RECHTBANK 's-GRAVENHAGE
sector civiel recht - voorzieningenrechter
Vonnis in kort geding van 15 maart 2005,
gewezen in de zaak met rolnummer KG 05/123 van:
1. [eiser sub 1],
wonende te [woonplaats],
2. [eiser sub 2],
wonende te [woonplaats],
3. [eiser sub 3],
wonende te [woonplaats],
4. [eiser sub 4],
wonende te [woonplaats],
eisers,
procureur mr. A.J. Sandberg,
advocaat mr. R. Moszkowicz te Nieuwegein,
tegen:
[gedaagde],
zonder bekende woon- en/of verblijfplaats in Nederland,
gedaagde,
procureur mr. W. Taekema,
advocaat mr. G.J. Kemper te Amsterdam.
1. Het verloop van de procedure
Nadat de raadsman van eisers de dagvaarding, met vermelding van een drietal eisers, bij exploten van 11 dan wel 22 februari 2005 heeft doen betekenen, heeft hij bij brief van 24 februari 2005 aan de voorzieningenrechter bericht dat zich nog een drietal andere personen aan zijde van eisers wenst te voegen. Daarbij heeft hij meegedeeld dat van de drie oorspronkelijke eisers er twee zijn afgevallen.
Ter zitting heeft de raadsman van gedaagde desgevraagd verklaard dat hij niet wordt geschaad door wijziging van (het aantal) eisers. Daarom wordt geoordeeld dat toevoeging van de betreffende drie eisers toelaatbaar is.
2. De feiten
Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 1 maart 2005 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
2.1. Eisers zijn moslims.
2.2. Gedaagde heeft onder meer in een aantal interviews en een tweetal boeken: "De Zoontjesfabriek", en "De Maagdenkooi" (gepubliceerd respectievelijk in de jaren 2002 en 2004) uitlatingen gedaan over de bronnen van de islam, te weten de Koran, de leefwijze van de profeet Mohammed en een verzameling uitspraken die aan hem worden toegedicht, de zogenaamde Hadith. Daarnaast heeft zij in het jaar 2004 samen met de in november van het jaar 2004 vermoorde filmmaker Theo van Gogh een film gemaakt: "Submission Part I", waarin het onderwerp onderdrukking van moslimvrouwen centraal staat.
3. De vordering, de gronden daarvoor en het verweer
Eisers vorderen -zakelijk weergegeven-
1. gedaagde te verbieden om in geschrift, film of woord dan wel op enige andere wijze, in het openbaar grievende of beledigende uitlatingen te doen over de islamitische bevolkingsgroep dan wel delen daarvan;
2. gedaagde te verbieden om in geschrift, film of woord dan wel op enige andere wijze, in het openbaar grievende of godslasterlijke uitlatingen te doen over het islamitische geloof en/of de islamitische cultuur en/of de profeet Mohammed, alsmede gedaagde te verbieden zich op voor islamitische gelovigen krenkende wijze uit te laten;
3. gedaagde te verbieden het tweede deel van de film Submission dan wel een film met een soortgelijke inhoud als "Submission Part I" uit te brengen, althans gedaagde te verbieden de film uit te brengen voordat een door uw rechtbank te benoemen deskundige of groep deskundigen heeft geoordeeld dat de film geen voor moslims godslasterlijke en/of grievende en/of beledigende elementen bevat;
4. een beperking of voorwaarde op te leggen op het uitbrengen van de genoemde film;
5. gedaagde te veroordelen om op de voorpagina van twee landelijke dagbladen een rectificatie te plaatsen met de volgende of soortgelijke tekst:
"RECTIFICATIE
In diverse interviews, in mijn essaybundel "De Maagdenkooi" en in de film "Submission Part I", waarvan de tekst door mij is geschreven, heb ik gesteld dat:
De profeet Mohammed een pedofiel zou zijn;
In het dagelijks leven van de moslim de leugen regeert;
De moslimman in het algemeen zijn zinnelijke driften, gelijk een geitenbok, niet zou kunnen beheersen;
Het islamitisch huwelijk gelijk zou staan aan goedgekeurde verkrachting.
