beschikking
RECHTBANK ROTTERDAM
zaaknummer / rekestnummer: C/10/647801 / HA RK 22-1159
Beschikking van 5 april 2023
[verzoekster]
,
wonende te Vlaardingen,
verzoekster,
advocaat mr. M. de Boorder te 's-Gravenhage,
ING BANK N.V.,
gevestigd te Amsterdam,
verweerster,
advocaat mr. D.J. Posthuma te Amsterdam.
Partijen worden hierna [verzoekster] en ING genoemd.
3. De feiten
3.1.
Eind 2017 heeft [verzoekster] een creditcard aangevraagd bij ING met een maandelijkse limiet van € 1.000,-. Vanaf 4 januari 2018 heeft zij de creditcard in gebruik genomen. In de maanden daarna heeft [verzoekster] regelmatig de creditcard met uitgaven belast. De bedragen waarmee de creditcard werd belast werden afgeboekt ten laste van de aan de creditcard gekoppelde betaalrekening van [verzoekster] bij ING.
3.2.
Vanaf januari 2018 tot en met april 2018 heeft ING via de online berichtenomgeving van ING (hierna: de online berichtenomgeving) maandelijks berichten naar [verzoekster] gestuurd over het ongeoorloofd rood staan op haar betaalrekening.
3.3.
Op 7 augustus 2018 heeft ING via de online berichtenomgeving [verzoekster] een BKR-registratie aangezegd indien de roodstand van € 1.973,66 niet binnen twee weken zou worden betaald. Betaling bleef uit en ING heeft vervolgens op 30 augustus 2018 bijzonderheidscode A (een achterstand) in het Centraal Krediet Informatiesysteem (het registratiesysteem van het BKR, hierna: CKI) genoteerd.
3.4.
Op 14 maart 2019 heeft ING een bijzonderheidscode 1 (een betalingsregeling) geregistreerd in het CKI.
3.5.
ING heeft op 24 juni 2019 via de online berichtenomgeving het tekort op de betaalrekening ineens opeisbaar gesteld en een bijzonderheidscode 2 (opeising krediet) geregistreerd in het CKI. Dat leidde niet tot betaling. Vervolgens heeft ING het dossier uit handen gegeven aan incassobureau Flanderijn.
3.6.
[verzoekster] heeft op 18 augustus 2022 een bedrag van € 1.941,50 aan ING betaald. Daarmee heeft ze de op dat moment bestaande schuld in één keer afgelost.
3.7.
[verzoekster] heeft ING op 16 september 2022 verzocht om de BKR-registratie te verwijderen. ING heeft dit verzoek op 27 september afgewezen.
4. De standpunten van partijen
4.1.
Na wijziging van het verzoek verzoekt [verzoekster] – zakelijk weergegeven – de rechtbank om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,
I. primair: ING te bevelen binnen één week de registratie in het CKI met contractnummer 75080704, dan wel alle (bijzonderheids)coderingen op naam van [verzoekster] te (doen laten) verwijderen;
subsidiair: een beslissing te nemen als de rechtbank in goede justitie juist acht;
II. te bepalen dat ING de onder I. genoemde vordering zal voldoen op straffe van een dwangsom ad. € 1.000,- per dag met een maximum van € 25.000,-;
III. ING te veroordelen tot betaling van de kosten van dit geding (inclusief nakosten).
4.2.
[verzoekster] legt het volgende aan haar verzoek ten grondslag. De schuld was relatief laag en is ontstaan in een onstuimige periode van haar leven. Destijds speelden veel persoonlijke problemen en [verzoekster] heeft toen op jonge leeftijd kosten moeten maken om in haar levensbehoeften te voorzien. [verzoekster] is in 2018 de schuld uit het oog verloren en ING heeft haar ook niet meer op de nog bestaande schuld gewezen. [verzoekster] heeft de volledige schuld in 2022 in één keer afgelost toen zij daarvan op de hoogte is geraakt. [verzoekster] zit nu in een totaal andere situatie dan vier jaar geleden. Zij en haar partner hebben beiden inmiddels een stabiele baan zonder schulden en zij hebben samen een jong kind en een tweede kind op komst. [verzoekster] heeft een groot belang bij verwijdering van de BKR-registratie, omdat zij op dit moment in een te kleine woning verblijft van 35m2 met één slaapkamer. [verzoekster] en haar partner wensten een woning in Klaaswaal te kopen. Zij hebben daarvoor een hypotheek aangevraagd die financieel haalbaar was voor hen, maar vanwege de BKR-registratie is de hypotheekaanvraag afgewezen. De huidige woonsituatie is onhoudbaar en niet vol te houden tot 2027 (het jaar waarin de wettelijke registratietermijn van vijf jaar na voldoening van de schuld zal verstrijken).
