de fundering en het asfalt.(…) Met verplaatsing bedoel ik dat de as van de weg wordt verplaatst. (…) Op sommige plaatsen zou het mogelijk zijn geweest om de as van de weg meer dan vijf centimeter te verplaatsen (…). Ik was niet aanwezig bij het verklikken van de weg.”
2.8 De rechtbank acht op grond van voormelde door de getuigen afgelegde verklaringen, in onderling verband en samenhang bezien, en met inachtneming van het bepaalde in artikel 164 lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, voldoende aannemelijk dat een gedeelte van de weg bij de reconstructie in 1994/1995 meer op het terrein van [eiser] (en [getuige 1]) is komen te liggen. Weliswaar kan de verklaring van [getuige 2] als partijgetuige omtrent de door [eiser] te bewijzen feiten en omstandigheden geen bewijs in haar voordeel opleveren, tenzij de verklaring strekt ter aanvulling van onvolledig bewijs, doch de rechtbank acht de verklaringen van de getuigen [getuige 1], [getuige 3] en [getuige 4] sterk genoeg om die partijverklaring voldoende geloofwaardig en betrouwbaar te maken. In de eerste plaats omdat deze verklaringen zijn gebaseerd op eigen rechtstreekse waarnemingen. Voorts omdat deze verklaringen in voldoende mate eensluidend zijn en elkaar ondersteunen op essentiële punten. Bovendien is voor hetgeen deze getuigen verklaren voldoende steun in de in het geding gebrachte stukken (in het bijzonder de onder 2.6 vermelde meetresultaten) aanwezig. Daarbij komt dat de verklaringen afgelegd door de getuigen [getuige 1], [getuige 2], [getuige 3] en [getuige 4] niet in strijd zijn met de door de overige getuigen afgelegde verklaringen. Tegenover de verklaringen van de getuigen [getuige 1], [getuige 2], [getuige 3] en [getuige 4] kan aan de door de getuigen [getuige 5] en [getuige 6] afgelegde verklaringen onvoldoende gewicht worden toegekend om aan het geleverde bewijs af te doen. Zij zijn niet bij het zogenoemde “verklikken” van de weg aanwezig geweest en kunnen daarover derhalve niet uit eigen wetenschap verklaren. Bovendien sluit de getuige [getuige 5] niet uit dat het asfalt dichter bij de heg van [eiser] is gaan lopen. Ook de getuige [getuige 6] heeft verklaard dat het mogelijk is geweest de as van de weg meer dan vijf centimeter te verplaatsen.
Betekenis meetresultaten
2.9 Vervolgens dient te worden bezien over welke afstand en breedte de weg bij de reconstructie in 1994/1995 meer op het terrein van [eiser] (en [getuige 1]) is komen te liggen. [eiser] beroept zich in dit verband op de meetresultaten, en de tekening waarin die resultaten zijn neergelegd (r.o 2.6), en stelt dat de (buitenste stammetjes van de) heg destijds op 1,25 meter afstand van (de buitenste rand van) de witte lijn op de toenmalige weg (zijn) is geplaatst. Ter onderbouwing van deze stelling verwijst [eiser] naar de door de getuigen [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3] afgelegde verklaringen. Het Waterschap betwist dat de heg destijds op 1,25 meter afstand van de witte lijn op de toenmalige weg is geplaatst. Gelet op voornoemde onderbouwde stelling van [eiser], had het naar het oordeel van de rechtbank op de weg van het Waterschap gelegen deze stelling gemotiveerd te betwisten en kon zij niet volstaan met een blote betwisting daarvan. Door dit na te laten, dient als onvoldoende gemotiveerd weersproken van de juistheid van de stelling van [eiser] uit te worden gegaan dat de (buitenste stammetjes van de) heg destijds op 1,25 meter afstand van (de buitenste rand van) de witte lijn op de toenmalige weg (zijn) is geplaatst. Hetzelfde geldt mutatis mutandis ten aanzien van de stelling van [eiser] dat is bijgeplant en dat dit op precies dezelfde plaatsen is gebeurd als waar destijds de oorspronkelijke heg is geplaatst.
