vonnis
RECHTBANK ROTTERDAM
zaaknummer / rolnummer: C/10/441344 / KG ZA 13-1424
Uitwerking vonnis d.d. 14 januari 2014 van het (verkort) vonnis in kort geding van 31 december 2013
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
PROCTER & GAMBLE NEDERLAND B.V.,
gevestigd te Rotterdam,
2. de vennootschap naar vreemd recht
PROCTER & GAMBLE DISTRIBUTION COMPANY (EUROPE) BVBA,
gevestigd en kantoorhoudende te Strombeek-Bever (Grimbergen), België,
3. de vennootschap naar vreemd recht
PROCTER & GAMBLE INTERNATIONAL OPERATIONS S.A.,
gevestigd en kantoorhoudende te Genève, Zwitserland,
4. de vennootschap naar vreemd recht
THE PROCTER & GAMBLE COMPANY,
gevestigd en kantoorhoudende te Cincinnati, Ohio, Verenigde Staten van Amerika,
eiseressen,
advocaat mr. W.A. Hoyng te Amsterdam,
de naamloze vennootschap
UNILEVER N.V.,
gevestigd en kantoorhoudende te Rotterdam,
gedaagde,
advocaat mr. R.E. Ebbink te Amsterdam.
Eiseressen zullen hierna gezamenlijk - in vrouwelijk enkelvoud - worden aangeduid als P&G c.s. en - voor zover aan de orde - afzonderlijk als P&G NL, P&G Distribution, P&G International en P&G US. Gedaagde zal hierna worden aangeduid als Unilever.
2 De feiten
2.1.
In een tussen Unilever als eiseres en P&G c.s. als gedaagden gewezen vonnis van 19 december 2013 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag (zaaknummer C/09/450326 / KG ZA 13-1038) is, voor zover thans relevant, het volgende overwogen en beslist:
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
(…)
- de ter zitting gehanteerde pleitnotities van beide partijen, met in de pleitnota van Unilever doorgehaald paragrafen 98 tot en met 114 en het tweede deel (vanaf de tekst “D13 in combinatie met FR 266349) van paragraaf 126, welke niet zijn gepleit. In de pleitnota van P&G zijn doorgehaald de paragrafen 24 (vanaf “B” op p. 11) tot en met 35, 41 onder b, 71 tot en met 87, welke niet zijn gepleit. Ten aanzien van de paragrafen 89 tot en met 113 zij vermeld dat die zodanig geparafraseerd zijn behandeld, dat alleen van paragraaf 112 vaststaat dat die is gepleit. De paragrafen 89 tot en met 111 en paragraaf 113 worden ook
4. De beoordeling
(…)
serieuze, niet te verwaarlozen kans dat EP 172 nietig wordt bevonden of wordt herroepen?
4.15.
P&G heeft een belangrijk deel van haar pijlen in dit kort geding gericht op de geldigheid van het octrooi. Zij meent dat het (Nederlandse deel van het) octrooi nietig is wegens toegevoegde materie, uitbreiding van beschermingsomvang na verlening, niet-nieuwheid en gebrek aan inventiviteit.
4.16.
Vooropgesteld zij dat de in dit kort geding te hanteren maatstaf hierin bestaat of er een serieuze, niet te verwaarlozen kans aanwezig is dat (het Nederlandse deel van) EP 172 in de reeds aanhangige bodemprocedure bij deze rechtbank nietig wordt bevonden of door de Technische Kamer van Beroep van het EOB in de appel procedure wordt herroepen. Bij de beoordeling daarvan wordt van gewicht geacht dat de Oppositie Afdeling bij beslissing van 27 juni 2012 het octrooi, in enigszins gewijzigde vorm, in stand heeft gelaten.
(…)
prioriteit
4.20.
In het midden kan blijven of EP 172 terecht een beroep doet op voorrang vanaf 17 maart 1999. Ook als dat niet het geval zou zijn en uitgegaan wordt van 29 februari 2000 (datum van indiening oorspronkelijke aanvrage) als eerste datum, komt er namelijk - zoals hierna zal blijken - geen aanvullende prior art in beeld (waarvan gemotiveerd gesteld is dat) die de nieuwheid of inventiviteit van het Nederlandse deel van het octrooi aantast.
4.25.
