Uitspraken

Een deel van alle rechterlijke uitspraken wordt gepubliceerd op rechtspraak.nl. Dit gebeurt gepseudonimiseerd.

Deze uitspraak is gepseudonimiseerd volgens de pseudonimiseringsrichtlijn

ECLI:NL:RBZWB:2023:9036

Rechtbank Zeeland-West-Brabant
20-12-2023
18-01-2024
10457459/CV EXPL 23-1263 (E)
Arbeidsrecht
Bodemzaak

Automatische prijscompensatie in cao. Hoge inflatie op peilmoment. Opzegging cao door werkgever niet rechtsgeldig. Uitleg openbreekclausule aan de hand van haviltex, uitleg loonbepaling aan de hand van cao-norm. Vordering schadevergoeding van vakbond afgewezen.

Rechtspraak.nl
Sdu Nieuws Arbeidsrecht 2024/32
AR-Updates.nl 2024-0098
JAR 2024/66 met annotatie van mr. L.B. de Graaf
VAAN-AR-Updates.nl 2024-0098
Brightmine 2024-20009795

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Breda

Zaaknummer: 10457459 \ CV EXPL 23-1263

Vonnis van 20 december 2023

in de zaak van

de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid FEDERATIE NEDERLANDSE VAKBEWEGING,

te Utrecht,

eiseres in conventie, verweerster in voorwaardelijke reconventie,

hierna te noemen: FNV,

gemachtigde: mr. R.A. Severijn, advocaat te Utrecht,

tegen

de besloten vennootschap VPK PACKAGING B.V.,

te Raamsdonksveer,

gedaagde in conventie, eiseres in voorwaardelijke reconventie,

hierna te noemen: VPK,

gemachtigde: mr. F. van Schaik, advocaat te Berkel en Rodenrijs, en mr. H.J.W. Alt, advocaat te Den Haag.

1 De zaak in het kort

1.1.

VPK heeft de met FNV afgesloten ondernemingscao opgezegd. Nakoming van de cao zou betekenen dat VPK een automatische prijscompensatie zou moeten toekennen aan haar werknemers, die zou leiden tot een loonsverhoging van meer dan 16%. VPK vindt dat dit niet van haar kan worden verlangd. FNV is het daar niet mee eens en vordert naleving van de gemaakte afspraken en schadevergoeding.

1.2.

De kantonrechter is van oordeel dat VPK de cao niet had mogen opzeggen en daarom de loonsverhoging uit de cao alsnog moet toekennen. De kantonrechter wijst de gevorderde schadevergoeding af. Dit oordeel wordt hierna bij ‘De beoordeling’ uitgelegd. Eerst worden het verloop van de procedure, de relevante feiten en het geschil (de vorderingen en het verweer daartegen van partijen) weergegeven.

2 De procedure

2.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 14 juni 2023 en de daarin genoemde processtukken,

  • -

    de conclusie van antwoord in voorwaardelijke reconventie,

  • -

    de mondelinge behandeling van 26 september 2023, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,

  • -

    de spreekaantekeningen van de advocaten van beide partijen, zoals die tijdens de mondelinge behandeling zijn voorgelezen.

2.2.

De kantonrechter heeft vervolgens beslist om dit vonnis te wijzen.

3 De feiten

3.1.

VPK is een bedrijf in de productie en het be- en verwerken van verpakkingsmaterialen. VPK heeft 230 werknemers in dienst.

3.2.

Tussen FNV en VPK is een cao gesloten met een looptijd van 1 oktober 2021 tot en met 30 september 2024 (hierna: de cao).

3.3.

In artikel 9.1 onder c cao is het volgende bepaald over verhoging van de schaalsalarissen:

“Per 1 januari 2022, 2023 en 2024 worden de schaalsalarissen structureel verhoogd met de APC (Automatische Prijs Compensatie), gebaseerd op geschoonde consumentenprijsindex berekend op de 12 maanden voorafgaand aan de CAO-periode zijnde oktober tot oktober. In aanvulling hierop worden de schaalsalarissen structureel verhoogd met de volgende percentages: op 1 januari 2022 met 0,5%, op 1 januari 2023 met 0,75% en op 1 januari 2024 met 0,75%.

Een overzicht van de maximale schaalindeling bij vakvolwassenheid per functie is neergelegd in bijlage 1.”

3.4.

In artikel 4.1 cao is een openbreekclausule opgenomen:

“Indien zich een dusdanige wijziging van algemeen-sociaal-economische aard of wet- en regelgeving in Nederland voordoet dat één van de partijen van oordeel is redelijkerwijze aan de bepalingen van deze overeenkomst niet langer gebonden te kunnen worden geacht, zijn partijen gehouden hierover overleg te plegen. Indien dit overleg niet binnen 2 maanden na de indiening van het wijzigingsvoorstel tot overeenstemming heeft geleid, is de partij, die de wijzigingen heeft voorgesteld, gerechtigd deze overeenkomst met een termijn van 1 maand op te zeggen.”

3.5.

VPK heeft bij e-mail van 20 september 2022 een beroep gedaan artikel 4.1 cao:

“Wij ervaren een dusdanige wijziging van algemeen-sociaal-economische aard en tevens van wet- en regelgeving in Nederland dat wij de cao met betrekking tot artikel 9.1.c aangaande de structurele schaalsalarissen wensen te wijzigen.

De alsmaar oplopende energiekosten in combinatie met een omgekeerd werkende geschoonde APC, een sterk dalende markt en lagere cao aanpassingen bij onze concurrenten zorgen ervoor dat onze positie op de Nederlandse markt ernstig onder druk komt te staan. Ook laten de bedrijfsresultaten ons geen andere ruimte dan een wijzigingsvoorstel in te dienen.”