Voorts heb ik in diverse publicaties, alsook in de film "Submission Part I" gesuggereerd dat het islamitisch geloof in een rechtstreeks verband zou staan met diverse vormen van vrouwenmishandeling;
De voornoemde uitlatingen en suggesties zijn onnodig grievend voor gewone moslims en zijn bovendien onjuist. Anders dan ik gesuggereerd heb, is er geen rechtstreekse band tussen het islamitische geloof en vrouwenmishandeling. Voorts is mijn stelling dat de profeet Mohammed een pedofiel was, onjuist. In het dagelijkse leven van de gemiddelde moslim is geen sprake van stelselmatige leugenachtigheid. De gemiddelde moslimman is in staat zijn zinnelijke driften te beheersen. Het gemiddelde islamitische huwelijk staat niet gelijk aan goedgekeurde verkrachting.
Het spijt mij dat ik gewone moslims gegriefd of beledigd heb door de hiervoor genoemde uitlatingen;"
één en ander op straffe van een dwangsom indien gedaagde in strijd met deze verboden en veroordeling handelt.
Daartoe voeren eisers onder meer het volgende aan.
De uitlatingen van gedaagde zijn kwetsend, onnodig grievend, generaliserend en druisen in tegen de zorgvuldigheid die in het maatschappelijk verkeer betaamt ten aanzien van de religieuze gevoelens van in Nederland wonende islamieten.
De uitlatingen, die voor eisers en andere gelovige moslims stigmatiserend en godslasterlijk zijn, leiden slechts tot een verdere segregratie en polarisatie binnen de Nederlandse samenleving. De uitlatingen van gedaagde ten aanzien van de profeet Mohammed geven bovendien een onjuist en vertekend beeld van de islam. Daarvan is de islamitische gemeenschap de dupe. Volgens het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) kan de vrijheid van meningsuiting worden beperkt indien de volgende belangen in het geding zijn: de goede naam of rechten van anderen, het voorkomen van wanordelijkheden alsmede de goede zeden. Dergelijke belangen zijn thans aan de orde.
Gedaagde voert gemotiveerd verweer dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.
4. De beoordeling van het geschil
4.1. De vraag is of gedaagde jegens eisers onrechtmatig heeft gehandeld of handelt door in geschrift, film of woord in het openbaar uitlatingen te doen over de islamitische bevolkingsgroep, het islamitische geloof, de islamitische cultuur of over de profeet Mohammed, die door eisers als onnodig grievend, krenkend, godslasterlijk en beledigend worden ervaren.
4.2. Eisers hebben in dat verband met name de volgende door gedaagde gebruikte zinsneden op het oog: de profeet Mohammed is een pedofiel, in het dagelijks leven van de moslim regeert de leugen, de moslimman kan in het algemeen zijn zinnelijke driften -gelijk een geitenbok- niet beheersen en het islamitisch huwelijk staat gelijk aan goedgekeurde verkrachting. Daarnaast gaat het volgens eisers om door gedaagde gehanteerde onjuiste suggesties in diverse publicaties, alsook in de film "Submission Part I" dat het islamitisch geloof in een rechtstreeks verband zou staan met diverse vormen van vrouwenmishandeling.
4.3. Gedaagde heeft aangevoerd dat haar centrale opvatting is dat vrouwenonderdrukking en -mishandeling hun voedingsbodem hebben in het islamitisch denken, dat op zijn beurt weer wordt gevoed door het uitgangspunt dat de islam een praktische handleiding voor het dagelijks leven biedt. Daarbij heeft zij betoogd dat de gruwelijke praktijken van de maagdencultus rechtstreeks voortvloeien uit, en samenhang hebben met, de onder islamieten algemeen verspreide opvatting dat de Koran en de Hadith niet voor interpretatie laat staan voor discussie vatbare regels voorschrijven.
4.4. Tussen partijen is niet in geschil dat de vrijheid van meningsuiting ingevolge artikel 10 EVRM één van de essentiële fundamenten van een democratische samenleving vormt. Eisers stellen evenwel dat ingevolge het bepaalde in artikel 10 lid 2 EVRM (kort gezegd: een eventuele beperking van de vrijheid van meningsuiting moet bij wet zijn voorzien en moet noodzakelijk zijn in een democratische samenleving) onnodig kwetsende uitlatingen zoveel mogelijk vermeden moeten worden. Volgens eisers is daarom een inperking van de uitingsvrijheid van gedaagde op zijn plaats en zelfs noodzakelijk. Daarbij hebben eisers aangevoerd dat artikel 10 EVRM ruimte laat voor lidstaten om de religieuze gevoelens van hun bevolking te beschermen en dat een lidstaat beperkingen kan opleggen aan de verspreiding van materiaal op de grond dat het godslasterlijk is. Daartoe hebben zij zich beroepen op uitspraken van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) in een tweetal zaken (Otto-Preminger Instituut in 1994 en Wingrove in 1996).
