Uitspraken

Een deel van alle rechterlijke uitspraken wordt gepubliceerd op rechtspraak.nl. Dit gebeurt gepseudonimiseerd.

Deze uitspraak is gepseudonimiseerd volgens de pseudonimiseringsrichtlijn

ECLI:NL:RBZWB:2024:7042

Rechtbank Zeeland-West-Brabant
16-10-2024
28-10-2024
C/02/406802 / HA ZA 23-101 (E)
Burgerlijk procesrecht
Bodemzaak

Eindvonnis in een verklaringsprocedure. De rechtbank veroordeelt de derde tot betaling van een bedrag aan de beslaglegger. De derdeverklaring is onjuist en onvolledig.

Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK Zeeland-West-Brabant

Civiel recht

Zittingsplaats Breda

Zaaknummer: C/02/406802 / HA ZA 23-101

Vonnis van 16 oktober 2024

in de zaak van

[eiser] ,

te [plaats 1] ,

eisende partij,

hierna te noemen: [eiser] ,

advocaat: mr. C.A.M. Nelissen,

tegen

[gedaagde] ,

te [plaats 2] ,

gedaagde partij,

hierna te noemen: [gedaagde] ,

advocaat: mr. A.M.H. Chantrel.

1 De zaak in het kort

1.1.

Deze zaak is een verklaringsprocedure. De rechtbank heeft in het tussenvonnis van 6 maart 2024 aangegeven dat zij op dit moment niet in staat is om te beoordelen of, en zo ja wat aan [gedaagde] toekomt als gevolg van het gelegde beslag op 18 november 2022. De rechtbank heeft daarom [gedaagde] bevolen om aan de hand van zijn bankafschriften toe te lichten of, en zo ja welke bedragen aan [zoon gedaagde] / [bedrijf gedaagde] toebehoren.

1.2.

Op basis van de overgelegde bankafschriften komt de rechtbank tot het oordeel dat [gedaagde] de rechtbank onvolledig heeft voorgelicht. Als gevolg van de onvolledige verklaring van [gedaagde] kan de rechtbank niet precies vaststellen of, en zo ja wat [gedaagde] ten tijde van het beslag nog verschuldigd was aan [bedrijf gedaagde] . Ook staat vast dat [gedaagde] tijdens de zitting tegenover de rechtbank niet de waarheid heeft gesproken. Gelet op dit alles wordt [gedaagde] veroordeeld tot betaling aan [eiser] van het bedrag van € 17.725,90. Dit is het bedrag dat [eiser] op basis van de overgelegde bankafschriften heeft berekend als schuld van [gedaagde] aan [zoon gedaagde] .

2 De procedure

2.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 6 maart 2024,
- de akte na comparitie van [gedaagde] , met producties 6 tot en met 11,

- de concluderende akte van [eiser] , met producties 26 tot en met 28.

2.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

3 De verdere beoordeling

Het bevel van de rechtbank

3.1.

De rechtbank moet in deze verklaringsprocedure vaststellen of, en zo ja welk bedrag [gedaagde] vanwege het beslag moet betalen aan [eiser] . De rechtbank heeft in het tussenvonnis van 6 maart 2024 [gedaagde] bevolen om kopieën van zijn twee bankrekeningen te overleggen over de periode 18 november 2021 tot en met 6 maart 2024. De rechtbank heeft [gedaagde] ook bevolen om aan de hand van de bankafschriften toe te lichten of, en zo ja welke geldbedragen aan [zoon gedaagde] / [bedrijf gedaagde] toebehoren.

De standpunten van partijen

3.2.

[gedaagde] heeft de gevraagde bankafschriften overgelegd en hij heeft een aantal bedragen daarop toegelicht. Volgens [gedaagde] heeft hij in de bovengenoemde periode sporadisch bedragen ontvangen die voor [bedrijf gedaagde] bestemd waren. [gedaagde] wijst op de bedragen die hij heeft voorgeschoten voor [bedrijf gedaagde] , waaronder facturen voor [bedrijf gedaagde] en de huur van de ruimte waarin [bedrijf gedaagde] haar onderneming runt. [gedaagde] is van mening dat alle bedragen die zien op [bedrijf gedaagde] en op de rekening van [gedaagde] zijn gestort zijn verrekend met door [gedaagde] betaalde facturen en voorgeschoten huurbetalingen.

3.3.

[eiser] heeft hierop gereageerd. Kort samengevat voert [eiser] aan dat de overgelegde bankbescheiden duidelijk maken dat er wel degelijk een rechtsverhouding tussen [gedaagde] en [zoon gedaagde] bestaat en dat [gedaagde] dus meermaals opzettelijke een valse verklaring heeft afgelegd. [eiser] heeft op basis van de overgelegde bankafschriften zelf een berekening gemaakt van de ontvangsten die ten behoeve van [bedrijf gedaagde] zijn gedaan en dit bedrag verminderd met alle betalingen die [gedaagde] voor [bedrijf gedaagde] heeft gedaan. [eiser] komt uit op een bedrag van € 17.725,90 dat [gedaagde] nog moet voldoen aan [bedrijf gedaagde] . [eiser] heeft in zijn akte de rechtbank verzocht om [gedaagde] te veroordelen tot betaling aan hem van € 17.725,90.