VPK sluit haar e-mail af met een uitnodiging voor overleg. VPK heeft bij haar e-mail een presentatie gevoegd met informatie over het wijzigingsvoorstel en het economisch kader.

3.6.

FNV heeft gereageerd bij e-mail van 27 september 2022:

“FNV stelt zich primair op het standpunt dat geen sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 4 van de cao en dus ook geen aanleiding bestaat om de gemaakte afspraken over de loonsverhogingen te herzien. Ons beleid is echter wel dat wanneer de bedrijfscontinuïteit aantoonbaar op korte termijn in het geding is, wij uiteraard een gesprek aan kunnen gaan om te bezien wat FNV kan betekenen. Wat ons betreft is het momenteel een uitdagende periode voor VPK Packaging maar kunnen we op basis van de presentatie niet concluderen dat de continuïteit in direct gevaar is. Het bedrijf zou, ondanks de cumulatie van de door u genoemde factoren, deze kosten moeten kunnen dragen.”

FNV heeft gevraagd om aanvullende informatie.

3.7.

VPK heeft op 13 oktober 2022 aanvullende stukken toegezonden aan FNV. FNV heeft in een reactie van 25 oktober 2022 aangegeven dat uit deze stukken geen situatie als omschreven in artikel 4 cao blijkt. FNV heeft aangegeven geen aanleiding te zien om in te gaan op de uitnodiging tot overleg.

3.8.

Partijen hebben uiteindelijk alsnog overleg gevoerd op 17 november 2022. Dit overleg heeft geen resultaat opgeleverd.

3.9.

VPK heeft de cao bij brief van 21 november 2022 opgezegd tegen 21 december 2022, althans tegen de eerst mogelijke wettelijke datum.

3.10.

FNV heeft bij brief van 21 december 2022 een beroep gedaan op de nietigheid van de opzegging:

“FNV heeft als partij bij de cao recht en belang bij nakoming van de gemaakte afspraken. FNV is het niet eens met de eenzijdige opzegging van de cao door VPK. Opzegging van een collectieve overeenkomst, waarbij derden betrokken zijn, is wat FNV betreft slechts mogelijk in zeer uitzonderlijke gevallen, namelijk wanneer nakoming van de gemaakte afspraken naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

Wat FNV betreft is er geen sprake van een dusdanige situatie bij VPK op grond waarvan VPK heeft kunnen besluiten om de cao op te zeggen. Uit de toegestuurde financiële stukken blijkt geen onmiddellijke bedreiging van de bedrijfscontinuïteit. VPK beschikt over voldoende financiële middelen om de overeengekomen APC aan haar werknemers uit te betalen. Vooralsnog kan alleen verwacht worden dat de komende salarisronde zal leiden tot een hogere loonsverhoging. Voor de verplichte loonronde van 1 januari 2024 kan de bedrijfseconomische situatie weer volledig anders zijn.

Bovendien doet het besluit van VPK op geen enkele wijze recht aan de belangen die de werknemers hebben in deze situatie. Ook zij ondervinden de nadelige financiële gevolgen van de energiecrisis en de aanzienlijke inflatie van het afgelopen half jaar. Juist voor dit soort gevallen is de APC in de cao opgenomen. Het besluit van VPK zou tot gevolg hebben dat de salarissen van de werknemers worden bevroren, daar waar de meeste werknemers juist door werkgevers worden gecompenseerd. En dat geldt wat VPK betreft niet alleen voor de komende salarisronde, maar ook voor die van 1 januari 2023. Feitelijk staan de werknemers dan ruim twee jaar op de nullijn en onder de gegeven omstandigheden is dat voor FNV onaanvaardbaar.

Gelet hierop roept FNV de nietigheid in van deze opzegging.(…)

FNV wijst VPK er nog op dat de cao nawerking heeft, zelfs indien zou komen vast te staan dat er rechtsgeldig door VPK is opgezegd. Dat betekent dat VPK gehouden is de bepalingen van de cao na te komen, voor de gebonden werknemers bij wie bepalingen van de cao onderdeel zijn gaan uitmaken van de individuele arbeidsovereenkomst. Hetzelfde geldt voor de werknemers bij wie een incorporatiebeding is opgenomen in de arbeidsovereenkomst. (…)”

FNV heeft verzocht om de bevestiging dat VPK de cao onverminderd zou toepassen en per 1 januari 2023 over zou gaan tot verhoging van de salarissen zoals bepaald in de cao. FNV heeft een procedure aangekondigd voor het geval VPK niet aan de sommatie zou voldoen. Daarbij is aangegeven dat FNV naast nakoming van de cao onder verbeurte van een dwangsom ook aanspraak zou maken op de wettelijke verhoging, de wettelijke rente en schadevergoeding op grond van artikel 15 en 16 Wet op de collectieve arbeidsovereenkomst (‘Wet cao’), begroot op een bedrag van € 25.000,00.

3.11.

VPK heeft gereageerd bij brief van 27 december 2022:

“VPK Packaging B.V. blijft van mening dat de situatie van artikel 4.1 van de cao zich wel degelijk voordoet. Anders dan u stelt is voor “een wijziging van algemeen-sociaal-economische aard” niet noodzakelijk dat er een onmiddellijke bedreiging voor de bedrijfscontinuïteit bestaat.

Bovendien is voor de overlegverplichting van artikel 4 van de cao voldoende dat één partij van oordeel is dat deze situatie zich voor doet.

VPK is derhalve van mening dat zij de CAO rechtsgeldig heeft opgezegd. Uiteraard is zij zich bewust van de bepalingen omtrent nawerking van cao’s.