2.10 Gelet op het voorgaande, kan naar het oordeel van de rechtbank aan de meetresultaten, en de tekening waarin die resultaten zijn neergelegd, de volgende betekenis worden gehecht. De getallen aan de rechterzijde op de tekening vermeld, vormen de uitkomst van de metingen overeenkomstig de opdracht van de rechtbank; dat wil zeggen de afstand vanaf het einde van 1,25 meter – uitgezet vanuit de buitenste stammetjes van de heg richting asfalt – tot aan de rand van het asfalt.
Als niet dan wel onvoldoende gemotiveerd weersproken staat vast dat de gemiddelde breedte van de strook tussen de witte lijn op de toenmalige weg en de kant van het asfalt circa 15 centimeter heeft bedragen. Wordt deze 15 centimeter in mindering gebracht op de uitkomst van de metingen bij de diverse punten, dan resulteert dat in de maat (mate) waarin het asfalt na de reconstructie meer op het terrein van [eiser] (en [getuige 1]) is komen te liggen. Als niet dan wel onvoldoende gemotiveerd weersproken staat eveneens vast dat de grasbetontegels 40 centimeter breed zijn. In voormeld tussenvonnis heeft de rechtbank onder 4.2 reeds geoordeeld dat de weg niet enkel uit de asfaltlaag bestaat, maar dat daartoe ook de (onverharde of verharde) berm behoort. Wordt deze 40 centimeter opgeteld bij de maat waarin het asfalt na de reconstructie meer op het terrein van [eiser] (en [getuige 1]) is komen te liggen, dan resulteert de uitkomst daarvan mitsdien in de maat (mate) waarin de weg na de reconstructie meer op het terrein van [eiser] (en [getuige 1]) is komen te liggen. Uit de meetresultaten, en de tekening waarin die resultaten zijn neergelegd, volgt derhalve dat de weg bij de reconstructie over een afstand van circa 200 meter minimaal (J1; 2-15+40) 27 centimeter en maximaal (B; 54-15+40) 79 centimeter meer op het terrein van [eiser] (en [getuige 1]) is komen te liggen. De reconstructie van de weg in 1994/1995 heeft mitsdien geleid tot een verlegging van de weg op grond die in eigendom aan [eiser] (en [getuige 1]) toebehoort.
2.11 Nu de door het Waterschap in contra-enquête voorgebrachte getuigen het door [eiser] bijgebrachte (getuigen)bewijs niet hebben ontkracht en zij noch op andere wijze tegenbewijs met betrekking tot het aan [eiser] in voormeld tussenvonnis opgelegde probandum heeft geleverd, moet de conclusie dan ook zijn dat [eiser] is geslaagd in het haar opgedragen bewijs.
Inbreuk op eigendomsrecht
2.12 Door de weg zodanig te reconstrueren dat een gedeelte daarvan meer op het terrein van [eiser] (en [getuige 1]) is komen te liggen, heeft het Waterschap grond die in eigendom aan [eiser] toebehoort in gebruik genomen en mitsdien inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van [eiser]. Dit levert in beginsel op een onrechtmatige daad die het Waterschap tot vergoeding van de daaruit voortvloeiende schade verplicht.
Rechtvaardigingsgrond
2.13 De vraag die vervolgens beantwoord dient te worden, is of in dit concrete geval de aanwezigheid van een rechtvaardigingsgrond deze inbreuk op het eigendomsrecht geheel haar onrechtmatig karakter doet verliezen.
2.14 Voor zover het Waterschap heeft willen aanvoeren dat artikel 14 Wegenwet een dergelijke rechtvaardigingsgrond oplevert, oordeelt de rechtbank als volgt. Op grond van artikel 14 Wegenwet heeft [eiser] onder meer te dulden “uitvoering van alle werken tot onderhoud of verbetering van den weg”. Weliswaar kan het verleggen van de weg een verbetering zijn, doch dat is naar het oordeel van de rechtbank niet een te dulden verbetering die binnen het bereik van artikel 14 Wegenwet – dat ziet op (kort gezegd) het dulden van uitvoering van werkzaamheden aan de weg en het dulden van gebruik dat door weggebruikers van de weg wordt gemaakt – valt. Artikel 14 Wegenwet levert dan ook geen rechtvaardiging op voor de door het Waterschap gemaakte inbreuk op het eigendomsrecht van [eiser].