Het oordeel

3.4.

De rechtbank stelt vast dat de ter zitting gedane verklaring van [gedaagde] dat hij geen gelden voor [bedrijf gedaagde] op zijn rekening ontving onjuist is.

3.4.1.

Uit de overgelegde bankafschriften blijkt dat [gedaagde] regelmatig bedragen op zijn rekening heeft ontvangen die toebehoren aan [bedrijf gedaagde] . [gedaagde] erkent dit nu ook: [gedaagde] heeft in de akte aan de hand van de bankafschriften zelf de bedragen genoemd die volgens hem voor [bedrijf gedaagde] bestemd waren. Het gaat in de periode van 18 november 2021 tot en met 6 maart 2024 in totaal om een bedrag van € 9.880,001 op de ING-rekening en € 4.995,002 op de ABN AMRO-rekening.

3.4.2.

Dit komt niet overeen met zijn verklaring op zitting. Zoals in het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 22 januari 2024 staat vermeld heeft [gedaagde] op zitting verklaard dat hij nooit betalingen van klanten van [bedrijf gedaagde] heeft ontvangen op zijn rekeningnummer. De klanten betaalden aan zijn zoon. Die maakte de facturen. Ook heeft [gedaagde] verklaard dat het niet waar is dat er gelden voor [bedrijf gedaagde] binnen komen op zijn rekening. [gedaagde] heeft verklaard dat hij zoon niets verschuldigd is.

3.5.

Verder komt de rechtbank tot het oordeel dat [gedaagde] niet aan zijn onderbouwingsplicht heeft voldaan.3 [gedaagde] heeft verklaard dat er tijdens het gelegde beslag geen sprake was van een rechtsverhouding en dat hij niets verschuldigd was aan zijn zoon. De rechtbank is van oordeel dat de overgelegde bankafschriften dit standpunt van [gedaagde] niet bevestigen. Hieruit volgt eerder dat juist wel sprake is van een rechtsverhouding tussen hem en [zoon gedaagde] ten tijde van het beslag. De rechtbank motiveert dit oordeel als volgt.

3.5.1.

De overgelegde bankafschriften laten dus zien dat [gedaagde] zowel voor als na het beslag regelmatig bedragen op zijn rekening heeft ontvangen die toebehoren aan [bedrijf gedaagde] . Bij de ontvangsten die door [gedaagde] zijn genoemd staan telkens omschrijvingen van de betalende partij vermeld zoals ‘parket’, ‘vloer’ of ‘voorschot vloer’. De rechtbank vindt het aannemelijk dat [gedaagde] deze bedragen nu heeft genoemd, juist omdat die omschrijvingen op de bankafschriften te lezen zijn voor de rechtbank. Anders gezegd: het is dan lastig om het standpunt in te nemen dat deze ontvangen bedragen niets te maken hebben met [bedrijf gedaagde] .

3.5.2.

Het valt de rechtbank wel op dat [gedaagde] meerdere ontvangsten (zonder omschrijving) niet noemt. [gedaagde] licht niet toe wat de reden is voor deze ontvangsten terwijl dat wel voor de hand lag. Het gaat namelijk om meerdere stortingen van contante bedragen op de rekeningen van [gedaagde] . Als deze bedragen ook voor [bedrijf gedaagde] bestemd zijn, is [gedaagde] ook dit verschuldigd aan [bedrijf gedaagde] . [gedaagde] heeft niet uitgelegd waarom deze contante stortingen niets te maken hebben met [bedrijf gedaagde] / [zoon gedaagde] . Het is de rechtbank dus niet duidelijk waarom [gedaagde] steeds contante bedragen ontvangt terwijl hij met pensioen is. Vanwege de aard van deze procedure en het bevel van de rechtbank om informatie te geven was het logisch geweest, en had dat ook op de weg van [gedaagde] gelegen, dat [gedaagde] ook uitleg gaf bij deze bedragen. Dat is niet gebeurd. De rechtbank heeft [gedaagde] in het tussenvonnis de kans gegeven om zijn gegeven verklaring verder te onderbouwen met schriftelijke stukken. De rechtbank zal daarom [gedaagde] niet nogmaals toestaan om zijn bankafschriften (in dit geval de vele contante stortingen) toe te lichten.

3.5.3.

