Overwegingen
1. Eiseres is geboren op [geboorte datum] en heeft de Rwandese nationaliteit. Op 12 juli 2001 is aan haar een verblijfsvergunning regulier verleend onder de beperking ‘verblijf als alleenstaande minderjarige vreemdeling’.1 Met ingang van 31 mei 2019 heeft eiseres rechtmatig verblijf op grond van een EU-vergunning voor langdurig ingezetenen. Op 11 juni 2020 heeft eiseres een verzoek om naturalisatie tot Nederlander ingediend.
2. Bij het primaire besluit, gehandhaafd bij het bestreden besluit, heeft verweerder dit verzoek afgewezen. Daaraan heeft verweerder ten grondslag gelegd dat eiseres geen geldig buitenlands reisdocument (paspoort) heeft overgelegd. Daarmee is niet voldaan aan het bepaalde in artikel 7 van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN) en de toelichting op dit artikel in de Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 (Handleiding). Ook is niet gebleken dat eiseres in bewijsnood verkeert om een geldig paspoort over te leggen. Tot slot valt eiseres niet onder de reikwijdte van de beleidswijziging die in werking is getreden voor (voormalige) houders van een Ranov2-vergunning.
3. Eiseres kan zich niet verenigen met het bestreden besluit. Zij persisteert in haar standpunt dat de regeling voor vrijstelling van het paspoortvereiste, zoals deze geldt voor de vreemdelingen die in het bezit zijn gesteld van een verblijfsvergunning op grond van de Ranov, analoog op haar moet worden toegepast. Het niet analoog toepassen van deze vrijstelling is in strijd met het evenredigheidsbeginsel. Ter onderbouwing verwijst eiseres naar de conclusie van staatsraad Advocaat-Generaal Widdershoven van 18 mei 20223 en de brief van verweerder aan de voorzitter van de Tweede Kamer van 7 juli 2021,4 waaruit volgens eiseres volgt dat de ratio voor de vrijstelling van het paspoortvereiste voor de vreemdelingen die vielen onder het generaal pardon onverkort op haar van toepassing is. Daarnaast voert eiseres aan dat de tegenwerping van het paspoortvereiste in haar specifieke geval niet evenredig is. In dit verband verwijst eiseres naar de uitspraak van de Afdeling5 van 2 februari 2022.6 Verweerder had moeten toetsen aan het Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel, omdat het onthouden van het Nederlanderschap ook het onthouden van het burgerschap van de Europese Unie inhoudt. Verder wijst eiseres op problemen met de feitelijke toegang tot Rwanda. Tot slot is eiseres van mening dat zij ten onrechte niet is gehoord in de bezwaarfase. Ter onderbouwing verwijst eiseres naar de Memorie van Toelichting bij de Algemene wet bestuursrecht (Awb),7 en een uitspraak van de Afdeling8 waaruit volgt dat het afzien van horen in de bezwaarfase geen gebrek is dat met toepassing van artikel 6:22 van de Awb gepasseerd kan worden.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. Op grond van artikel 7 van de RWN wordt het Nederlanderschap verleend met inachtneming van de bepalingen van Hoofdstuk 4 van deze wet.
Op grond van artikel 23, eerste lid, van de RWN kunnen nadere regels worden gesteld ter uitvoering van de wet. Deze nadere regels staan in het Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap (BvvN).
Op grond van artikel 31, eerste lid, aanhef en onder a, b, en e van het BvvN verstrekt de verzoeker bij de indiening van een naturalisatieverzoek gegevens met betrekking tot: geslachtsnaam en voornamen, geboortedatum, geboorteplaats en geboorteland, en nationaliteit.
Op grond van het vijfde lid kan worden verlangd dat de verzoeker de juistheid van de verstrekte gegevens bewijst door middel van zo nodig gelegaliseerde en eventueel inhoudelijk geverifieerde documenten.
Volgens het beleid van verweerder, neergelegd in de Handleiding, meer specifiek paragraaf 3.5.5., is de houder van een reguliere verblijfsvergunning op grond van artikel 7 van de RWN en de lagere regelgeving, als hoofdregel verplicht om bij het indienen van een naturalisatieverzoek zijn identiteit en nationaliteit aan te tonen. Dit moet hij doen met een gelegaliseerde of van een apostillestempel voorziene geboorteakte alsmede met een geldig buitenlands paspoort. Van deze hoofdregel wordt afgeweken als sprake is van bewijsnood dan wel als het in het individuele geval onevenredig zou zijn om vast te houden aan de hoofdregel.
