2. De feiten
2.1.
[eisers] hebben met Ra Isolatie & Montage Bedrijf B.V. (hierna: Ra Isolatie) een overeenkomst tot aanneming van werk gesloten voor de bouw van een casco woning voor [eisers] (hierna: de overeenkomst van aanneming).
2.2.
Ra Isolatie is op 16 september 2020 failliet verklaard. [naam gedaagde] was tot de datum van het faillissement (middellijk) bestuurder van Ra Isolatie.
2.3.
In de overeenkomst van aanneming staat, onder andere, het volgende:
Ҥ 3 Vergoedingen
(…)
Als deelbetalingen worden overeengekomen:
Pos.
|
Omschrijvingen
|
Opm.
|
Voor
|
Bedrag
|
Reeds voldaan
|
(…)
|
|
|
|
|
|
22
|
Levering steenstrips
|
|
Materiaal
|
€ 5.650,31
|
|
22.1
|
Bij gereed aanbrengen steenstrips
|
|
Arbeid
|
€ 5.650,31
|
|
(…)
|
|
|
|
|
|
30
|
Bij bestellen binnendeuren, buiten kozijnen en binnen kozijnen
|
|
Materiaal
|
€ 16.950,92
|
|
30.1
|
Na montage binnendeuren, buiten kozijnen en binnen kozijnen
|
|
Arbeid
|
€ 16.950,92
|
|
31
|
Bij bestelopdracht Zinklook producten 60%
|
|
Materiaal
|
€ 10.075,00
|
|
(…)”
2.4.
Voor de uit te voeren werkzaamheden en aan te schaffen materialen hebben [eisers] van Ra Isolatie, onder andere, de volgende facturen ontvangen:
-
Factuur 10108 6 maart 2020 Levering Steenstrips € 5.650,31
-
Factuur 10123 19 maart 2020 Zinklook dak € 10.075,00
-
Factuur 10134 8 april 2020 Kozijnen 1e termijn € 16.950,92
2.5.
Door [eisers] zijn voornoemde facturen voldaan op respectievelijk 6 maart 2020, 26 maart 2020 en 8 april 2020.
2.6.
Op grond van de overeenkomst van aanneming was [eisers] de tweede (en laatste) termijn met betrekking tot de kozijnen verschuldigd na plaatsing van de kozijnen.
2.7.
Op 8 juni 2020 heeft Ra Isolatie aan [eisers] een factuur voor de tweede termijn met betrekking tot de kozijnen gezonden.
2.8.
Op 16 juni 2020 heeft het volgende Whatsapp gesprek tussen Van Heeswijk en [naam gedaagde] plaatsgevonden:
“[[naam gedaagde], rechtbank]: Zou je eens kunnen kijken voor de betaling van de kozijnen, ze worden een beetje zenuwachtig in Polen
[Heeswijk, rechtbank]: Echt? Wat zei jij, wij worden zenuwachtig van jullie? Jij betaalt dus alles van tevoren, dat is toch zeer ongebruikelijk? In de post staat na levering betalen. Ze hebben het al eens zomaar uitgesteld. Als ik het overmaak staat het er de dag erna op. Alles betalen nu heb ik moeite mee. Laat ze even foto’s maken hoever ze zijn ofzo?
[[naam gedaagde], rechtbank]: Ga ik vragen maar dit is een nieuwe partij dus ook van hun uit is er iets voor te zeggen het zou vervelend zijn als ze het straks nog verder naar achter zetten”
2.9.
[eisers] hebben de factuur van 8 juni 2020 voor de tweede termijn met betrekking tot de kozijnen op 17 juni 2020 aan Ra Isolatie betaald.
2.10.
De op 8 april 2020 gefactureerde termijn met betrekking tot de kozijnen is door Ra Isolatie niet doorbetaald aan de leverancier van de kozijnen. De op 8 juni 2020 gefactureerde termijn wel.
2.11.
De op 6 maart 2020 gefactureerde termijn met betrekking tot de steenstrips is niet aan de leverancier doorbetaald.
2.12.
De op 19 maart 2020 gefactureerde termijn met betrekking tot het Zinklook dak is niet aan de leverancier doorbetaald.
3. Het geschil
3.1.
