RECHTBANK ROTTERDAM
zaaknummer: 10145200 \ CV EXPL 22-4041
datum uitspraak: 9 februari 2023
Vonnis van de kantonrechter
[eiser01]
, handelend onder de naam [bedrijf01] ,
woonplaats: [woonplaats01] ,
eiser,
gemachtigde: mr. P.H.A. Neuschäfer (DAS Nederlandse Rechtsbijstand Verzekeringsmaatschappij N.V.),
[gedaagde01]
,
woonplaats: [woonplaats02] ,
gedaagde,
gemachtigde: mr. G.W. Boogaard.
De partijen worden hierna ‘ [eiser01] ’ en ‘ [gedaagde01] ’ genoemd.
2.
De feiten
2.1.
[gedaagde01] heeft met [eiser01] een aannemingsovereenkomst gesloten conform de offerte van [eiser01] van 6 oktober 2020. De werkzaamheden zagen op de verbouwing van de garage van [gedaagde01] .
2.2.
Partijen zijn tijdens de werkzaamheden mondeling overeengekomen dat [eiser01] aanvullende werkzaamheden (meerwerk) zou verrichten.
2.3.
Bij factuur van 19 maart 2022 (genaamd: ‘Factuur: van offerte 020-30 en meerwerk’) heeft [eiser01] de laatste termijn van de bij aanvang door partijen overeengekomen werkzaamheden bij [gedaagde01] in rekening gebracht ten bedrage van € 3.543,08 exclusief btw. Tevens heeft [eiser01] bij deze factuur een bedrag van € 6.566,31 exclusief btw in rekening gebracht bij [gedaagde01] met als omschrijving ‘Meerwerk’. [gedaagde01] heeft deze factuur op 13 april 2022 voldaan.
2.4.
Bij factuur van 17 mei 2022 (genaamd: ‘Factuur: van 2e termijn meerwerk’) heeft [eiser01] een bedrag van € 4.000,- exclusief btw (€ 4.840,- inclusief btw) in rekening gebracht bij [gedaagde01] met als omschrijving ‘Arbeid en materialen van meerwerk’.
3.
Het geschil
3.1.
[eiser01] eist samengevat:
- -
[gedaagde01] te veroordelen aan hem te betalen € 4.840,- aan hoofdsom, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 mei 2022 tot aan de dag van volledige betaling;
- -
[gedaagde01] te veroordelen aan hem te betalen € 500,- aan buitengerechtelijke incassokosten;
- -
[gedaagde01] te veroordelen in de proceskosten met rente en de nakosten;
- -
het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
[eiser01] baseert de eis op het volgende. Na het afronden van de werkzaamheden in de woning van [gedaagde01] op of omstreeks 17 maart 2022 heeft [eiser01] een meerwerkoverzicht getoond aan [gedaagde01] . De prijsverhoging in verband met het meerwerk bedroeg € 10.566,31 exclusief btw. Omdat [gedaagde01] van dit bedrag schrok en te kennen gaf het bedrag aan meerwerk niet in één keer te kunnen betalen, is [eiser01] met [gedaagde01] mondeling overeengekomen dat [gedaagde01] een deel van het bedrag (€ 4.000,- exclusief btw, € 4.840,- inclusief btw) later zou voldoen. [gedaagde01] heeft dit bedrag echter niet voldaan.
3.3.
[gedaagde01] is het niet eens met de eis en voert het volgende aan. [gedaagde01] heeft [eiser01] inderdaad verzocht om meerwerk te verrichten, maar hij heeft hiervan nooit een begroting ontvangen van [eiser01] . Toen [gedaagde01] de factuur van 19 maart 2022 ontving met daarop de post ‘Meerwerk’ ten bedrage van € 6.566,31 exclusief btw, ging [gedaagde01] ervan uit dat hij door de betaling van deze factuur het meerwerk had betaald. Het klopt niet dat [gedaagde01] heeft gevraagd om het meerwerk in twee keer te voldoen omdat hij onvoldoende geld had om de factuur te betalen. Het klopt ook niet dat partijen mondeling hebben afgesproken dat [gedaagde01] nog € 4.000,- exclusief btw (€ 4.840,- inclusief btw) later zou betalen.