2.15 Het Waterschap heeft voorts aangevoerd dat het algemeen belang een rechtvaardigingsgrond oplevert die aan de inbreuk op het eigendomsrecht haar onrechtmatig karakter ontneemt. Naar het oordeel van de rechtbank ligt het weliswaar in de rede dat het Waterschap in het algemeen belang de mogelijkheid moet hebben om een weg te verleggen indien de verkeersveiligheid daarmee is gediend, doch daarbij dienen de belangen van derden niet onnodig te worden geschaad. Op grond van het Nederlandse recht dient het Waterschap in zo een geval in overleg met die derden te treden en zo nodig – bij gebreke van medewerking – over te gaan tot onteigening. Gesteld noch gebleken is dat het Waterschap in overleg met [eiser] is getreden dan wel is overgegaan tot onteigening. Nu ook overigens niet valt in te zien waarom geen overleg kon plaatsvinden – immers, [eiser] was daartoe bereid – dan wel niet tot onteigening kon worden overgegaan, heeft het Waterschap de weg eigenmachtig (in de zin van zonder de daartoe geëigende procedure te volgen) verlegd en mitsdien het belang van [eiser] (en [getuige 1]) bij een ongehinderde uitoefening van zijn (hun) eigendomsrecht onnodig geschaad. Hieraan doet niet af de stelling van het Waterschap dat het verleggen van de weg is ingegeven door haar taak als wegbeheerder de kwaliteit en veiligheid van de weg te optimaliseren, nu niet kan worden aangenomen dat het Waterschap bij de vervulling van haar taak als wegbeheerder volkomen vrij is in de wijze waarop zij meent die taak te moeten verrichten. Het Europese noch het Nederlandse recht bieden een basis voor een dergelijke soevereine opstelling. Immers, ingevolge het Eerste Protocol bij het Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden heeft iedere natuurlijke of rechtspersoon recht op ongestoord genot van zijn eigendom. Aan niemand zal zijn eigendom worden ontnomen, behalve in het algemeen belang en onder de voorwaarden voorzien in de wet en in de algemene beginselen van internationaal recht. Het algemeen belang op zichzelf levert dan ook geen rechtvaardiging op voor de door het Waterschap gemaakte inbreuk op het eigendomsrecht van [eiser].
Maatschappelijk belang
2.16 Echter, uit de omstandigheid dat er in dit concrete geval niet een rechtvaardigingsgrond aanwezig is die aan de inbreuk op het eigendomsrecht van [eiser] haar onrechtmatig karakter ontneemt, volgt niet noodzakelijk dat de vorderingen van [eiser] strekkende tot herstel in de oude situatie (het verwijderen van de weg, althans een gedeelte daarvan) en een verbod tot het maken van verdere inbreuken (het verbieden van strooien van zout) kunnen worden toegewezen. Immers, een zwaarwegend maatschappelijk belang als bedoeld in artikel 6:168 Burgerlijk Wetboek kan meebrengen dat [eiser] de inbreuk op zijn eigendomsrecht op de voet van (de ratio van) dat artikel behoort te dulden, hetgeen alsdan niet afdoet aan een eventueel bestaand recht op schadevergoeding.
2.17 Door [eiser] is niet weersproken de stelling van het Waterschap dat het (deels) verwijderen van de weg en het verbieden van strooien van zout enerzijds de verkeersveiligheid ter plaatse aanzienlijk vermindert en anderzijds de bereikbaarheid en verkeersdoorstroming in de regio in gevaar brengt. Naar het oordeel van de rechtbank levert het door het Waterschap ingeroepen belang van de verkeersveiligheid, daaronder begrepen het belang van een goede bereikbaarheid en verkeersdoorstroming, een zwaarwegend belang op als in artikel 6:168 Burgerlijk Wetboek bedoeld.