[eisers] vorderen, na wijziging van eis:
“Gedaagde te veroordelen om aan eisers tegen behoorlijk bewijs van kwijting te voldoen:
een bedrag ad € 96.651,64 terzake herstel van reeds onjuist uitgevoerde werkzaamheden.
een bedrag ad € 32.676,23 terzake de aanbetalingen die niet zijn doorgeleid door [naam gedaagde] naar diens leveranciers.
een bedrag ad € 980,47 terzake kosten deskundige,
een bedrag ad € 1.375,-- terzake buitengerechtelijke kosten;”
3.2.
De vorderingen zijn gebaseerd op onrechtmatige daad. [eisers] stellen dat [naam gedaagde] een persoonlijk ernstig verwijt valt te maken, nu hij [eisers] heeft bewogen tot het verrichten van betalingen van in totaal € 32.676,23, onder de voorgewende reden dat daarmee de werkzaamheden zouden kunnen worden voorgezet, dan wel afgerond, terwijl de desbetreffende betalingen niet ten goede zijn gekomen aan de uit te voeren werkzaamheden. Gelet op de korte tijd tussen het ontvangen van de betalingen en het faillissement van Ra Isolatie, wist [naam gedaagde], althans behoorde hij te weten, dat een faillissement van Ra Isolatie aanstaande was. [eisers] lijden daardoor schade ter hoogte van voornoemde betalingen. Daarnaast stellen [eisers] dat [naam gedaagde] anders heeft gebouwd dan contractueel is overeengekomen, nu sprake is van een aanzienlijk aantal gebreken in de werkzaamheden. [naam gedaagde] heeft daarmee toegelaten dat Ra Isolatie haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt. De schade als gevolg daarvan bedraagt € 96.651,64.
3.3.
[naam gedaagde] voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid, dan wel afwijzing van de vorderingen, met veroordeling uitvoerbaar bij voorraad, van [eisers] in de proceskosten. [naam gedaagde] betwist dat hij onrechtmatig jegens [eisers] heeft gehandeld. Volgens [naam gedaagde] is Ra Isolatie in financiële problemen geraakt en heeft een van de schuldeisers plotseling het faillissement van Ra Isolatie aangevraagd, waardoor Ra Isolatie niet in staat is geweest alle op haar rustende verplichtingen uit hoofde van de overeenkomst van aanneming na te komen. [naam gedaagde] kan daar geen persoonlijk ernstig verwijt van worden gemaakt. Ook betwist [naam gedaagde] dat de werkzaamheden niet conform het bestek zijn uitgevoerd en dat hem, als dat wel zo zou zijn, daarvan een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt.
4. De beoordeling
4.1.
[eisers] hebben bij akte hun eis deels vermeerderd en deels verminderd. [naam gedaagde] heeft geen bezwaar gemaakt tegen de eisvermeerdering. [eisers] zijn op de voet van artikel 130 lid 1 Rv, zolang geen eindvonnis is gewezen, in beginsel bevoegd hun eis of de gronden daarvan te veranderen of te vermeerderen. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt de wijziging van eis voldoende uit de stellingen van [eisers], is deze wijziging voldoende duidelijk voor [naam gedaagde] en ook overigens niet in strijd met de eisen van een goede procesorde. De rechtbank zal dan ook recht doen op basis van de onder 3.1 weergegeven eis.
Ten aanzien van de gestelde gebreken
4.2.
Vooropgesteld wordt dat het aan [eisers] is om voldoende feiten en omstandigheden te stellen waaruit blijkt dat [naam gedaagde] onrechtmatig jegens hen heeft gehandeld doordat hij heeft bewerkstelligd of toegelaten dat Ra Isolatie haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet is nagekomen. De rechtbank is van oordeel dat, indien al moet worden aangenomen dat Ra Isolatie de werkzaamheden niet juist heeft uitgevoerd, [eisers] onvoldoende onderbouwd hebben gesteld dat [naam gedaagde] in dat verband een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt. [eisers] hebben niet beargumenteerd welk handelen van [naam gedaagde] met betrekking tot de uitvoering van de werkzaamheden door Ra Isolatie een bestuurdersaansprakelijkheid oplevert en waarom. Dat [naam gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eisers] in dit verband, kan dus niet worden vastgesteld.
4.3.
[eisers] hebben nog uitdrukkelijk aangeboden bewijs te leveren van de omvang van de gebreken. Nu [eisers] op dit punt echter niet aan hun stelplicht hebben voldaan, wordt aan bewijslevering op dit punt niet toegekomen.