5. Het betoog van eiseres dat verweerder had moeten toetsen aan het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat een verzoek om naturalisatie door een persoon die niet de nationaliteit van een lidstaat van de Europese Unie heeft, niet binnen de werkingssfeer van het Unierecht valt. Een dergelijk verzoek betreft een volledig interne situatie en houdt geen verband met het gemeenschapsrecht.9
6. In wat eiseres heeft aangevoerd ziet de rechtbank wel aanleiding om te toetsen of het nationaalrechtelijke evenredigheidsbeginsel is geschonden. Deze toetsing is in dit geval aan de orde omdat verweerders beleid, neergelegd in paragraaf 3.5.5. van de Handleiding, voorschrijft dat van de hoofdregel wordt afgeweken als het in het individuele geval onevenredig zou zijn om aan die hoofdregel vast te houden. Concreet dient in dit geval beoordeeld te worden of in het geval van eiseres had moeten worden afgeweken van de hoofdregel dat een geldig buitenlands paspoort moet worden overgelegd.
7. In dit geval kon verweerder rekening houden met het vrijstellingsbeleid dat sinds 1 november 2021 geldt voor Ranov-vergunninghouders, aangezien het primaire besluit dateert van 24 november 2021.10 De enkele stelling in het verweerschrift dat eiseres geen Ranov-vergunning heeft gekregen, maakt niet dat verweerder geen rekening hoefde te houden met het nieuwe beleid. Verweerder had dit beleid immers naar analogie voor eiseres kunnen toepassen. Eiseres verblijft al sinds 1999 in Nederland. Zij heeft toen vergeefs asiel aangevraagd en uiteindelijk heeft zij een reguliere verblijfsvergunning gekregen. In zoverre verschilt haar situatie dan ook niet wezenlijk van die van Ranov-vergunninghouders. Eiseres had echter geen Ranov-vergunning nodig, omdat zij al een AMV-vergunning had gekregen. Het doel van de beleidswijziging voor Ranov-vergunninghouders is het opheffen van het gebrek aan perspectief op de Nederlandse nationaliteit bij langdurig in Nederland gevestigde personen.11 Ook bij eiseres ontbreekt dat perspectief als vastgehouden wordt aan de voorwaarde dat een geldig buitenlands paspoort overgelegd dient te worden. De rechtbank wijst verder naar de door eiseres benoemde angst om naar haar land van herkomst af te reizen. In dit verband is van belang dat in de brief van verweerder van 7 juli 2021 over het onderzoek naar mogelijke belemmeringen die Ranov-vergunninghouders ondervinden bij naturalisatie, de angst om naar het land van herkomst af te reizen specifiek wordt benoemd als een praktische belemmering om relevante documenten te verkrijgen.12 Daarbij komt dat eiseres wel een echt bevonden gelegaliseerde geboorteakte heeft overgelegd. Het ligt dan ook op de weg van verweerder om nader te motiveren waarom voor eiseres geen vrijstelling kan gelden, maar dat heeft hij nagelaten. In zoverre is het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd en in strijd met artikel 7:12 van de Awb.
8. De wettelijke plicht om een vreemdeling in de bezwaarfase te horen volgt uit artikel 7:2 van de Awb. Van horen kan worden afgezien om een aantal redenen, die uitputtend zijn beschreven in artikel 7:3 van de Awb. Op grond van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb mag verweerder van het horen in bezwaar afzien als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat het bezwaar niet kan leiden tot een andersluidend besluit.
9. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat er geen twijfel over mogelijk was dat het bezwaar niet kon leiden tot een andersluidend besluit. Verweerder heeft dan ook ten onrechte afgezien van het horen van eiser. De hoorplicht is geschonden. Daarbij komt dat in de uitspraak van de Afdeling van 6 juli 202213 is geoordeeld dat ook in de situatie dat het feitencomplex wel compleet is en naar het oordeel van verweerder voldoende duidelijk is dat het bezwaar niet tot een ander oordeel kan leiden, verweerder niet zonder meer kan afzien van horen in bezwaar. Eiseres had tijdens een hoorzitting niet alleen haar visie op de zaak kunnen geven, maar ook een toelichting over waarom in haar geval van de hoofdregel in het beleid zou moeten worden afgeweken. In dit verband merkt de rechtbank ook op dat eiseres inspanningen heeft verricht om de benodigde informatie te verkrijgen en daarover met verweerder heeft gecommuniceerd.
10. Gezien het vorenstaande komt de rechtbank niet toe aan de beoordeling van de overige beroepsgronden van eiseres. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit wegens strijd met de artikelen 3:2, 7:2 en 7:12 van de Awb. De rechtbank ziet geen aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of om zelf in de zaak te voorzien, omdat verweerder eiseres nog dient te horen. Ook zal de rechtbank geen bestuurlijke lus toepassen. Verweerder zal na het horen van eiseres een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak.
11. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoeden.
12. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.674 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, bedrag per punt € 837 en een wegingsfactor 1).