Andere niet-nieuwheidsargumenten zijn niet of onvoldoende gemotiveerd bepleit, reden waarom EP 172 voorshands nieuw moet worden geacht.
(…)
5. De beslissing
5.1.
verbiedt P&G NL, P&G Distribution en P&G International ieder voor zich binnen twee werkdagen na betekening van dit vonnis in Nederland inbreuk te maken op EP 172, meer in het bijzonder door het verkopen en afleveren, en het aanbieden, importeren en in voorraad houden voor deze doeleinden, van Ariel 3-in-1 Pods en Ariel 3-in-1 Pods Colour & Style;
5.2.
bepaalt dat P&G NL, P&G Distribution en P&G International een dwangsom verbeuren van € 5.000,00 per product waarmee, dan wel € 100.000,00 per dag of gedeelte van een dag dat - zulks ter keuze van Unilever - de betreffende gedaagde het onder 5.1. gegeven verbod overtreedt, tot een maximum van € 2.500.000,00;
5.3.
beveelt P&G NL, P&G Distribution en P&G International ieder voor zich binnen zeven werkdagen na de betekening van dit vonnis al hun professionele afnemers in Nederland van Ariel 3-in-1 Pods en Ariel 3-in-1 Pods Colour & Style schriftelijk, met een kopie aan de advocaten van Unilever, te verzoeken alle relevante inbreukmakende producten welke de betrokken afnemers nog op voorraad hebben en alle bijbehorende marketingmaterialen die gedaagden aan hen hebben geleverd, terug te sturen aan de betrokken gedaagden;
5.4.
bepaalt dat P&G NL, P&G Distribution en P&G International een dwangsom verbeuren van € 100.000,00 per dag of gedeelte van een dag dat - zulks ter keuze van Unilever - de betreffende gedaagde niet volledig aan het onder 5.3. gegeven bevel voldoet, tot een maximum van € 2.500.000,00;
5.5.
veroordeelt P&G in de kosten van dit geding, tot op heden aan de zijde van Unilever begroot op € 250.000,00;
5.6.
bepaalt de termijn voor het instellen van een eis in de hoofdzaak als bedoeld in artikel 1019i Rv op zes maanden na dagtekening van dit vonnis;
5.7.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.8.
wijst af wat meer of anders is gevorderd.”
2.2.
Het vonnis van 19 december 2013 is op 20 december 2013 door Unilever betekend.
2.3.
P&G c.s. heeft het hof Den Haag op 20 december 2013 verzocht om een turbo spoedappel en om, ingevolge artikel 351 Rv, de tenuitvoerlegging van het vonnis van 19 december 2013 te schorsen. Het hof heeft beschikt dat P&G c.s. tegen 31 december 2013 mag dagvaarden met grieven, dat Unilever op 14 januari 2014 moet antwoorden en dat pleidooi op 30 januari 2014 plaatsvindt, terwijl behandeling van de incidentele vordering alleen samen en tegelijkertijd met het appel zal plaatsvinden.
4 De beoordeling
In de hoofdzaak
4.1.
Het spoedeisend belang van P&G c.s. bij haar vordering volgt reeds uit de aard van die vordering en is bovendien door Unilever niet betwist.
4.2.
In een executiegeschil kan de voorzieningenrechter de tenuitvoerlegging van een vonnis slechts schorsen, indien hij van oordeel is dat de executant mede gelet op de belangen aan de zijde van de geëxecuteerde die door de executie zullen worden geschaad - geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij gebruikmaking van zijn bevoegdheid tot tenuitvoerlegging over te gaan. Dat zal het geval kunnen zijn indien het te executeren vonnis klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust of indien de tenuitvoerlegging op grond van na dit vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten klaarblijkelijk aan de zijde van de geëxecuteerde een noodtoestand zal doen ontstaan, waardoor een onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard.
4.3.
Het aan het vonnis van 19 december 2013 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag ten grondslag liggende geschil betreft een octrooigeschil.