Anders dan u stelt is VPK Packaging in het geheel niet voornemens om per 1 januari 2023 en per 1 januari 2024 in het geheel geen prijscompensatie te verlenen. Zij is in overleg met haar personeel om een prijscompensatie tot een ander – lager – percentage te verlenen. Van twee jaar op de nul-lijn is derhalve geen sprake. (…) “

3.12.

Partijen hebben overleg gevoerd op 5 januari 2023. In vervolg op dit overleg heeft VPK op 6 januari 2023 een presentatie doorgezonden en later die week de jaarresultaten, ter analyse door FNV.

3.13.

FNV heeft een ledenvergadering belegd om van de leden te horen wat zij van de situatie vinden. Aan het einde van de vergadering is een peiling gehouden. De leden hebben bijna unaniem aangegeven dat zij vast willen houden aan de in de cao gemaakte afspraken. FNV heeft VPK bij e-mail van 24 januari 2023 gevraagd om haar besluit nogmaals te heroverwegen en de cao zo uit te voeren zoals overeengekomen.

3.14.

VPK heeft bij e-mail van 31 januari 2023 laten weten dat zij bij haar standpunt bleef. VPK heeft aangegeven met de ondernemingsraad een principeakkoord te hebben bereikt over een prijscompensatie van 10,75% vanaf februari 2023.

3.15.

VPK heeft met ingang van 1 januari 2023 voor haar personeel een loonsverhoging van 10% doorgevoerd, en per 1 februari 2023 een aanvullende verhoging van 0,75%.

3.16.

VPK heeft met 129 van haar werknemers een aanvullende arbeidsovereenkomst gesloten, waarin is afgezien van de automatische prijscompensatie zoals opgenomen in de cao. Deze werknemers hebben een loonsverhoging van 10,75% geaccepteerd en kunnen geen rechten meer ontlenen aan artikel 9.1 cao.

4 Het geschil

in conventie

4.1.

FNV vordert – samengevat – dat de kantonrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

primair:

I. voor recht verklaart dat de opzegging van de cao door VPK per 21 december 2022 nietig is en dat de cao na deze datum is blijven gelden, waardoor VPK gehouden is om de in de cao genoemde loonsverhogingen toe te passen op haar werknemers;

II. VPK veroordeelt om de loonsverhoging uit de cao van 1 januari 2023 aan de werknemers toe te kennen, door de schaalsalarissen structureel te verhogen met 17,65% en zorg te dragen voor een nabetaling van het te weinig betaalde loon (onder verrekening van de loonsverhoging die vanaf 1 januari 2023 door VPK is uitbetaald), te vermeerderen met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente, onder verstrekking van specificaties, op straffe van een dwangsom van € 5.000,00 per dag dat VPK nalaat om aan deze veroordeling te voldoen;

III. VPK veroordeelt tot betaling aan FNV van een schadevergoeding ter hoogte van
€ 25.000,00;

subsidiair:

IV. VPK veroordeelt tot nakoming van de nawerkende en geïncorporeerde cao-bepalingen, door de salarissen van de betreffende werknemers met ingang van
1 januari 2023 met 17,65% te verhogen en na verrekening met hetgeen door VPK per 1 januari 2023 aan salarisverhoging is betaald, zorg te dragen voor een nabetaling van het te weinig betaalde loon, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente, onder verstrekking van specificaties, op straffe van een dwangsom van € 5.000,00 per dag dat VPK nalaat aan deze veroordeling te voldoen;

in alle gevallen:

V. VPK veroordeelt in de proceskosten.

4.2.

FNV stelt zich op het standpunt dat de opzegging van de cao door VPK nietig is, omdat er geen sprake is van een dusdanige wijziging van omstandigheden die deze opzegging kan rechtvaardigen. Indien de opzegging wel rechtsgeldig is, meent FNV dat VPK ten aanzien van de gebonden werknemers en de werknemers met een incorporatiebeding in de arbeidsovereenkomst op grond van nawerking gehouden blijft de bepalingen van de cao na te komen. VPK is op grond van artikel 15 en 16 Wet cao schadevergoeding verschuldigd aan FNV.

4.3.

VPK voert verweer. VPK concludeert tot niet-ontvankelijkheid van FNV, of tot afwijzing van de vorderingen van FNV, met veroordeling van FNV in de kosten van de procedure. VPK heeft de cao met toepassing van de openbreekclausule van artikel 4.1 cao rechtsgeldig opgezegd. Ten aanzien van FNV is de cao rechtsgeldig geëindigd. Daarmee is ook haar recht om nakoming van de cao te vorderen verdwenen. In totaal 129 werknemers hebben ingestemd met een wijziging van arbeidsvoorwaarden, zodat ten aanzien van deze werknemers geen sprake is van nawerking. FNV is niet gemachtigd om namens de individuele werknemers die niet ingestemd hebben met andere arbeidsvoorwaarden met een beroep op nawerking nakoming van de cao af te dwingen. De vordering tot schadevergoeding is niet (volledig) toewijsbaar, aldus VPK.

in voorwaardelijke reconventie

4.4.

Voor het geval de kantonrechter van oordeel is dat de cao rechtsgeldig is opgezegd, maar FNV wel ontvankelijk is in haar subsidiaire vordering tot nakoming van de cao op grond van nawerking, vordert VPK dat de kantonrechter bij vonnis:

I. voor recht verklaart dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden na het afsluiten van de cao en dat het voorstel van VPK om de automatische prijscompensatie te vervangen door een loonsverhoging van 10,75% per 1 februari 2023 in het kader van deze gewijzigde omstandigheden redelijk is, zodat aanvaarding hiervan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid van de werknemers van VPK kan worden gevorderd;

II. FNV veroordeelt in de kosten van de procedure.

4.5.