4.4.
Gelet op het voorgaande, wordt de vordering van € 96.651,64 afgewezen. Hieruit volgt dat ook de vordering tot betaling van het bedrag van € 980,47 ter zake van “kosten deskundige” wordt afgewezen.
Ten aanzien van de steenstrips
4.5.
Tussen partijen is niet in geschil dat [eisers] de factuur voor ‘levering steenstrips’ (factuur 10108) verschuldigd was bij het plaatsen van de bestelopdracht door [naam gedaagde]. [naam gedaagde] heeft niet betwist dat de betaling van [eisers] op deze factuur niet is doorgeleid aan de leverancier en dat levering (aan [eisers]) niet heeft plaatsgevonden. [naam gedaagde] heeft aangevoerd dat hij de steenstrips wel heeft besteld, maar dat de leverancier niet op tijd heeft kunnen leveren. De leverancier zou de steenstrips in week 10 leveren, maar heeft de levering uitgesteld naar week 23 en in die week is volgens [naam gedaagde] het faillissement van Ra Isolatie uitgesproken.
4.6.
De rechtbank verwerpt dit verweer. Ten eerste heeft [naam gedaagde] bij conclusie van antwoord erkend dat Ra Isolatie op 16 september 2020 failliet is verklaard. Dat is dus niet in week 23, maar ruim drie maanden later. De rechtbank stelt daarnaast vast dat de aan [naam gedaagde] uitgebrachte factuur voor de steenstrips (productie 16 bij akte van [eisers]) dateert van 30 juni 2020. Dat is ruim na beweerdelijke uitgestelde leverdatum in week 23. Tot slot heeft [naam gedaagde] zijn verweer dat de leverancier niet op tijd kon leveren en de levering op grond daarvan is uitgesteld op geen enkele wijze onderbouwd. Dat [naam gedaagde] de factuur ruimschoots (maanden) voordat hij de bestelling voor de steenstrips plaatste al aan [eisers] heeft uitgebracht, heeft [naam gedaagde] aldus onvoldoende gemotiveerd betwist. Gezien wat partijen waren overeengekomen, namelijk dat de steenstrips bij de bestelling (door [naam gedaagde] bij de leverancier) aan [eisers] zouden worden gefactureerd, heeft [naam gedaagde] met het verzenden van de factuur ten onrechte de schijn gewekt die bestelling toen al te hebben geplaatst en daarmee [eisers] tot betaling bewogen. Een dergelijk handelen is in strijd met hetgeen in het maatschappelijk verkeer betamelijk is en dus onrechtmatig. Dat [eisers] als gevolg van dit onrechtmatig handelen schade hebben geleden staat vast, nu niet is betwist dat de door hen wel betaalde steenstrips nooit aan hen zijn geleverd. Het gedeelte van de vordering met betrekking tot de steenstrips (€ 5.650,31) wordt derhalve toegewezen.
Ten aanzien van de kozijnen
4.7.
Tussen partijen is niet in geschil dat op het moment dat door [naam gedaagde] aan [eisers] een betaling van de tweede termijn werd gevraagd, de eerste termijn door Ra Isolatie niet was voldaan aan de leverancier van de kozijnen. Ook staat tussen partijen vast dat levering van de kozijnen pas zou plaatsvinden als de tweede termijn aan de leverancier werd betaald.
4.8.
Uit het in 2.8 weergegeven whatsapp verkeer blijkt dat [naam gedaagde] de indruk heeft gewekt bij [eisers] dat levering zou plaatsvinden bij de tweede betaling, terwijl hij wist, althans behoorde te weten dat dit niet het geval was, nu de eerste termijn niet aan de leverancier van de kozijnen was doorbetaald.
4.9.
De rechtbank is van oordeel dat hieruit volgt dat [naam gedaagde] [eisers] door een valse voorstelling van zaken te geven tot betaling heeft bewogen, wat in strijd is met hetgeen in het maatschappelijk verkeer betaamt en dus onrechtmatig is. [naam gedaagde] is aansprakelijk voor de schade die [eisers] als gevolg van zijn onrechtmatige handelen hebben geleden, zijnde de betaalde extra termijn in verband met de kozijnen. Het gedeelte van de vordering met betrekking tot de kozijnen (€ 16.950,92) wordt dan ook toegewezen.
Ten aanzien van het Zinklook dak
4.10.