Kort weergegeven heeft de voorzieningenrechter in dat vonnis geoordeeld dat (een aantal van) P&G c.s. door het in het voorjaar van 2013 in Europa op de markt brengen van het vloeibare wasmiddel in water oplosbare capsules met drie vloeistofcompartimenten genaamd Ariel 3-in-1 Pods (Colour & Style) (hierna: de Ariel Pods) inbreuk maakt op het Europese octrooi EP 1 361 172 (hierna: EP 172) van (o.a.) Unilever op ‘Water soluble package’, verleend op een aanvrage van 29 februari 2000, met een beroep op een prioriteitsdocument GB 9906175 van 17 maart 1999. Het Nederlandse deel van EP 172 staat op naam van Unilever. (Een aantal van) P&G c.s. is in het vonnis van 19 december 2013 op straffe van een dwangsom verboden inbreuk te maken op het octrooirecht EP 172 van Unilever en voorts bevolen om tot een recall van de Ariel Pods over te gaan.
4.4.
In het onderhavige executiegeschil stelt P&G c.s. in de inleidende dagvaarding dat het vonnis van 19 december 2013 op een feitelijke en/of juridische misslag berust, nu de voorzieningenrechter daarin ten onrechte meerdere van haar verweren volledig onbesproken heeft gelaten. Als de voorzieningenrechter deze weren wel had meegenomen in zijn beoordeling was tot een voor P&G c.s. positieve uitkomst van het kort geding gekomen, aldus P&G c.s.
De voorzieningenrechter leest in de dagvaarding dat het alomvattend gaat om één verweer dat ten onrechte niet behandeld zou zijn. Dat verweer houdt samengevat in dat het octrooi EP 172 nietig is wegens gebrek aan nieuwheid. EP 172 zou geen beroep op prioriteit toekomen, waardoor de moederaanvrage de nieuwheid van het octrooi zou wegnemen. P&G c.s. verwijst in dat verband uitdrukkelijk naar paragraaf 7 van de conclusie van antwoord ingediend in het eerdere kort geding (thans door P&G c.s. als productie 5 overgelegd), waarin de inhoud van (o.a. paragrafen 33 tot en met 46 van) de concept nietigheidsdagvaarding (thans door P&G c.s. als productie 6 overgelegd) als overgenomen en ingelast wordt beschouwd, en waarop Unilever bij conclusie van repliek en pleidooi heeft gereageerd, aldus P&G c.s. Zij verwijst voorts naar de ter zitting in het eerdere kort geding gehanteerde paragrafen 24 (vanaf “B” op p. 11) tot en met 35 van de pleitnotities (thans door P&G c.s. als productie 7 overgelegd).
4.5.
In dit kort geding heeft P&G c.s. ter zitting van 31 december 2013, naar de voorzieningenrechter heeft begrepen, de grondslag van haar vordering op het punt van de nietigheid wegens gebrek aan nieuwheid (impliciet) willen aanvullen met feiten en/of omstandigheden die op het eerste gezicht niet aan te merken zijn als ten opzichte van het vonnis van 19 december 2013 opgetreden nova, maar als in het eerdere kort geding gewoonweg niet aan de orde gekomen zijnde feiten en/of omstandigheden. Als een novum heeft in elk geval niet te gelden dat in appel pleidooi is bepaald op 30 januari 2014. P&G c.s. heeft zich ook pas ter zitting beroepen op, zo leest de voorzieningenrechter de woorden van P&G c.s. onder randnummer 48 van haar pleitnotities, een noodtoestand aan haar zijde als hiervoor bedoeld onder 4.2, waardoor een onverwijlde tenuitvoerlegging niet zou kunnen worden aanvaard, en anderszins op misbruik van bevoegdheid/recht (in het kader van een belangenafweging) aan de zijde van Unilever.
Deze pas in een laat stadium van dit kort geding opgeworpen stellingen, welke, gelet op de toets die in een executiegeschil pleegt te worden aangelegd, reeds in de dagvaarding (uitgebreider) aan de orde hadden moeten en kunnen worden gesteld, heeft P&G c.s. evenwel niet geconcretiseerd en met stukken onderbouwd, terwijl Unilever zich daartegen heeft verweerd. De voorzieningenrechter zal deze stellingen van P&G c.s. dan ook passeren.
4.6.
Ter beoordeling ligt mitsdien enkel voor de vraag of sprake is van een juridische of (en niet (ook): en) feitelijke misslag. De voorzieningenrechter beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daartoe als volgt.
4.7.