4.
De beoordeling
4.1.
[eiser01] stelt dat hij na het afronden van zijn werkzaamheden op 17 maart 2022 een meerwerkoverzicht heeft gegeven aan [gedaagde01] en dat hij vervolgens met [gedaagde01] is overeengekomen dat hij een bedrag van € 6.566,31 exclusief btw zou factureren aan [gedaagde01] en dat [gedaagde01] het restantbedrag van € 4.000,- exclusief btw, later zou betalen. [gedaagde01] betwist echter de ontvangst van het meerwerkoverzicht op 17 maart 2022 en de door [eiser01] gestelde betalingsafspraak. Volgens [gedaagde01] heeft hij het meerwerkoverzicht pas op 13 mei 2022 op straat van [eiser01] ontvangen. De door [eiser01] gestelde afspraak strookt volgens [gedaagde01] ook niet met zijn factuur van 19 maart 2022, omdat op die factuur geen voorbehoud wordt gemaakt dat er nog een tweede meerwerkfactuur zou komen.
4.2.
Gelet op de betwisting door [gedaagde01] ligt het op de weg van [eiser01] om zijn stelling te bewijzen, dat hij met [gedaagde01] op 17 maart 2022 heeft afgesproken dat [gedaagde01] een deel van het meerwerk later zou betalen. [eiser01] heeft tijdens de zitting verklaard dat alleen hij en [gedaagde01] bij het maken van deze afspraak aanwezig waren en [eiser01] heeft aangeboden om zichzelf als getuige te laten horen. Een verklaring van een partij kan op grond van artikel 164 lid 2 Rv echter alleen bewijs in het voordeel van die partij opleveren als de verklaring strekt ter aanvulling op onvolledig bewijs. [eiser01] heeft echter geen onvolledig bewijs van de afspraak overgelegd of aangeboden dat over te leggen. Gelet hierop zal ook als [eiser01] zichzelf als getuige laat horen, deze verklaring onvoldoende zijn om als bewijs te dienen voor zijn stelling. [eiser01] wordt daarom niet tot bewijslevering toegelaten. Dit betekent dat de door [eiser01] gestelde afspraak niet is komen vast te staan.
4.3.
Subsidiair stelt [eiser01] dat hij het meerwerk dat op de factuur van 17 mei 2022 is gefactureerd daadwerkelijk verricht heeft, zodat [gedaagde01] veroordeeld moet worden om zijn factuur te betalen. [eiser01] heeft ter onderbouwing verwezen naar het meerwerkoverzicht en hij heeft ter zitting aangeboden om het meerwerk met stukken te onderbouwen. [gedaagde01] betwist de juistheid van het gestelde meerwerk. Volgens hem zijn niet al de op het meerwerkoverzicht opgenomen werkzaamheden meerwerk, omdat deze al zijn opgenomen in de offerte of omdat de werkzaamheden niet door [eiser01] zijn verricht. Een deel van het meerwerk erkent [gedaagde01] wel, maar daarvoor heeft hij al betaald met de factuur van 19 maart 2022.
4.4.
Op grond van artikel 7:755 BW kan de aannemer bij meerwerk slechts dan een verhoging van de prijs vorderen, wanneer hij de opdrachtgever tijdig heeft gewezen op de noodzaak van de daaruit voortvloeiende prijsverhoging, tenzij de opdrachtgever die noodzaak uit zichzelf had moeten begrijpen.
4.5.