4.5. Gedaagde heeft over deze uitspraken aangevoerd dat het Hof in deze zaken heeft geoordeeld over de concrete omstandigheden van een geval ter zake van het handhaven van wettelijke voorschriften in respectievelijk Oostenrijk en Engeland. Volgens gedaagde kan uit deze uitspraken niet worden afgeleid dat in de onderhavige zaak de vrijheid van meningsuiting beperkt dient te worden. Gedaagde heeft daarnaast betoogd dat het tweede lid van artikel 10 EVRM slechts ziet op een beperkt aantal gevallen waarin het de Staat is toegestaan om de vrijheid van meningsuiting te beperken.
4.6. De vraag is hoe artikel 10 lid 2 EVRM verstaan dient te worden. Uit de rechtspraak van het EHRM komt in het algemeen naar voren dat het Hof groot belang hecht aan de bescherming van de vrijheid van meningsuiting. Slechts in uitzonderlijke gevallen wordt het nodig geacht om verbodsbepalingen te handhaven of sancties op te leggen. Daarnaast blijkt uit de betreffende jurisprudentie dat het EHRM het uitgangspunt huldigt dat de vrijheid van expressie en informatie een noodzakelijke pijler vormt voor een democratische samenleving, waarin plaats moet zijn voor meningen, denkbeelden en informatie die hinderlijk kunnen zijn voor de overheid of voor bepaalde groepen in de samenleving. Dat voor een politica, zoals gedaagde, andere regels zouden gelden is voorshands niet gebleken.
4.7. De vraag is vervolgens of de in het geding zijnde uitlatingen van gedaagde behoren tot de hierboven bedoelde uitzonderlijke gevallen.
4.8. Eisers hebben gesteld dat de uitlatingen van gedaagde een generaliserende strekking hebben die een bevolkingsgroep stigmatiseren. Gedaagde heeft daartegenover als verweer aangevoerd dat de uitlatingen in de context waarin zij zijn gedaan moeten worden beschouwd.
Voorshands wordt gedaagde op dit punt gevolgd in haar verweer. Indien de uitlatingen van gedaagde uit het verband worden gehaald waarin zij zijn gedaan, zoals eisers doen, gaan de uitlatingen een eigen leven leiden en valt dit gedaagde niet aan te rekenen. Eisers hebben ook niet aannemelijk gemaakt dat gedaagde bewust het oogmerk heeft gehad om eisers te kwetsen, te beledigen of godslasterlijke uitlatingen te doen over het islamitische geloof. Indien eisers dat wel zo (hebben) ervaren, kan dat niet zonder meer aan gedaagde worden tegengeworpen.
4.9. Van belang is ook om steeds te bezien in welke situatie en in welk verband gedaagde kritiek uit op misstanden die zij veelal zelf of in haar omgeving heeft ervaren. Gedaagde kiest in het kader van haar strijd tegen de vrouwenonderdrukking en -mishandeling bewust voor een methode die prikkelt en aanzet tot een debat over hervorming van de islam. Enerzijds is van belang dat een zekere mate van overdrijving daarbij niet zonder meer ongeoorloofd is. Anderzijds dient gedaagde bij de woordkeuze een zekere mate van prudentie in acht te nemen en de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit niet uit het oog te verliezen. Voorshands is echter niet gebleken dat de handelwijze van gedaagde, meer in het bijzonder de door eisers hiervoor onder 4.2 bedoelde zinsneden, tot nu toe jegens eisers onrechtmatig is. Daarbij is het wel de vraag of het nodig was om de woorden "pedofiel" en "pervers" te gebruiken. Deze woorden heeft gedaagde gehanteerd in verband met het verhaal dat de profeet Mohammed een negenjarig meisje 'Aisha' heeft gehuwd. Eisers zijn, naar hun zeggen, hierdoor diep in hun religieuze gevoelens gekwetst. Hierover wordt het volgende overwogen.