P&G c.s. heeft zich er meer specifiek op beroepen dat nu de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag in het vonnis van 19 december 2013 haar alomvattende verweer dat het octrooi EP 172 wegens gebrek aan nieuwheid nietig is, niet heeft behandeld en beoordeeld, zulks terwijl daarop door Unilever bij conclusie van repliek en pleidooi is gerespondeerd, sprake is van een juridische misslag. Daarnaast is in de visie van P&G c.s. sprake van een feitelijke misslag nu ten onrechte is geoordeeld dat zij de in haar pleitnotities opgenomen stellingen onder paragrafen 24 (vanaf “B” op p. 11) tot en met 35 niet zou hebben bepleit. Volgens P&G c.s. heeft zij deze paragrafen wel degelijk bepleit teneinde daarmee haar in de conclusie van antwoord gevoerde verweer op het punt van het gebrek aan nieuwheid en het ontbreken van prioriteit te corrigeren, te verduidelijken en ook aan te vullen. In dat verband heeft P&G c.s. thans producties 10 en 11 overgelegd. P&G c.s. bespreekt haar stellingen verder inhoudelijk aan de hand van het materiële octrooirecht.
4.8.
Noodzakelijk voor het oordeel dat sprake is van een juridische of feitelijke misslag is dat geen redelijk denkend jurist kan twijfelen aan de onjuistheid van de verwerping van het verweer van P&G c.s. De bezwaren van P&G c.s. richten zich thans feitelijk en overwegend op de gestelde onvoldoende motivering door de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag in het vonnis van 19 december 2013.
4.9.
Vooropgesteld zij dat (ook) in kort geding de grondbeginselen van een goede procesorde gelden, waartoe behoort dat elke rechterlijke beslissing tenminste zodanig moet worden gemotiveerd dat zij voldoende inzicht geeft in de daaraan ten grondslag liggende gedachtegang om de beslissing zowel voor partijen als voor derden - in geval van openstaan van hogere voorzieningen: de hogere rechter daaronder begrepen - controleerbaar en aanvaardbaar te maken.
4.10.
In het vonnis van 19 december 2013 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag ten aanzien van het gebrek aan nieuwheid - voor zover in het kader van de in dit kort geding geponeerde stellingen van P&G c.s. relevant (overwegingen 4.21-4.24 betreffen een thans niet aan de orde gesteld (deel-)verweer ter zake van nieuwheidsschadelijkheid) - onder 4.25 overwogen dat “(…) Andere niet-nieuwheidsargumenten […] niet of onvoldoende gemotiveerd [zijn] bepleit, reden waarom EP 172 voorshands nieuw moet worden geacht.”. Deze overweging dient te worden bezien in combinatie met hetgeen ten aanzien van de prioriteit is overwogen onder 4.20: “(…) In het midden kan blijven of EP 172 terecht een beroep doet op voorrang vanaf 17 maart 1999. Ook als dat niet het geval zou zijn en uitgegaan wordt van 29 februari 2000 (datum van indiening oorspronkelijke aanvrage) als eerste datum, komt er namelijk - zoals hierna zal blijken - geen aanvullende prior art in beeld (waarvan gemotiveerd gesteld is dat) die de nieuwheid of inventiviteit van het Nederlandse deel van het octrooi aantast.”. Zulks bezien in samenhang met de rechtsoverwegingen 4.15 en 4.16 kan daaruit worden afgeleid dat bij het door P&G c.s. gesteld gevoerde verweer ter zake van het gebrek aan nieuwheid van EP 172, anders dan de nieuwheidsschadelijkheid onder 4.21-4.24 betreffende, vanwege het ontbreken van prioriteit, geacht kan worden te zijn stilgestaan door de Haagse voorzieningenrechter.