FNV beroept zich op de beoordelingsmaatstaf zoals door de Hoge Raad gegeven in het arrest Stoof/Mammoet1 en IFF2, en stelt dat in dit geval aan deze maatstaf wordt voldaan. Er is sprake van gewijzigde omstandigheden en een redelijk voorstel van werkgever, waarvan aanvaarding naar de maatstaven van redelijkheid en billijkheid van de werknemers kan worden gevergd.

4.6.

FNV concludeert tot niet-ontvankelijkheid van VPK, of tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van VPK in de proceskosten. De door VPK gevraagde verklaring voor recht heeft betrekking op de rechtsverhouding tussen VPK en haar werknemers. Deze werknemers zijn geen partij bij de procedure. VPK heeft geen belang bij haar vordering. Ook op inhoudelijke gronden kan de vordering niet slagen, aldus FNV.

4.7.

De kantonrechter gaat hierna bij de beoordeling in op de relevante stellingen die partijen in conventie en in voorwaardelijke reconventie hebben ingenomen.

5 De beoordeling

Uitleg van de cao: standpunten van partijen

5.1.

Voor de beantwoording van de vraag of VPK de cao rechtsgeldig heeft opgezegd, moet beoordeeld worden of aan de voorwaarden van artikel 4.1 cao wordt voldaan. Partijen verschillen in de eerste plaats van mening over de maatstaf die bij die beoordeling moet worden aangelegd. In de tweede plaats zijn partijen het er niet eens over wat de uitkomst van de toepassing van die maatstaf is.

5.2.

Volgens FNV moet voor de toets of er sprake is van een ‘dusdanige wijziging’ in de zin van artikel 4.1 cao het leerstuk van de imprévision (artikel 6:258 Burgerlijk Wetboek, “BW”) worden toegepast. In dit geval wordt niet aan deze maatstaf voldaan. Dat de inflatie en de daaraan gekoppelde loonsverhoging hoger dan verwacht uitpakken, maakt niet dat er sprake is van een onvoorziene omstandigheid. Bovendien geldt dat de inflatie een omstandigheid is waar rekening mee is gehouden bij het maken van de afspraak, juist door de loonsverhoging te koppelen aan de APC. Of VPK ‘redelijkerwijs’ niet langer aan de cao gebonden kon worden, zoals verwoord in artikel 4.1 cao, moet beoordeeld worden naar de maatstaven van redelijkheid en billijkheid. Pas als handhaving van de cao onaanvaardbaar is naar die maatstaven, kan opzegging van de cao aan de orde zijn. Nu er geen sprake is van een onmiddellijke bedreiging van de bedrijfscontinuïteit van VPK, VPK de middelen heeft om de verhoogde lonen te betalen en vooralsnog alleen de salarisronde van 1 januari 2023 tot een loonsverhoging leidt, is daar geen sprake van volgens FNV.

5.3.

Volgens VPK zijn het leerstuk van de imprévision en de onaanvaardbaarheidstoets niet van toepassing. VPK voert aan dat de cao aan de hand van de zogenaamde cao-norm moet worden uitgelegd. In dit geval betekent dat een letterlijke of taalkundige uitleg van artikel 4.1 cao. Artikel 4.1 cao bepaalt letterlijk dat er een overlegplicht bestaat, indien één van de partijen bij de cao in redelijkheid tot de conclusie kan komen dat er sprake is van een dusdanige wijziging van algemeen sociaaleconomische aard, dat zij niet meer aan de cao gebonden kan worden. Het inflatiecijfer op de peildatum was het hoogste cijfer sinds 50 jaar. Volgens VPK kan niet ter discussie staan dat dit een zodanige wijziging is, dat VPK een beroep kon doen op de overlegplicht. Nu dit overleg niet binnen de door de cao gestelde termijn tot overeenstemming heeft geleid, was VPK volgens de bewoordingen van artikel 4.1 cao gerechtigd de cao op te zeggen.

De kantonrechter: uitleg van (collectieve) overeenkomsten

5.4.

De kantonrechter oordeelt als volgt. De opzegging van de cao is gebaseerd op artikel 4.1 cao. Beide partijen geven een andere uitleg aan de inhoud van deze bepaling, zodat deze niet eenduidig is. Om te beoordelen of aan de voorwaarden van artikel 4.1 cao wordt voldaan, moet deze bepaling daarom worden uitgelegd. De kantonrechter stelt ten aanzien van de uitleg van overeenkomsten het volgende kader voorop.

5.5.

In het standaardarrest Haviltex3 heeft de Hoge Raad de maatstaf geformuleerd voor de uitleg van bepalingen in wederkerige overeenkomsten in het algemene verbintenissenrecht. De Hoge Raad heeft overwogen dat de vraag hoe in een schriftelijk contract de verhouding tussen partijen is geregeld, niet kan worden beantwoord op grond van alleen maar een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van het contract. Voor de beantwoording van die vraag komt het aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (hierna: de Haviltex-norm). Bij deze uitleg dient de rechter rekening te houden met alle bijzondere omstandigheden van het gegeven geval.

5.6.