4.10. Het lijkt erop dat gedaagde met het gebruik van deze woorden de grenzen heeft opgezocht van wat nog toelaatbaar te achten is. De term "pedofiel" is ongelukkig gekozen nu dit minst genomen een patroon vereist, terwijl het in het verhaal gaat om een eenmalige gebeurtenis. Bovendien wordt door gebruik van dit woord met zijn huidige connotatie een situatie van eeuwen geleden beoordeeld. Gedaagde heeft deze termen één dan wel hoogstens een enkele maal gebruikt. Daarmee is zij in het kader van de haar toegestane overdrijving binnen de grenzen van het toelaatbare gebleven. Het is echter de vraag of een veelvuldig gebruik van deze of soortgelijke woorden nog wel zal vallen binnen de grenzen van de proportionaliteit en subsidiariteit. Hoewel gedaagde heeft aangevoerd dat het gebruik van deze termen precies illustreert dat de Koran géén praktische
handleiding is voor het dagelijkse leven, wordt geoordeeld dat zij deze zienswijze ook op andere (doeltreffender) wijze en met betere bewoordingen kan illustreren.
Dat gedaagde in een recent interview nog zou hebben verklaard dat zij deze uitspraken over de profeet nooit terug zal nemen, impliceert niet zonder meer dat gedaagde van plan is doelbewust de woorden "pervers" en "pedofiel" veelvuldig en los van de context te gebruiken. Op grond van het voorgaande is vooralsnog niet gebleken van onrechtmatig handelen jegens eisers. Het gevraagde verbod of rectificatie van deze woorden zal daarom thans niet worden toegewezen.
4.11 Of gedaagde zich schuldig heeft gemaakt aan smalende godslastering als bedoeld in artikel 147 Wetboek van Strafrecht is in deze civiele procedure niet aan de orde, daarover wordt in deze zaak dan ook geen oordeel gegeven.
4.12. Eisers hebben niet met argumenten betwist dat de door gedaagde gebruikte Koranteksten, bijvoorbeeld in de film Submission Part I, onjuist zijn. Eén van de door gedaagde overgelegde Koranteksten (4:34) luidt bijvoorbeeld als volgt:
"Mannen zijn voogden over de vrouwen omdat Allah de enen boven de anderen heeft doen uitmunten en omdat zij van hun rijkdommen besteden. Deugdzame vrouwen zijn dus zij, die gehoorzaam zijn en heimelijk bewaren, hetgeen Allah onder haar hoede heeft gesteld. En degenen, van wie gij ongehoorzaamheid vreest, wijst haar terecht en laat haar in haar bedden alleen en tuchtigt haar. Als zij u dan daarna gehoorzamen, zoekt geen weg tegen haar. Waarlijk, Allah is Verheven, Groot."
Eisers hebben het bestaan van deze tekst niet betwist. Daarnaast hebben eisers niet aannemelijk gemaakt dat er geen verband zou kunnen zijn tussen het letterlijk nemen van bepaalde teksten in de Koran en onderdrukking van islamitische vrouwen. Het betoog van de raadsman van eisers ter zitting dat de Koranteksten in hun tijd moeten worden gezien en dat in deze tijd ook niet meer het principe van oog om oog en tand om tand geldt, laat onverlet dat niet alle islamgelovigen de door de raadsman van eisers bedoelde ontwikkeling al hebben doorgemaakt. Daarbij hebben eisers desgevraagd niet betwist dat de positie van de islamitische vrouw in een zekere mate wordt beïnvloed door de Koran. Gedaagde heeft in dit verband naar voren gebracht dat dé islam niet bestaat en dat er evenveel islams als moslims zijn, maar dat al die verschillende moslims gemeenschappelijk hebben dat de basisprincipes van de islam niet bekritiseerd mogen worden. In de visie van gedaagde botsen deze basisprincipes, aangevuld met oude gewoonten van specifieke etnische groepen, met elementaire waarden en normen van de Nederlandse samenleving. Geoordeeld wordt dat deze door gedaagde verwoorde visie niet onrechtmatig is jegens eisers. Dit geldt ook voor de wijze waarop zij (Koranteksten in) de film Submission Part I gestalte heeft gegeven.
4.13. Alleen al gelet op het bovenoverwogene is er onvoldoende aanleiding om gedaagde te verbieden nog eens een film als Submission Part I uit te brengen. Voor het benoemen van een groep deskundigen of het opleggen van beperkingen of voorwaarden op het uitbrengen van die film zoals eisers hebben gevorderd is evenmin plaats.
4.14. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat gedaagde niet onrechtmatig heeft gehandeld jegens eisers. Daarom zal de vordering worden afgewezen. Eisers zullen, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.
5. De beslissing
De voorzieningenrechter:
wijst de vordering af;
veroordeelt eisers in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van gedaagde begroot op € 1.060,--, waarvan € 816,-- aan salaris procureur en € 244,-- aan griffierecht.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.J. Paris en uitgesproken ter openbare zitting van 15 maart 2005 in tegenwoordigheid van de griffier.
AB