Vraag is evenwel of dit in voldoende controleerbare en aanvaardbare mate is geschied. Om dit te kunnen bepalen is mede van belang het antwoord op de vraag hoe - om in de woorden van mr. Hoyng te spreken: - “dodelijk” en essentieel het verweer van P&G c.s. voor het octrooi (van welk verweer P&G c.s. dus stelt dat dit ten onrechte niet is betrokken in de beoordeling in het vonnis van 19 december 2013) geacht kan worden te zijn. Dit vraagt een volledig inhoudelijke toets van het octrooirecht (welke toets in de in artikel 80 van de Rijksoctrooiwet 1995 genoemde gevallen voorbehouden is aan de rechtbank Den Haag). De Rotterdamse voorzieningenrechter wordt in feite gevraagd opnieuw te oordelen over het in Den Haag door een voorzieningenrechter gespecialiseerd in het octrooirecht reeds besliste octrooigeschil, teneinde te kunnen beslissen over de toewijsbaarheid van de thans ingestelde vordering in dit executiegeschil. De voorzieningenrechter dient zich, gelet op het onder 4.2 genoemde toetsingskader, te onthouden van het geven van een dergelijk inhoudelijk oordeel (dan wel van het geven van een prognose van de uitkomst van de reeds door P&G c.s. in Den Haag aangebrachte appelprocedure). De ratio hiervan is dat voorkomen wordt dat een executiegeschil gaat werken als een verkapt appel, doordat de voorzieningenrechter, aan wie in executiegeschillen slechts een uiterst terughoudende rol toekomt, opnieuw moet oordelen over het in de te executeren titel reeds besliste geschil. Dit geldt temeer nu het gaat om de, zoals door beide partijen ook bepleit, specialistische en complexe materie van het (technische) octrooirecht. Feitelijk komt het naar het oordeel van deze voorzieningenrechter erop neer dat P&G c.s. in deze (deels) tracht een verkapt appelprocedure te voeren, waarvoor een kort gedingprocedure zich niet leent.
Blijkens hetgeen is overwogen onder 1.1 in het vonnis van 19 december 2013 mag er bovendien rechtens van worden uitgegaan dat de voorzieningenrechter de inhoud van alle aldaar opgesomde processtukken in zijn beoordeling heeft betrokken, en daarmee ook de in de diverse processtukken opgenomen weren van P&G c.s. op het punt van het gebrek aan nieuwheid en het ontbreken van prioriteit en de inhoudelijk tegenovergestelde respons daarop van Unilever (o.a. in de thans als productie 1 door Unilever overgelegde conclusie van repliek in het eerdere kort geding, randnummers 19 tot en met 29, (zie ook 1.1 en 2.22 in het vonnis van 19 december 2013, hiervoor onder 2.1 niet (geheel) geciteerd)), behoudens die standpunten van partijen die zijn opgenomen in bepaalde ter zitting niet voorgedragen paragrafen van de pleitnotities. Gelet op de discussie daarover tussen partijen valt voor deze voorzieningenrechter, gegeven het partijkader, niet te controleren of P&G c.s. (en ook Unilever) de door de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag buiten beschouwing gelaten passages in de pleitnotities nu wel of niet heeft bepleit. Gelet op de beperkte rol van de executierechter en de beperkte reikwijdte van dit kort geding zal de juistheid van hetgeen in het vonnis van 19 december 2013 daarover is overwogen worden aangenomen. De in dat verband als productie 10A (in combinatie bezien met producties 10A.1 en B) en 11 door P&G c.s. overgelegde verklaringen van de Associate General Counsel - Innovation, Global Fabric & Home Care, van P&G US, L. Lewis, respectievelijk de in het eerdere kort geding mede voor P&G c.s. opgetreden advocaat mr. F.W.E. Eijsvogels zijn, in het licht van de uitdrukkelijke betwisting van Unilever, te weinig (onpartijdig) om dat op dit moment anders te doen zijn. De stelling dat sprake zou zijn van een feitelijke misslag in het vonnis van 19 december 2013 doordat de Haagse voorzieningenrechter aan bepaalde passages in de pleitnotities van P&G c.s. is voorbijgegaan, kan dan ook niet worden aanvaard.
