uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 november 2022 in de zaak tussen
[belanghebbende]
, uit [plaats] , belanghebbende,
en
de inspecteur van de belastingdienst, de inspecteur.
1 Inleiding
1.1.
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 2 juli 2021.
1.2.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een verzuimboete van € 68 opgelegd wegens het niet tijdig indienen van de aangifte omzetbelasting over het tijdvak 1 januari 2020 tot en met 31 december 2020 (hierna: de boetebeschikking).
1.3.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende tegen de boetebeschikking ongegrond verklaard.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 28 oktober 2022 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: belanghebbende. De inspecteur was niet aanwezig.
De inspecteur is, zonder kennisgeving aan de rechtbank, niet verschenen. De inspecteur is door de griffier bij aangetekende brief, verzonden op 18 augustus 2022, onder vermelding van plaats en tijdstip, uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. Uit de informatie van PostNL is niet af te leiden dat de uitnodiging om op de zitting te verschijnen is bezorgd. De griffier heeft deze informatie voorafgaand aan de zitting geraadpleegd en telefonisch contact gehad met de inspecteur op 24 oktober 2022. De inspecteur heeft telefonisch medegedeeld dat de uitnodiging om op de zitting te verschijnen is ontvangen. De rechtbank is daarom van oordeel dat de uitnodiging om op de zitting te verschijnen op juiste wijze en tijdig is aangeboden aan de inspecteur.
2 Feiten
2.1.
Belanghebbende exploiteert onder de handelsnaam " [eenmanszaak] " een onderneming in de vorm van een eenmanszaak.
2.2.
Het tijdvak waarover belanghebbende omzetbelasting moet aangeven en voldoen is het kalenderjaar. Belanghebbende is bij brief van 31 december 2020 en via een digitaal bericht van 19 december 2020 in zijn persoonlijk domein van de Belastingdienst uitgenodigd tot het doen van aangifte over het tijdvak 1 januari 2020 tot en met 31 december 2020. De datum voor uiterste indiening is 31 maart 2021.
2.3.
Belanghebbende heeft op 10 april 2021 een nihilaangifte omzetbelasting over het tijdvak 1 januari 2020 tot en met 31 december 2020 ingediend.
3 Beoordeling door de rechtbank
3.1.
De rechtbank beoordeelt of de verzuimboete wegens het niet tijdig doen van de aangifte terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd. Daarnaast beoordeelt de rechtbank of het motiveringsbeginsel is geschonden. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
3.2.
De rechtbank is van oordeel dat de verzuimboete terecht en tot het juiste bedrag aan belanghebbende is opgelegd. Wel is het motiveringsbeginsel geschonden. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Heeft de inspecteur het motiveringsbeginsel geschonden?
3.3.
Belanghebbende heeft in beroep geklaagd over de motivering van de uitspraak op bezwaar. Hij voert aan dat de inspecteur geen afweging heeft gegeven en ten onrechte niet is ingegaan op zijn standpunten en aangedragen omstandigheden. In zijn bezwaarschrift had belanghebbende de volgende gronden aangevoerd:
-
de gehanteerde naam ‘ [bedrijf] ’ is niet juist;
-
2020 is vanwege de COVID-19 pandemie een moeilijk jaar geweest, ik heb geen omzet gehad en hoefde derhalve ook geen omzetbelasting te betalen;
-
bij een poging in maart 2021 om de aangifte omzetbelasting digitaal in te dienen kreeg ik een foutmelding;
-
ik heb geen waarschuwing gehad, maar blijkbaar ben ik 10 dagen te laat met het indienen van de aangifte omzetbelasting over het jaar 2020;
-
in het verleden heb ik altijd netjes, tijdig aangifte omzetbelasting gedaan.
-
ik verzoek u om met het voorgaande rekening te houden en de boete in te trekken.
3.4.
In de uitspraak op bezwaar heeft de inspecteur de volgende motivering opgenomen: “De inspecteur komt niet aan het bezwaar tegemoet. De naheffingsaanslag is terecht opgelegd omdat u (gedeeltelijk) niet binnen de daarvoor gestelde termijn aan de verplichtingen heeft voldaan. Als u het niet eens bent met de uitspraak op het bezwaarschrift, kunt u ertegen in beroep gaan bij de rechtbank. Bij welke rechtbank u een
beroepschrift moet indienen, leest u op de achterkant van dit biljet.”
3.5.