In latere arresten heeft de Hoge Raad ten aanzien van de uitleg van de bepalingen van een cao een anders geformuleerde norm aanvaard: de zogenaamde cao-norm4. De cao-norm houdt in dat aan een cao-bepaling een uitleg naar objectieve maatstaven moet worden gegeven. Als uitgangspunt zijn de bewoordingen van die bepaling van doorslaggevende betekenis, gelezen in het licht van de gehele tekst van de cao. Als er een schriftelijke toelichting bij de cao is gegeven, kunnen de bewoordingen daarvan ook bij de uitleg worden betrokken. Bij de uitleg kan onder andere worden gekeken naar de bewoordingen die verder in de cao worden gebruikt, en op de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen die de verschillende betekenissen van een bepaling zouden hebben. Het komt niet aan op de bedoeling van de partijen die de cao hebben gesloten, voor zover deze niet uit de in de cao opgenomen bepalingen of de toelichting daarbij blijkt. Is de bedoeling van de cao-partijen wel kenbaar voor anderen die niet bij de totstandkoming van de cao betrokken zijn geweest, dan kan daaraan wel betekenis worden toegekend bij de uitleg van een bepaling.

5.7.

In het arrest DSM/Fox5 heeft de Hoge Raad overwogen dat tussen de Haviltex-norm en de cao-norm geen tegenstelling bestaat, maar een vloeiende overgang:

“Enerzijds heeft ook bij toepassing van de Haviltexnorm te gelden dat, indien de inhoud van een overeenkomst in een geschrift is vastgelegd – nog afgezien van het bepaalde in art. 3:36 BW in de verhouding tot derden – de argumenten voor een uitleg van dat geschrift naar objectieve maatstaven aan gewicht winnen in de mate waarin de daarin belichaamde overeenkomst naar haar aard meer is bestemd de rechtspositie te beïnvloeden van derden die de bedoeling van de contracterende partijen uit dat geschrift en een eventueel daarbij behorende toelichting niet kunnen kennen en het voor de opstellers voorzienbare aantal van die derden groter is, terwijl het geschrift ertoe strekt hun rechtspositie op uniforme wijze te regelen.

Anderzijds leidt de CAO-norm niet tot een louter taalkundige uitleg; in het arrest van de Hoge Raad van 31 mei 2002, nr. C 00/186, NJ 2003, 110, is de hiervoor in 4.3 aangehaalde rechtspraak in die zin verduidelijkt dat hier sprake is van een uitleg naar objectieve maatstaven, waarbij onder meer acht kan worden geslagen op de elders in de CAO gebruikte formuleringen en op de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen waartoe de onderscheiden, op zichzelf mogelijke tekstinterpretaties zouden leiden. In het zojuist aangehaalde arrest is voorts nog beslist dat ook de bewoordingen van de eventueel bij de CAO behorende schriftelijke toelichting bij de uitleg van de CAO moeten worden betrokken. In een latere uitspraak (HR 28 juni 2002, nr. C 01/012, NJ 2003, 111) werd geoordeeld dat, indien de bedoeling van de partijen bij de CAO naar objectieve maatstaven volgt uit de CAO-bepalingen en de eventueel daarbij behorende schriftelijke toelichting, en dus voor de individuele werknemers en werkgevers die niet bij de totstandkoming van de overeenkomst betrokken zijn geweest, kenbaar is, ook daaraan bij de uitleg betekenis kan worden toegekend.”

5.8.

Zowel aan de cao-norm als aan de Haviltex-norm ligt de gedachte ten grondslag dat de uitleg van een schriftelijk contract niet dient plaats te vinden op grond van alleen maar de taalkundige betekenis van de bewoordingen waarin het is gesteld. In praktisch opzicht is de taalkundige betekenis die deze bewoordingen, gelezen in de context van dat geschrift als geheel, in (de desbetreffende kring van) het maatschappelijk verkeer normaal gesproken hebben, bij de uitleg van dat geschrift vaak wel van groot belang (aldus de Hoge Raad in het aangehaalde arrest DSM/Fox).

Uitleg artikel 4.1 cao via Haviltex-norm

5.9.

De kantonrechter is van oordeel dat artikel 4.1 cao dient te worden uitgelegd met inachtneming van de Haviltex-norm. Artikel 4.1 cao is een zogenaamde obligatoire bepaling: het is een bepaling die puur de bij de cao betrokken partijen betreft. De bepaling normeert niet de individuele arbeidsovereenkomsten van de werknemers op wie de cao van toepassing is, maar regelt hoe de cao-sluitende vakbond en werkgever met elkaar om moeten gaan indien een van partijen de cao wenst op te zeggen. Obligatoire bepalingen worden uitgelegd volgens de uitlegregels van wederkerige overeenkomsten in het algemene verbintenissenrecht: de Haviltex-norm.

5.10.

Niet gesteld of gebleken is dat partijen tijdens de onderhandelingen over de cao hebben onderhandeld over de tekst van artikel 4.1 cao. De kantonrechter gaat er dan ook van uit dat de bepaling in de cao terecht is gekomen zonder dat daar een inhoudelijk debat aan vooraf is gegaan. Beide partijen hadden bij de totstandkoming van de cao een vergelijkbare positie ten opzichte van elkaar. Niet gezegd kan worden dat de (juridische) kennis van de ene partij groter was dan die van de andere partij. Onder deze omstandigheden levert toepassing van de Haviltex-norm feitelijk geen ander resultaat op dan toepassing van een tekstuele uitleg.

5.11.

Uit de letterlijke bewoordingen van de eerste zin van artikel 4.1 cao blijkt dat cao-partijen verplicht zijn om met elkaar te overleggen, indien (1) zich een dusdanige wijziging van algemeen-sociaal-economische aard of wet- of regelgeving in Nederland voordoet dat (2) één van de partijen van oordeel is redelijkerwijze aan de bepalingen van de cao niet langer gebonden te kunnen worden geacht. Indien aan deze twee voorwaarden wordt voldaan en het overleg vervolgens niet binnen twee maanden tot overeenstemming leidt, dan mag de partij die de wijzigingen heeft voorgesteld de cao opzeggen. Dit blijkt uit de bewoordingen van de tweede zin van artikel 4.1 cao. Het gaat in deze zaak om de uitleg van de twee voorwaarden, specifiek de schuingedrukte woorden. Daar zijn partijen het niet over eens.