Op grond van de overeenkomst van aanneming was Ra Isolatie gerechtigd bij de bestelopdracht een aanbetaling van 60% te factureren aan [eisers] Zoals vermeld in 2.4 heeft [naam gedaagde] de aanbetaling van 60% op 19 maart 2020 gefactureerd. [eisers] stellen dat [naam gedaagde] niet heeft voldaan aan de contractuele verplichting van Ra Isolatie om ten tijde van de facturering de bestelling te plaatsen. [eisers] stellen dat [naam gedaagde] in elk geval niet eerder dan 20 juli 2020 de bestelling heeft geplaatst. Ter onderbouwing daarvan hebben zij een e-mail overgelegd van 20 juli 2020 van [naam gedaagde] aan Zinklook B.V., waarin staat:
“Beste [naam],
Wij hebben een Project in Rosmalen waar ook zinklook op het dak moet, het gaat om ongeveer 120 m2 in de kleur RAL 7021. Zouden jullie een offerte willen opstellen voor ons met de eventuele levertijd en de prijs.”
4.11.
[naam gedaagde] heeft als verweer aangevoerd dat het Zinklook dak aanvankelijk is besteld door Ra Works, een andere vennootschap van [naam gedaagde], maar die kon dat niet betalen, omdat zij in juni 2020 failliet ging. Ook dit verweer is door [naam gedaagde] op geen enkele wijze onderbouwd en de rechtbank gaat daaraan voorbij.
4.12.
Daarnaast heeft [naam gedaagde] niet betwist dat Ra Isolatie de bestelling van het Zinklook dak niet eerder dan 20 juli heeft geplaatst. Door het Zinklook dak echter wel al te factureren aan [eisers], heeft [naam gedaagde] ook hier weer, in het licht van wat partijen waren overeengekomen, ten onrechte de schijn gewekt dat de bestelling al wel was geplaatst en daarmee [eisers] tot betaling bewogen. Net als bij de steenstrips en de kozijnen is een dergelijk handelen in strijd met hetgeen maatschappelijk betamelijk is en is [naam gedaagde] voor de daaruit voortvloeiende schade aansprakelijk. Het gedeelte van de vordering met betrekking tot het Zinklook dak (€ 10.075,00) wordt derhalve toegewezen.
4.13.
Gelet op het voorgaande zal de vordering tot veroordeling van [naam gedaagde] tot betaling van een bedrag van € 32.676,23 worden toegewezen.
Buitengerechtelijke kosten
4.14.
[eisers] maken aanspraak op vergoeding van € 1.375,00 aan buitengerechtelijke incassokosten. De buitengerechtelijke incassokosten zijn betwist. Het is volgens [naam gedaagde] gesteld noch gebleken dat separaat voor vergoeding in aanmerking komende buitengerechtelijke kosten zijn gemaakt. De rechtbank stelt vast, nu dit door [naam gedaagde] is erkend, dat [eisers] de bij dagvaarding overgelegde brief van 23 oktober 2020 aan [naam gedaagde] hebben gezonden. Hieruit blijkt dat er van de zijde van [eisers] incassowerkzaamheden zijn verricht die vergoeding door [naam gedaagde] rechtvaardigen. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten is echter enkel over de vordering van € 32.676,23 toewijsbaar, nu de overige vorderingen worden afgewezen. De rechtbank matigt de buitengerechtelijke kosten dan ook tot een bedrag van € 1.101,76, op basis van de wettelijke regels met betrekking tot buitengerechtelijke incassokosten, uitgaande van een vordering van € 32.676,23 in hoofdsom.
4.15.
Aangezien partijen over en weer deels in het ongelijk zijn gesteld, zullen de kosten van deze procedure tussen hen ingevolge artikel 237 lid 1 Rv worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
4.16.
Uitvoerbaarheid bij voorraadverklaring en (wettelijke) rente zijn in de gewijzigde eis door [eisers] niet meer gevorderd en worden daarom ook niet uitgesproken.
5. De beslissing
De rechtbank
5.1.
veroordeelt [naam gedaagde] om aan [eisers] te betalen een bedrag van € 32.676,23,
5.2.
veroordeelt [naam gedaagde] om aan [eisers] een bedrag te betalen van € 1.101,76,
5.3.
compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.B. Smits en in het openbaar uitgesproken op 29 september 2021.
[3242/3195]