Op grond van artikel 7:12, eerste lid, van de Awb dient een uitspraak op bezwaar te berusten op een deugdelijke motivering. Dit vereiste houdt niet in dat de inspecteur in de uitspraak op bezwaar op alle door belanghebbende aangevoerde gronden in bezwaar moet ingaan, maar hij moet wel voldoende inzicht geven in de argumenten die hem hebben gebracht tot het ongegrond verklaren van het bezwaar. Gelet op de formulering van de uitspraak op bezwaar viel voor belanghebbende niet af te leiden welke afwegingen de inspecteur heeft gemaakt. Het motiveringsbeginsel is dan ook geschonden.
3.6.
Dit motiveringsgebrek kan echter niet leiden tot het door belanghebbende beoogde rechtsgevolg dat de boete moet worden vernietigd. Het hoeft immers niet te betekenen dat de boete ten onrechte is opgelegd en de geconstateerde gebreken kunnen in beroep worden hersteld. In dit geval is de inspecteur in zijn verweerschrift meer uitgebreid op de gemaakte afwegingen en de standpunten van belanghebbende ingegaan en heeft belanghebbende daarop kunnen reageren. Gelet hierop is belanghebbende door het motiveringsgebrek niet benadeeld, en zal de rechtbank met toepassing van artikel 6:22 van de Awb aan het gesignaleerde gebrek voorbijgaan. Wel ziet de rechtbank in de schending van het motiveringsbeginsel aanleiding om een proceskostenvergoeding toe te kennen en het griffierecht te vergoeden.
Is de verzuimboete terecht en tot het juiste bedrag opgelegd?
3.7.
Aan de belastingplichtige die de aangifte omzetbelasting niet binnen de in artikel 10 van de AWR bedoelde termijn heeft gedaan, kan een verzuimboete worden opgelegd van maximaal € 136.1 Ter zake van een aangifteverzuim betreffende omzetbelasting legt de inspecteur in beginsel een verzuimboete op van vijftig procent van het wettelijk maximum.2
3.8.
Vast staat dat belanghebbende niet tijdig aangifte heeft gedaan. De verzuimboete is in beginsel dan ook terecht aan belanghebbende opgelegd. Opzet of schuld is niet vereist voor het opleggen van een verzuimboete. Wel moet een boete achterwege blijven bij afwezigheid van alle schuld (avas).
3.9.
Belanghebbende stelt dat er een storing is geweest in maart 2021 toen hij de aangifte omzetbelasting wilde indienen. Ter zitting heeft belanghebbende verklaard dat hij op een later moment in maart 2021 niet opnieuw een poging heeft gedaan om de aangifte in te dienen.
3.10.
De rechtbank oordeelt dat er geen sprake is van avas. Een storing in het systeem van de Belastingdienst op het moment dat belanghebbende een poging doet tot het indienen van de aangifte omzetbelasting is in dit geval geen rechtvaardiging om de aangifte te laat in te dienen. Belanghebbende heeft zelf verklaard dat hij op een later tijdstip in dezelfde maand geen nieuwe poging heeft gedaan. Ook is niet gesteld of gebleken dat de storing de gehele maand maart heeft voortgeduurd. De boete is dan ook terecht opgelegd.
3.11.
De rechtbank ziet in de overige door belanghebbende aangevoerde gronden geen aanleiding om de boete te vernietigen dan wel te verlagen. Een verzuimboete van € 68 acht de rechtbank in dit geval niet disproportioneel voor het verzuim van het niet doen van een tijdige aangifte. In dat kader overweegt de rechtbank dat een verzuimboete als prikkel dient om aan aangifteverplichtingen te voldoen en dat deze onafhankelijk is van de hoogte van het bedrag van de verschuldigde belasting. De rechtbank acht de verzuimboete dan ook passend en geboden.
4 Conclusie en gevolgen
Het beroep is ongegrond. Omdat het motiveringsbeginsel is geschonden moet de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende vergoeden en krijgt belanghebbende ook een vergoeding van zijn proceskosten. De inspecteur wordt op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht veroordeeld voor de door belanghebbende gestelde proceskosten, te weten de reis- en verletkosten, tot een bedrag van € 105 (afgerond), bestaande uit een bedrag van € 25,34 voor reiskosten gebaseerd op tweede klas openbaar vervoer en € 79,50 voor verletkosten.
5 Beslissing
De rechtbank:
-
verklaart het beroep ongegrond;
-
veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 105 aan proceskosten aan belanghebbende;
-
bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 181 aan belanghebbende moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van mr. E.A.D. Dockx, griffier, op 18 november 2022 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR).
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,
5201 CZ ’s-Hertogenbosch.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd. 2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de gronden van het hoger beroep.
Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.