Het standpunt van P&G c.s. dat sprake zou zijn van een evidente juridische misslag, doordat de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag zijn vonnis onvoldoende (volledig) heeft gemotiveerd, kan, in het licht van (al) het vorenstaande, evenmin worden gevolgd. Geen sprake is van een evidente, zó in het oog springende vergissing in het recht dat daarover, zonder nader (inhoudelijk) onderzoek, geen redelijke twijfel kan bestaan. Dit geldt temeer nu P&G c.s. ook wel erkent dat in elk geval tot aan de zitting in het vorige kort geding sprake was van een onvoldoende (correcte) onderbouwing van haar niet-nieuwheidsverweer. Zij stelt immers dat het door haar in de conclusie van antwoord (en derhalve in de concept nietigheidsdagvaarding) gevoerde verweer op het punt van het gebrek aan nieuwheid en prioriteit correctie, verduidelijking en aanvulling behoefde welke argumenten juist in de aangenomen door haar niet-bepleite paragrafen van de pleitnotities waren opgenomen. Dat de voorzieningenrechter in het vonnis van 19 december 2013 tot het oordeel heeft kunnen komen dat andere niet-nieuwheidsargumenten onvoldoende gemotiveerd zijn bepleit komt dan niet vreemd voor en lijkt vooralsnog een voldoende motivering voor een afwijzing van de betrokken argumenten te zijn, terwijl het vonnis tegelijkertijd geacht kan worden voldoende uitvoerig (33 pagina’s) en begrijpelijk te zijn opgebouwd.
Dat P&G c.s. de motiveringen in de rechtsoverwegingen 4.20 en 4.25 van het vonnis van 19 december 2013 (en in het algemeen de uitkomst van het eerdere kort geding) mogelijk niet bevredigt, kan niet tot het oordeel leiden dat sprake is van een aperte misslag. Die opvatting van P&G c.s. dient in het aanstaande hoger beroep bij het (in octrooigeschillen gespecialiseerde) gerechtshof Den Haag te worden besproken; een executiegeschil als het onderhavige (bij een andere dan de in octrooirecht gespecialiseerde Haagse rechter) leent zich daarvoor niet.
Indien en voor zover al wel in meer of mindere mate sprake zou zijn van een onvoldoende (volledige) motivering in het vonnis van 19 december 2013 dan wel van het onterecht buiten beschouwing laten van een aantal paragrafen in de pleitnotities van P&G c.s. dan valt daarenboven nog bepaald niet door deze voorzieningenrechter vast te stellen dat, als daarmee door de Haagse voorzieningenrechter anders was omgegaan, dit, gegeven de geschetste en hier door partijen verder niet bestreden feiten en omstandigheden in het vonnis van 19 december 2013, zou hebben geleid tot de door P&G c.s. gewenste uitkomst in het eerdere kort geding.
4.11.
Nu geen sprake is van een kennelijke misslag komt de voorzieningenrechter niet toe aan de (wel reeds in de inleidende dagvaarding) aan de orde gestelde belangenafweging tussen partijen.
4.12.
Unilever is gerechtigd tot onverminderde tenuitvoerlegging van het vonnis van 19 december 2013. De vordering van P&G c.s. tot schorsing van de executie van dat vonnis wordt afgewezen.
In het incident inzake een provisionele vordering ex artikel 223 Rv
4.13.
Een provisionele vordering op grond van artikel 223 Rv strekt er toe om gedurende de duur van een aanhangig geding voorlopige maatregelen te treffen. Deze vordering dient samen te hangen met de hoofdvordering en eiser dient daarbij voldoende belang te hebben. De voorziening is alleen van kracht totdat einduitspraak is gedaan in de instantie waarin de provisionele vordering is ingesteld.
Gelet hierop en op het hiervoor in de hoofdzaak overwogene is het belang van P&G c.s. bij de provisionele eis tot schorsing van de tenuitvoerlegging tot de uitspraak in de hoofdzaak (dit kort geding) is gedaan, komen te ontbreken. De provisionele vordering zal worden afgewezen.
In het incident en in de hoofdzaak
4.14.
P&G c.s. zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Conform hetgeen tussen partijen is overeengekomen en met inachtneming van het bepaalde in artikel 1019h Rv worden de kosten aan de zijde van Unilever totaal begroot op
€ 20.000,00.
5 De beslissing
De voorzieningenrechter
in het incident inzake een provisionele vordering
5.1.
wijst de vordering af,
5.2.
wijst de vordering af,
in het incident inzake een provisionele vordering en in de hoofdzaak
5.3.
veroordeelt P&G c.s. in de proceskosten, aan de zijde van Unilever tot op heden totaal begroot op € 20.000,00,
5.4.
verklaart dit vonnis wat betreft de totale kostenveroordeling (derhalve in zowel het incident als in de hoofdzaak) uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.F.L. Geerdes, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. G.C.M. van Rheeden, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 31 december 2013. 1734/676