Tegenover dat zwaarwegend belang van maatschappelijke aard kan aan het daartegenover staande persoonlijk belang van [eiser] bij het (deels) verwijderen van de weg en het verbieden van strooien van zout, welk belang – zo begrijpt de rechtbank de stellingen van [eiser] – in het bijzonder is gelegen in het voorkomen van toekomstige schade aan de heg – onvoldoende gewicht worden toegekend om toewijzing van deze vorderingen te rechtvaardigen. Immers, naar het oordeel van de rechtbank ligt het niet in de rede het Waterschap te verplichten tot zeer ingrijpende kostbare structurele maatregelen teneinde (verhoudingsgewijs gezien beperkte) schade aan de heg van [eiser] te voorkomen. Een en ander laat echter onverlet het recht van [eiser] op schadevergoeding.
Het strooien van zout
2.18 De vraag die vervolgens ter beantwoording voorligt, is of het Waterschap onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld door in de winter van 1995/1996 op onzorgvuldige wijze zout te strooien op de weg ter plaatse van de percelen van [eiser] (en [getuige 1]). [eiser] stelt in dit verband het volgende. In de winter van 1995/1996 is zout gestrooid vanaf/op de weg lopend over de percelen van [eiser] (en [getuige 1]), althans de strooiwagen is te dicht langs de rand van de weg gereden, althans er is “te breed” en bovenmatig veel gestrooid, althans er is gestrooid zonder maatregelen te treffen om schade te voorkomen. Het Waterschap heeft tijdens de reconstructie van de weg in 1994/1995 ondanks diverse verzoeken daartoe van [eiser] geweigerd over te gaan tot het plaatsen van een gootconstructie strekkende tot opvang en afvoer van zout water afkomstig van het strooien op de weg. Ten gevolge van het zoute water is (een deel van) de heg lopend langs de percelen van [eiser] (en [getuige 1]) afgestorven. Bij gebreke van een gootconstructie kan in de toekomst andermaal schade ontstaan. De schade waarvan vergoeding wordt gevorderd bestaat uit de kosten van het (jaarlijks) bijplanten van de heg en wordt begroot op
€ 15.687,04.
2.19 Het Waterschap betwist dat zij in de winter van 1995/1996 op onzorgvuldige wijze zout heeft gestrooid op de weg ter plaatse van de percelen van [eiser] (en [getuige 1]). Het Waterschap stelt voorts dat het causaal verband tussen het beweerdelijk onzorgvuldig strooien en de gestelde schade ontbreekt. Ten slotte betwist het Waterschap (de hoogte van) de gestelde schade. Subsidiair beroept zij zich op eigen schuld aan de zijde van [eiser] daartoe stellende dat de soort heg die door [eiser] is gepland (te weten haagbeuk) minder zoutresistent is dan andere soorten afscheidingsbegroeiing (bijvoorbeeld haagliguster of coniferen). Als professioneel hovenier had [eiser] daarmee rekening kunnen en moeten houden en een andere soort grensafscheiding moeten kiezen. Door dit na te laten dient de geleden schade voor eigen rekening en risico van [eiser] te blijven.
2.20 Na bewijslevering is vast komen te staan dat het Waterschap onrechtmatig heeft gehandeld door de weg in 1994/1995 zodanig te reconstrueren dat een gedeelte daarvan meer op het terrein van [eiser] (en [getuige 1]) – en mitsdien dichter bij de heg – is komen te liggen. Dit maakt het strooien van zout op dat gedeelte van de verplaatste weg op zichzelf reeds onrechtmatig. De afstand tussen de weg en de heg is na de reconstructie van de weg bovendien kleiner dan ook het Waterschap zelve wenselijk acht. Van een juridisch relevant causaal verband is reeds sprake indien voldoende aannemelijk is dat de gestelde schade niet zou zijn opgetreden indien er niet, althans voldoende zorgvuldig zou zijn gestrooid. Als niet dan wel onvoldoende gemotiveerd weersproken staat vast dat er in de winter van 1995/1996 veelvuldig zout is gestrooid, ook op plaatsen waar de weg na de reconstructie tot minder dan 50 centimeter afstand de heg is genaderd.