4.3.
ING concludeert tot afwijzing van het verzoek met veroordeling van [verzoekster] in de kosten van de procedure. Zij voert daartoe het volgende aan. Het algemeen belang van kredietregistratie dient te prevaleren boven de belangen van [verzoekster]. [verzoekster] had in 2018 een onverantwoord uitgavenpatroon, waarbij buitensporig hoge uitgaven werden gedaan aan onder andere kleding en ook cashopnames werden gedaan die geen kosten voor studie of levensbehoeften betroffen. Hierdoor had [verzoekster] een schuld opgebouwd. [verzoekster] was al jaren bekend met deze schuld en ondanks de stabilisering van haar persoonlijke situatie is zij niet tijdig overgegaan tot afbetaling. Zo is [verzoekster] verschillende met haar gesloten betalingsregelingen niet nagekomen en heeft zij niet gereageerd op sommaties van Flanderijn. Pas toen de schuld in de weg stond aan het verkrijgen van een hypothecaire financiering heeft zij de schuld afgelost, namelijk in augustus 2022. De huidige woonsituatie van [verzoekster] is ook niet onhoudbaar. ING heeft daarbij gewezen op de mogelijkheid voor [verzoekster] om een grotere woning te huren.
5. De beoordeling
Het juridisch kader
5.1.
Op grond van artikel 4:32 Wft zijn kredietaanbieders verplicht om deel te nemen aan een stelsel van kredietregistratie. Het stelsel van kredietregistratie wordt verzorgd door het BKR. Het doel van kredietregistratie is tweeledig: enerzijds om consumenten te beschermen tegen overkreditering, anderzijds om aanbieders van krediet te beschermen tegen kredietnemers van wie is gebleken dat zij hun lening niet (kunnen) aflossen. Het krediet wordt geregistreerd voor een termijn van vijf jaar op grond van artikel 14 Algemeen Reglement CKI.
5.2.
De kredietregistratie valt onder de werking van de AVG. Het registreren van het krediet in het CKI is aan te merken als het verwerken van persoonsgegevens in de zin van artikel 4 onder 2 AVG. Volgens vaste rechtspraak moet het verwerken van persoonsgegevens in het CKI voldoen aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit. Dit betekent dat de inbreuk op de belangen van de betrokkene van wie de persoonsgegevens worden verwerkt, niet onevenredig mag zijn in verhouding tot het met de verwerking te dienen doel. Ook mag dit doel in redelijkheid niet op een andere, voor de betrokkene minder nadelige, manier worden verwezenlijkt.
5.3.
Op grond van artikel 21 lid 1 AVG kan een betrokkene (in dit geval [verzoekster]) vanwege haar specifieke situatie bezwaar maken tegen de verwerking van haar betreffende persoonsgegevens op basis van artikel 6 lid 1 f AVG. De verwerkingsverantwoordelijke (in dit geval ING) dient de verwerking van de persoonsgegevens te staken, tenzij zij dwingende gerechtvaardigde gronden aanvoert voor de verwerking die zwaarder wegen dan de belangen, rechten en vrijheden van de betrokkene.
De BKR-registratie en de belangenafweging
5.4.
Na ingebruikname van de creditcard in januari 2018 heeft [verzoekster] in een relatief korte periode een schuld opgebouwd van € 1.973,66. Tussen partijen is niet in geschil dat de BKR-registratie op grond van de ontstane schuld terecht is gedaan.
5.5.
De vraag die nu voorligt is of handhaving van de registratie onder de huidige omstandigheden gerechtvaardigd is. De rechtbank is van oordeel dat dat het geval is en overweegt daartoe als volgt.
5.6.
Voor wat betreft de periode na de BKR-registratie volgt uit de processtukken dat ING met [verzoekster] zowel in 2018 als in 2019 een betalingsregeling heeft getroffen die [verzoekster] niet is nagekomen. [verzoekster] betwist weliswaar dat zij met ING telefonisch betalingsregelingen heeft afgesproken, maar die betwisting heeft zij onvoldoende onderbouwd. Volgens [verzoekster] moet iemand anders zich als haar hebben voorgedaan en namens haar de betalingsregelingen met ING hebben getroffen. Zelf weet zij zich van de periode 2018-2020 niet veel meer te herinneren. Tegenover deze niet onderbouwde betwisting staat de door ING aan [verzoekster] verstuurde digitale berichten van 7 mei 2018 en 14 maart 2019 en de ter zitting gegeven toelichting van de fraudespecialist van ING over de strenge wijze van identificatie bij telefonisch overeengekomen betalingsregelingen, die door [verzoekster] niet is betwist. Bovendien is in april 2019 op de betaalrekening van [verzoekster] een bedrag van € 125,- aan ING betaald, welk bedrag in overeenstemming is met de betalingsregeling zoals die volgt uit het digitale bericht van 14 maart 2019. Ook daarvan betwist [verzoekster] overigens dat zijzelf of iemand namens haar een afboeking op de schuld heeft gedaan. Een haar onbekend persoon zou het bedrag van € 125,- op de rekening [verzoekster] hebben overgemaakt, maar ook dit verweer heeft zij onvoldoende onderbouwd. Aldus wordt vastgesteld dat ING met [verzoekster] twee betalingsregelingen heeft getroffen die, afgezien van voormelde betaling van € 125,- in april 2019, niet tot aflossingen van de schuld hebben geleid. [verzoekster] is beide betalingsregelingen dus niet nagekomen.