[gedaagde01] heeft verklaard dat hij meerdere keren aan [eiser01] heeft gevraagd wat de kosten waren van het meerwerk, maar dat [eiser01] telkens iets zei als: ‘moet ik nog even naar kijken’ en ‘komt wel goed’. Dit is door [eiser01] niet weersproken. Evenmin staat vast dat [eiser01] [gedaagde01] voor het uitvoeren van werkzaamheden die naar zijn oordeel meerwerk waren, steeds op een prijsverhoging heeft gewezen. Daardoor komt het voor risico van [eiser01] dat [gedaagde01] niet steeds behoefde te begrijpen dat bepaalde werkzaamheden tot hogere kosten zouden leiden en dat [gedaagde01] geen reëel inzicht had in de omvang van de concreet te verwachten meerkosten. [eiser01] heeft [gedaagde01] niet naar behoren gewezen op de noodzaak van de uit het meerwerk voortvloeiende prijsverhoging.
4.6.
[gedaagde01] had ook niet uit zichzelf de noodzaak en de omvang van de prijsverhoging door meerwerk behoeven te begrijpen. De offerte bevat weliswaar een omschrijving van de werkzaamheden, maar daarin is niet per post gespecificeerd welke materialen [eiser01] zou gebruiken en wat de werkzaamheden precies omvatten. Gelet hierop is het voor [gedaagde01] niet zonder meer duidelijk welke werkzaamheden die [eiser01] uiteindelijk heeft verricht afwijken van de offerte. Het had op de weg van [eiser01] gelegen om voldoende duidelijkheid te verschaffen over de werkzaamheden en materialen, met daarbij behorende kosten, die binnen de offerte vielen en (alvorens tot meerwerk over te gaan) over de werkzaamheden en materialen, met daarbij behorende kosten, die volgens hem als meerwerk golden. Dat heeft hij niet gedaan. De gevolgen hiervan komen voor rekening en risico van [eiser01] . Het is overigens niet zo dat [gedaagde01] geen bedrag aan meerwerk betaald heeft, want hij heeft een bedrag van € 6.566,31 exclusief btw (factuur van 19 maart 2022) betaald. Gelet op wat hiervoor is overwogen mocht [gedaagde01] erop vertrouwen dat hij met betaling van dit bedrag het door [eiser01] verrichtte meerwerk heeft betaald. Dit betekent dat [eiser01] niet meer in de gelegenheid hoeft te worden gesteld om met stukken aan te tonen dat hij het meerwerk heeft verricht, omdat ook als dat komt vast te staan [gedaagde01] niet hoefde te begrijpen dat dit tot een (verdere) prijsverhoging zou leiden.
4.7.
Er is gelet op wat hiervoor is overwogen geen grond om [gedaagde01] te veroordelen een bedrag van € 4.840,- aan [eiser01] te betalen, zodat de door [eiser01] gevorderde hoofdsom zal worden afgewezen. De hiermee verbonden buitengerechtelijke incassokosten zullen ook worden afgewezen.
4.8.
[eiser01] is de in het ongelijk gestelde partij en zal daarom de proceskosten van [gedaagde01] moeten betalen (artikel 237 Rv). De kantonrechter stelt deze kosten aan de kant van [gedaagde01] tot vandaag vast op € 660,- aan salaris voor de gemachtigde (2 punten x € 330,- per punt). Voor kosten die [gedaagde01] maakt na deze uitspraak moet [eiser01] een bedrag betalen van € 132,- (1/2 punt x € 330,- met maximum € 132,-). Hier kan nog een bedrag bijkomen als de uitspraak wordt betekend. In dit vonnis hoeft hierover niet apart te worden beslist (ECLI:NL:HR:2022:853). De wettelijke rente wordt toegewezen.
4.9.
De proceskostenveroordeling zal uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard (artikel 233 Rv).
5.
De beslissing
De kantonrechter:
5.1.
wijst de vorderingen van [eiser01] af;
5.2.
veroordeelt [eiser01] in de proceskosten die aan de kant van [gedaagde01] tot vandaag worden vastgesteld op € 660,- met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf de vijftiende dag na vandaag tot de dag van volledige betaling;
5.3.
verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.P.M. Jurgens en in het openbaar uitgesproken.
31688