Dusdanige wijziging van algemeen-sociaal-economische aard

5.12.

Naar objectieve maatstaven bekeken, blijkt naar het oordeel van de kantonrechter uit het gebruik van het woord ‘dusdanig’ dat er sprake moet zijn van een ingrijpende wijziging. Als de wijziging niet ingrijpend zou hoeven zijn, was de toevoeging van het woord ‘dusdanig’ overbodig geweest. Nu dit woord wel is toegevoegd aan de bepaling, brengt het tot uitdrukking dat de wijziging van gewicht moet zijn. Deze uitleg past ook bij de aard van een cao: individuele werknemers kunnen daar rechten aan ontlenen. Als een cao bij elke wijziging, ook als die niet ingrijpend is, kan leiden tot een opzegging, tast dat de rechtszekerheid van de werknemers te zeer aan. De uitleg dat sprake moet zijn van een ingrijpende wijziging is dan ook het meest aannemelijk.

5.13.

Ook moet de dusdanige wijziging algemeen, sociaal of economisch van aard zijn. Partijen zijn het erover eens dat de inflatiecorrectie waar het hier om gaat een economische wijziging is.

5.14.

De kantonrechter is van oordeel dat de hoge inflatie kwalificeert als een ‘dusdanige wijziging’ van economische aard in de zin van artikel 4.1 cao. De kantonrechter komt tot het oordeel op basis van de volgende omstandigheden.

5.15.

Het peilmoment voor de APC was oktober 2022. Juist op dat moment was er sprake van een hoge piek in de inflatie. De door VPK in het geding gebrachte grafiek over het verloop van de inflatie laat duidelijk zien dat juist op de peildatum sprake was van een hoge uitschieter. De geschoonde consumentenprijsindex bedroeg op de peildatum 16,9%. Ter vergelijking: de geschoonde consumentenprijsindex bedroeg in oktober 2021 3,3% en in oktober 2020 1,1%. De hoge piek vlakte ook gauw weer af: de geschoonde consumentenprijsindex in januari 2023 bedroeg 7,6% en was in augustus 2023 gezakt naar 1,6%. Historisch gezien was er in oktober 2022 sprake van de hoogste inflatie sinds decennia.

5.16.

Dit hoge cijfer in oktober 2022 werd niet alleen veroorzaakt door de werkelijke inflatie, maar ook door de gehanteerde berekeningsmethodiek. In juni 2023 heeft het CBS de methode om het inflatiecijfer te berekenen aangepast. Indien deze nieuwe methodiek op de peildatum zou zijn toegepast, zou het inflatiecijfer lager zijn berekend.

5.17.

De overheid heeft zoals algemeen bekend compenserende maatregelen getroffen om de hoge inflatie de compenseren. Er is bijvoorbeeld een prijsplafond ingesteld voor de energiekosten. Het feit dat de overheid dergelijke compenserende maatregelen heeft getroffen, toont ook aan dat sprake is geweest van uitzonderlijke situatie.

Redelijkerwijs niet langer gebonden

5.18.

Vervolgens is de vraag welke uitleg moet worden gegeven aan de tweede voorwaarde van artikel 4.1 cao. Het gebruik van het woord ‘redelijkerwijze’ betekent naar het oordeel van de kantonrechter dat iedere weldenkende ondernemer en werknemer moet inzien dat de betreffende wijziging maakt dat nakoming van de gemaakte afspraken niet van de ondernemer verwacht mag worden. Dat het hier om een ondernemingcao gaat waaraan enkel VPK als werkgever gebonden is, maakt het niet anders. Juist omdat individuele werknemers rechten kunnen ontlenen aan de cao, gaat het niet enkel de subjectieve beleving van VPK van wat zij nog redelijk vindt. De specifieke omstandigheden binnen de onderneming van VPK zijn uiteraard van belang, maar moeten zodanig zijn dat iedere weldenkende ondernemer en werknemer daaruit de conclusie zou trekken dat zij redelijkerwijs niet langer gebonden kan worden aan de cao.

5.19.

De kantonrechter is van oordeel dat de hoge inflatie en de daaraan gekoppelde APC VPK niet tot het oordeel konden brengen dat zij redelijkerwijs niet langer gebonden kon worden aan de cao. Ter toelichting het volgende.

5.20.

VPK heeft tijdens de zitting toegelicht dat de APC in 2017 op haar initiatief in de cao is opgenomen. VPK heeft daarbij niet met de FNV afgesproken dat er een maximum verbonden moest zijn aan het percentage van de APC. Gelet op de contractsvrijheid die tussen de cao partijen gold, had VPK dit wel overeen kunnen komen. Door de APC zonder maximum te introduceren in de cao, heeft VPK aan haar werknemers het signaal afgegeven dat zij de lonen zodanig zou laten stijgen dat de koopkracht van de werknemers behouden zou blijven. Doordat in artikel 9.1 cao bovenop de APC nog een aanvullend percentage is opgenomen, heeft VPK zelfs nog koopkrachtverbetering afgesproken.

5.21.