Dit, bezien in combinatie met de bij de reconstructie van de weg geplaatste grasbetontegels in de berm, maakt het naar het oordeel van de rechtbank voldoende aannemelijk dat meer restanten van gestrooid zout (met wegstromend water) de heg hebben bereikt en zullen bereiken en rechtvaardigt het feitelijk vermoeden dat het strooien van zout vanaf/op de weg tot schade aan de heg van [eiser] heeft geleid en zal leiden. Daarbij heeft de rechtbank tevens acht geslagen op de resultaten van het in 1996 in opdracht van [eiser] uitgevoerde bodemonderzoek (monstername d.d. 1 november 1996) waarbij een zoutconcentratiegehalte van 1,7 is vastgesteld aan de hand waarvan vervolgens door het bedrijfslaboratorium voor grond- en gewasonderzoek is geconcludeerd dat te verwachten is dat de aanwezige beplanting schade heeft opgelopen als gevolg van een te hoge zoutballast in de grond. Dat bij het afsterven van (een deel van) de heg mogelijk ook andere factoren (bijvoorbeeld de weersomstandigheden en/of de soort afscheidingsbegroeiing) een rol hebben gespeeld dan louter het strooien van zout brengt niet mee dat de gestelde schade ook zou zijn ontstaan indien er niet, althans voldoende zorgvuldig zou zijn gestrooid. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, acht de rechtbank het juridisch relevante causale verband tussen de gestelde schade en het strooien van zout vanaf/op de weg voorshands aanwezig.
2.21 Het Waterschap zal worden toegelaten tot het leveren van tegenbewijs. Tegenbewijs zou kunnen worden geleverd door een deskundigenonderzoek. Indien dit tegenbewijs niet wordt geleverd, staat vast dat het strooien van zout vanaf/op de weg tot schade aan de heg heeft geleid en zal leiden. Alsdan is het aan [eiser] om te bewijzen wat de omvang is van die schade. Voor wat betreft dit laatste aspect is van belang dat [eiser] slechts aanspraak kan maken op vergoeding van schade die het gevolg is van het strooien van zout en niet van schade die het gevolg is van andere factoren, zoals de weersomstandigheden en/of de soort afscheidingsbegroeiing. Zo mogelijk dient de schade als gevolg van het strooien van zout in deze procedure te worden vastgesteld. Ook hieromtrent zou een te benoemen deskundige kunnen adviseren. Daarbij kan dan wellicht tevens worden onderzocht in hoeverre het aanleggen van een gootconstructie of een ander waterafvoersysteem het ontstaan van toekomstige schade als gevolg van het strooien van zout zou kunnen voorkomen dan wel verminderen, alsmede wat de invloed is van het aanleggen van een dergelijk systeem op de verkeersveiligheid en het milieu, in het bijzonder de waterhuishouding, en of het aanleggen van een dergelijk systeem met het oog op de daaraan verbonden kosten in relatie tot de ernst van het probleem een reële oplossing kan worden geacht. Indien na (tegen)bewijslevering komt vast te staan dat het strooien van zout vanaf/op de weg tot schade aan de heg heeft geleid en zal leiden alsmede wat de omvang van die schade is, zal moeten worden bezien of en in hoeverre juist is de stelling van het Waterschap dat een haagbeuk minder zoutresistent is dan andere soorten afscheidingsbegroeiing (zoals een haagliguster of conifeer). Tegenover de gemotiveerde betwisting door [eiser] is het aan het Waterschap, nu zij zich op de rechtsgevolgen daarvan beroept, om bewijs te leveren van die stelling, tot welk bewijs de rechtbank het Waterschap reeds thans zal toelaten. Ook dit bewijs zou kunnen worden geleverd door een deskundigenonderzoek. Indien daarna zou moeten worden geoordeeld dat geen sprake is van eigen schuld aan de zijde van [eiser] ziet de rechtbank aanleiding de vordering van [eiser] tot vergoeding van de schade aan de heg geleden in verband met het strooien van zout toe te wijzen. Eventueel zal de rechtbank een veroordeling tot vergoeding van schade op te maken bij staat uitspreken.