5.7.
De schuld die tot de BKR-registratie heeft geleid is pas vrij recent, namelijk in augustus 2022, door [verzoekster] in één keer voldaan. [verzoekster] heeft als reden voor deze late aflossing gegeven dat zij de schuld uit het oog had verloren en dat zij door ING tussentijds niet op de hoogte is gebracht van de nog openstaande schuld. Dit verweer gaat niet op, omdat hiervoor is vastgesteld dat ING met [verzoekster] twee betalingsregelingen heeft afgesproken en er dus contact over het bestaan van de schuld moet zijn geweest. Maar daarnaast is het bovenal de verantwoordelijkheid van [verzoekster] zelf om eventuele schulden voor haarzelf in kaart te brengen en deze af te lossen. Gelet hierop kan de tijdens de mondelinge behandeling aan de orde gekomen kwestie van de twee aanmaningsbrieven van Flanderijn van 13 augustus en 4 september 2020, waarvan ING stelt deze naar het adres van [verzoekster] te hebben verstuurd en waarvan [verzoekster] heeft aangevoerd deze niet te hebben ontvangen, in het midden worden gelaten.
5.8.
Omdat [verzoekster] de met ING gesloten betalingsregelingen niet is nagekomen en daarnaast [verzoekster] de schuld pas vrij recent (augustus 2022) volledig heeft afgelost, is het in beginsel gerechtvaardigd dat de BKR-registratie gehandhaafd blijft.
5.9.
Een belangenafweging leidt ook niet tot het oordeel dat de registratie moet worden verwijderd. Kredietaanbieders dienen terughoudend te zijn met het verstrekken van leningen aan personen die een achterstand hebben laten ontstaan in de aflossing van kredieten. Het doel van de registraties is enerzijds dat consumenten beschermd worden tegen overkreditering en financiële problemen en anderzijds dat financiële instellingen beschermd worden tegen personen die al vrij snel na aanvang betalingsachterstanden hebben laten ontstaan en die gedurende langere tijd hebben laten bestaan. De kredietregistratie dient daarmee een zwaarwegend algemeen belang. Daar tegenover staat het persoonlijke belang van [verzoekster]. De rechtbank onderkent dat de hoogte van de schuld relatief laag is geweest, terwijl de impact van de registratie op [verzoekster] en haar gezin groot is omdat de registratie onder meer in de weg staat aan het verkrijgen van een hypothecaire financiering voor het kopen van een woning. Voor het verkrijgen van een grotere woonruimte voor haar en haar gezin is [verzoekster] echter niet afhankelijk van een koopwoning. Zij kan evengoed op zoek gaan naar een ruimere huurwoning zonder daarbij de financiële last van een hypotheek aan te gaan. [verzoekster] heeft er nog op gewezen dat haar (financiële) situatie inmiddels sinds 2020 stabiel is. Zij heeft omstandigheden aangevoerd die inderdaad op een meer stabiele (financiële) situatie zouden kunnen wijzen, maar dat neemt niet weg dat de schuld pas in augustus 2022 volledig is afgelost. Dit betekent dat de registratietermijn van vijf jaar van artikel 14 Algemeen Reglement CKI (die start vanaf het moment dat de schuld volledig is afgelost) nog maar relatief kort geleden is gestart. Er bestaat daarom nog onvoldoende zekerheid voor kredietverleners dat de financiële situatie van [verzoekster] ook stabiel zal blijven. Dit alles maakt dat het algemene belang van kredietregistratie prevaleert boven het persoonlijke belang van [verzoekster].
5.10.
Gelet op het voorgaande wordt het verzoek van [verzoekster] afgewezen.
5.11.
[verzoekster] wordt als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten veroordeeld. De kosten aan de zijde van ING worden begroot op:
Totaal: € 1.872,00