Vast staat dat het doorrekenen van de volledige APC in de lonen de bedrijfscontinuïteit niet direct in gevaar brengt. VPK heeft erop gewezen dat zij na de coronaperiode de vierploegendienst heeft teruggedraaid naar een drieploegendienst, maar zij heeft niet onderbouwd dat deze krimp verband houdt met de APC. De terugschakeling naar een drieploegensysteem lijkt vooral in verband te staan met het afnemen van de grote vraag naar verpakkingsmaterialen zoals die tijdens de coronaperiode gold. VPK heeft tijdens de zitting toegelicht dat het doorrekenen van de volledige APC de bedrijfsvoering op termijn zou kunnen raken: “over een periode van 4 jaar is de hele inflatie doorgerekend in de lonen. Maar als je teveel voorop loopt, kom je in de problemen. Daarom heb ik artikel 4 ingeroepen.” Daaruit blijkt dat de keuze om de cao op te zeggen is ingegeven door een strategische en bedrijfseconomische overweging voor de langere termijn. VPK wil begrijpelijkerwijs de concurrentieslag niet verliezen en voorblijven op haar concurrenten. VPK heeft echter niet onderbouwd dat haar positie op de langere termijn in gevaar komt indien zij vanaf 1 januari 2023 de hoge APC dient door te rekenen in de lonen. Daarbij neemt de kantonrechter mee dat 2023 het eerste jaar is dat de APC tot een forse stijging leidt. Uit het door VPK in het geding gebrachte overzicht blijkt dat de lonen sinds 2019 op grond van artikel 9.1 cao met een percentage van tussen de 1,5% en 3,05% omhoog zijn gegaan. Ook voor komende loonsverhogingen geldt niet een dergelijk hoog percentage als in 2023 aan de orde, gezien de gedaalde inflatie en het feit dat de cao een looptijd heeft tot en met 30 september 2024. Uiteraard werkt een eenmaal gegeven loonsverhoging door in de volgende jaren, maar na het aflopen van de looptijd van de huidige cao staat het partijen wel vrij om andere afspraken te maken over de systematiek en het percentage van toekomstige verhogingen.

5.22.

Hoewel VPK wel een belang heeft om de hoge APC niet te willen doorrekenen, is onvoldoende onderbouwd dat dit belang zodanig is dat zij redelijkerwijs niet gebonden kan worden door de cao, mede beschouwd tegen de achtergrond van artikel 9.1 cao en het signaal dat zij daarmee heeft afgegeven (zoals overwogen in 5.20).

5.23.

Het voorgaande betekent dat de door FNV gevorderde verklaring voor recht dat de opzegging van de cao door VPK per 21 december 2022 nietig is zal worden toegewezen.

Uitleg artikel 9.1 cao: de cao-norm

5.24.

FNV vordert veroordeling van VPK om de schaalsalarissen vanaf 1 januari 2023 structureel te verhogen met een percentage van 17,65%. Dit percentage is opgebouwd uit de geschoonde consumentenprijsindex van 16,9% plus de extra verhoging op basis van artikel 9.1 cao. Volgens VPK is het geschoonde prijsindexcijfer geen 16,9% maar 16,02%. De maximale loonsverhoging komt daarmee volgens VPK op 16,77%.

5.25.

Op de zitting heeft VPK toegelicht dat het geschoonde prijsindexcijfer in oktober 2022 inderdaad 16,9% bedraagt, maar dat partijen op het moment van introductie van de APC in de cao een andere berekeningssystematiek hebben afgesproken. Conform deze afspraak vergelijkt VPK het geschoonde prijsindexcijfer van een maand met het cijfer van de vorige maand. Die vergelijking wordt over een periode van 12 maanden gemaakt, en de verschillen worden bij elkaar opgeteld. Die rekensom leidt tot een percentage van 16,02%. FNV heeft de gestelde afspraak over de rekensystematiek betwist bij gebrek aan wetenschap, en gesteld dat de cao-norm moet worden toegepast.

5.26.

Ten aanzien van het toe te passen percentage past de kantonrechter de cao-norm toe. Anders dan artikel 4.1 cao, is artikel 9.1 cao een zogenaamde normatieve bepaling. De bepaling gaat over toe te passen loonsverhogingen, en heeft daarmee bij uitstek invloed op de inhoud van de individuele rechtspositie van de werknemers. Artikel 9.1 cao ‘normeert’ de individuele arbeidsovereenkomst. De individuele werknemer heeft geen rol gespeeld bij de totstandkoming van de cao. De werknemer moet het veelal doen met wat er staat, zonder kennis van de bedoeling van partijen. Daarvoor is de cao-norm bedoeld.

5.27.

In artikel 9.1 cao staat dat de APC wordt gebaseerd op de geschoonde consumentenprijsindex berekend op de 12 maanden voorafgaand aan de cao-periode zijnde oktober tot oktober. De door VPK gehanteerde systematiek volgt naar objectieve maatstaven bezien niet uit de tekst van de bepaling. De kantonrechter sluit daarom aan bij een percentage van 16,9%. Partijen zijn het er over eens dat dat percentage het geschoonde prijsindexcijfer op de peildatum is.

5.28.

FNV heeft in haar primaire vordering opgenomen dat verrekend dient te worden hetgeen VPK vanaf 1 januari 2023 al aan loonsverhoging heeft uitbetaald. Op de zitting heeft VPK toegelicht dat alle werknemers per 1 januari 2023 een loonsverhoging van 10% hebben ontvangen, en per 1 februari 2023 nog eens 0,75% extra.

Wettelijke verhoging en wettelijke rente

5.29.

FNV vordert de maximale wettelijke verhoging (artikel 7:625 BW) over de nabetaling van het salaris. VPK heeft een beroep gedaan op matiging van de wettelijke verhoging. De kantonrechter honoreert het beroep op matiging van de wettelijke verhoging en matigt deze tot nihil.

5.30.