2.22 Het verweer van het Waterschap dat zij niet ingevolge artikel 6:171 Burgerlijk Wetboek aansprakelijk is voor het handelen van het door haar ten behoeve van het verrichten van strooiactiviteiten ingeschakelde particulier bedrijf mist relevantie.
Op zichzelf is juist dat artikel 6:171 Burgerlijk Wetboek niet geldt in de situatie dat de overheid opdrachtgever is. Echter, [eiser] grondt zijn vordering niet op de stelling dat het ten behoeve van het verrichten van strooiactiviteiten ingeschakelde particulier bedrijf onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld of nagelaten. [eiser] ageert uitdrukkelijk uit artikel 6:162 Burgerlijk Wetboek, onder welk artikel het handelen of nalaten van het Waterschap in elk geval te brengen is.
2.23 Mede gezien de omstandigheid dat (tegen)bewijslevering in deze zaak naar het oordeel van de rechtbank niet eenvoudig zal zijn en mitsdien de uitkomst van een en ander allerminst vaststaat, alsmede gelet op de wederzijdse belangen van partijen, waaronder het belang van een spoedige voortgang van de zaak, ziet de rechtbank aanleiding de verdere procedure, waaronder de resterende bewijskwesties, met partijen te bespreken en te bezien of een minnelijke regeling van hun geschil alsnog binnen bereik ligt. De rechtbank zal daartoe een comparitie van partijen te gelasten. De comparitie van partijen kan tevens worden benut voor het plegen van overleg met partijen omtrent het eventueel te gelasten deskundigenonderzoek. Gezien het onderlinge verband en de samenhang tussen de respectieve bewijskwesties als vermeld onder 2.21 komt het de rechtbank vanuit proceseconomisch oogpunt geraden voor om deze bewijskwesties alsdan gelijktijdig voorwerp van onderzoek te doen zijn. Partijen worden verzocht – bij voorkeur na overleg en eenparig – een op voorhand aan de rechtbank toe te zenden uitgewerkt voorstel te doen voor het te gelasten deskundigenonderzoek (aantal en naam/namen van eventueel door de rechtbank te benoemen deskundige(n), deskundigheidsgebied(en), voor te leggen vragen en de uit te spreken bereidheid van een der partijen om het te bepalen voorschot op de kosten en het honorarium van de deskundige(n) te voldoen). [eiser] dient een zoveel mogelijk van bewijsstukken voorziene specificatie over te leggen van de schade die zij sedert 1994 per jaar heeft geleden in verband met de noodzaak tot het (jaarlijks) bijplanten van de heg.
2.24 Alle bescheiden waarop een partij zich ter terechtzitting wenst te beroepen, dienen uiterlijk twee weken vóór de zitting aan de rechtbank en aan de wederpartij te worden toegezonden.
2.25 Indien een partij verhinderd is op de hieronder vermelde datum, dient deze dat binnen twee weken na de uitspraak van dit vonnis bij brief te melden aan de griffie van de rechtbank en daarbij opgave te doen van de verhinderdata van beide partijen voor een periode van drie maanden vanaf dagtekening van die brief.
2.26 De rechtbank zal iedere verdere beslissing aanhouden.
3 De beslissing
De rechtbank,
alvorens verder te beslissen,
beveelt partijen, deugdelijk vertegenwoordigd door iemand die van de zaak op de hoogte is, vergezeld door hun raadslieden te verschijnen in het gebouw van deze rechtbank voor de rechter mr. C. Bouwman, op dinsdag 6 maart 2007 van 13.30 tot 15.00 uur teneinde een schikking te beproeven en tot het geven van inlichtingen;
beveelt dat partijen de hiervoor bedoelde bescheiden uiterlijk twee weken vóór de zitting aan de rechtbank en aan de wederpartij zullen toezenden.
Dit vonnis is gewezen door mr. C. Bouwman.
Uitgesproken ter openbare terechtzitting.
801/1729