Er is sprake van een juridisch geschil over de uitleg van de cao. VPK trekt daarin weliswaar aan het kortste eind, maar zij heeft in de discussie wel een pleitbaar standpunt ingenomen. Ook heeft de kantonrechter oog voor de opstelling van VPK in het geschil. Zij heeft overleg gezocht met FNV, de situatie uitgelegd aan haar personeel en heeft in overleg en met instemming van de ondernemingsraad een loonsverhoging van in totaal 10,75% doorgevoerd in 2023. Het past naar het oordeel van de kantonrechter gelet op deze omstandigheden niet om VPK een punitieve sanctie op te leggen in de vorm van een wettelijke verhoging.

5.31.

De gevorderde wettelijke rente is wel toewijsbaar. Als ingangsdatum voor de verschuldigdheid van de wettelijke rente geldt de respectievelijke datum waarop de nabetaling van het loon over de voorliggende maanden vanaf 1 januari 2023 verschuldigd is geworden.

Dwangsom

5.32.

VPK heeft bij conclusie van antwoord aangegeven dat zij de loonsverhoging waartoe zij door de rechter zou worden veroordeeld vrijwillig zal betalen aan al haar werknemers, ook aan diegenen die met afwijkende loon afspraken hebben ingestemd. De kantonrechter heeft geen reden om te twijfelen aan deze bereidheid. De gevorderde dwangsom wordt daarom afgewezen.

Schadevergoeding

5.33.

FNV vordert op grond van artikel 15 en 16 Wet cao een schadevergoeding van
€ 25.000,00 wegens het niet naleven van de cao door VPK. FNV stelt schade te hebben geleden door prestigeverlies naar de leden en verlies van wervingskracht naar de overige werknemers. VPK betwist dat FNV ook maar enig prestigeverlies heeft geleden. De opstelling van FNV in het geschil heeft zelfs geleid tot een ledengroei binnen VPK.

5.34.

FNV heeft op de zitting niet weersproken dat het geschil met VPK heeft geleid tot een ledengroei. FNV heeft daarmee onvoldoende onderbouwd tot er aanleiding bestaat tot toekenning van een schadevergoeding. De vordering wordt afgewezen.

Proceskosten

5.35.

VPK is overwegend in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen. De proceskosten aan de kant van FNV worden begroot op:

  • -

    dagvaarding € 109,44

  • -

    griffierecht € 1.384,00

  • -

    salaris advocaat € 1.058,00 (2 punten x tarief € 529,00)

  • -

    nakosten € 132,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal € 2.683,44

in voorwaardelijke reconventie

5.36.

De voorwaardelijke reconventie is ingesteld onder de voorwaarde dat de kantonrechter van oordeel is dat de cao rechtsgeldig is opgezegd door VPK. Deze voorwaarde wordt niet vervuld. De kantonrechter komt dan ook niet toe aan beoordeling van de vordering in reconventie. Daarmee is in reconventie ook geen plaats voor een proceskostenveroordeling.

6 De beslissing

De kantonrechter

in conventie

6.1.

verklaart voor recht dat de opzegging van de cao door VPK per 21 december 2022 nietig is en dat de cao na deze datum onverminderd is blijven gelden, waardoor VPK gehouden is om de in de cao genoemde loonsverhogingen toe te passen op de bij haar onderneming in dienst staande werknemers,

6.2.

veroordeelt VPK om de loonsverhoging uit de cao van 1 januari 2023 aan de werknemers toe te kennen, door de schaalsalarissen structureel te verhogen met een percentage van 17,65%,

6.3.

veroordeelt VPK om, na verrekening van hetgeen door VPK vanaf 1 januari 2023 al aan loonsverhoging aan haar werknemers is betaald, zorg te dragen voor nabetaling van het te weinig betaalde loon, te vermeerderen met de wettelijke rente (artikel 6:119 BW) over het bedrag van het te laat betaalde loon, te rekenen vanaf de datum waarop het loon verschuldigd is geworden tot de dag van volledige betaling, onder verstrekking van deugdelijke loonspecificaties,

6.4.

veroordeelt VPK in de proceskosten van € 2.683,44, te betalen binnen 14 dagen na aanschrijving daartoe. Als VPK niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet VPK € 90,00 extra betalen, plus de kosten van betekening,

6.5.

verklaart dit vonnis voor wat betreft de daarin opgenomen veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,

6.6.

wijst het meer of anders gevorderde af,

in voorwaardelijke reconventie

6.7.

verstaat dat op de vordering niet hoeft te worden beslist.

Dit vonnis is gewezen door mr. Tilman-Knoester en in het openbaar uitgesproken op
20 december 2023.

1 ECLI:NL:HR:2008:BD1847

2 ECLI:NL:HR2022:1759

3 HR 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158

4 Een overzicht van de rechtspraak is onder andere terug te lezen in de conclusie van A-G De Bock voor het arrest van de Hoge Raad van 14 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:261.

5 HR 20 februari 2004, ECLI:NL:HR:AO1427

De gegevens worden opgehaald

Hulp bij zoeken

Er is een uitgebreide handleiding beschikbaar voor het zoeken naar uitspraken, met onder andere uitleg over:

Selectiecriteria

De Rechtspraak, Hoge Raad der Nederlanden en Raad van State publiceren uitspraken op basis van selectiecriteria:

  • Uitspraken zaken meervoudige kamers
  • Uitspraken Hoge Raad en appelcolleges
  • Uitspraken met media-aandacht
  • Uitspraken in strafzaken
  • Europees recht
  • Richtinggevende uitspraken
  • Wraking

Weekoverzicht

Selecteer een week en bekijk welke uitspraken er in die week aan het uitsprakenregister zijn toegevoegd.