Het valt de rechtbank tot slot op dat een aantal grote bedragen redelijk kort voor de beslaglegging in november 2022 op de rekeningen van [gedaagde] zijn binnengekomen: op 28 juni 2022 een bedrag van € 6.800,00, op 23 september 2022 een bedrag van € 1.500,00 en op 10 oktober 2022 een bedrag van € 1.750,00. Tussen partijen staat dat deze bedragen voor [bedrijf gedaagde] bestemd waren. Bij elkaar is dat een aanzienlijk bedrag. [gedaagde] heeft ten aanzien van het bedrag van € 6.800,00 aangegeven dat dit bedrag in twee bedragen (€ 1.800,00 en € 5.000,00) is overgemaakt aan [zoon gedaagde] , maar volledig bewijs hiervan ontbreekt. Uit de stukken blijkt niet dat het bedrag van € 5.000,00 ook is overgemaakt aan [zoon gedaagde] .

Ten aanzien van de andere bedragen heeft [gedaagde] gesteld dat deze bedragen zijn verrekend met voorgeschoten facturen van onder andere de huur en groothandel Woodcare, of dat ze contant aan [zoon gedaagde] zijn betaald en/of verrekend met voorgeschoten bedragen. Deze stellingen zijn, nu die onvoldoende zijn onderbouwd, niet te verifiëren voor de rechtbank, zodat daaraan voorbij wordt gegaan.

3.5.4.

Al met al is de rechtbank van oordeel dat, anders dan [gedaagde] heeft aangevoerd, het beeld naar voren komt dat [gedaagde] wel degelijk een rechtsverhouding met [bedrijf gedaagde] had, waarbij veelvuldig financiële transacties plaatsvonden. Dit beeld wordt versterkt door de eigen stellingen van [gedaagde] dat hij ten behoeve van [bedrijf gedaagde] huur betaalde en veelvuldig producten inkocht bij leveranciers. Dat ondanks al deze transacties sprake was van de situatie dat door verrekening [gedaagde] geen gelden meer onder zich had van [bedrijf gedaagde] ten tijde van de beslaglegging is niet gebleken uit de toelichting van [gedaagde] en bovendien, gezien de vele transacties die te maken hebben met [bedrijf gedaagde] als zijnde een lopend bedrijf, niet aannemelijk.

Conclusie

3.6.

De conclusie van het hierboven genoemde is dat de rechtbank van oordeel is dat [gedaagde] haar onvolledig heeft voorgelicht. Als gevolg van de onvolledige verklaring van [gedaagde] kan de rechtbank niet precies vaststellen wat [gedaagde] nog verschuldigd is aan [bedrijf gedaagde] . Ook staat vast dat [gedaagde] tijdens de zitting tegenover de rechtbank niet de waarheid heeft gesproken. Daaruit zal de rechtbank de gevolgtrekking maken die zij geraden acht (artikel 21 Rv).

3.7.

Gelet op dit alles zal de rechtbank het bedrag dat [eiser] in zijn akte heeft berekend toewijzen. Deze berekening komt de rechtbank bovendien deugdelijk voor. [gedaagde] wordt veroordeeld tot betaling aan [eiser] van het bedrag van € 17.725,90.

Proceskostenveroordeling

3.8.

[eiser] vordert dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot betaling van de beslagkosten. Deze vordering is gelet op het bepaalde in artikel 706 Rv toewijsbaar. De beslagkosten worden vastgesteld op € 355,98 voor kosten deurwaardersexploten.

3.9.

[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:

- kosten van de dagvaarding

128,31

- griffierecht

314,00

- salaris advocaat

2.149,00

(3,5 punten × € 614,00)

- nakosten

178,00

(+ verhoging in de beslissing)

Totaal

2.769,31

3.10.

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

4 De beslissing

De rechtbank

4.1.

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 17.725,90,

4.2.

veroordeelt [gedaagde] in de beslagkosten, tot op heden vastgesteld op € 355,98, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na deze uitspraak tot de dag van volledige betaling,

4.3.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 2.769,31, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, en te vermeerderen met de wettelijke rente over de nakosten en de betekeningskosten indien deze kosten niet binnen twee dagen na betekening van het vonnis zijn voldaan.

4.4.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten met ingang van de vijftiende dag na deze uitspraak tot de dag van volledige betaling,

4.5.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

4.6.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. Scheffers en in het openbaar uitgesproken op 16 oktober 2024.

1 Dat is de optelsom van € 500,00 + € 1.080,00 + € 6.800,00 + € 1.500,00 = € 9.880,00.

2 Dat is de optelsom van € 750,00 + € 700,00 + € 100,00 + € 400,00 + € 1.750,00 + € 375,00 + € 420,00 + € 350,00 + € 150,00.

3 Deze plicht staat in artikel 476b lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).

De gegevens worden opgehaald

Hulp bij zoeken

Er is een uitgebreide handleiding beschikbaar voor het zoeken naar uitspraken, met onder andere uitleg over:

Selectiecriteria

De Rechtspraak, Hoge Raad der Nederlanden en Raad van State publiceren uitspraken op basis van selectiecriteria:

  • Uitspraken zaken meervoudige kamers
  • Uitspraken Hoge Raad en appelcolleges
  • Uitspraken met media-aandacht
  • Uitspraken in strafzaken
  • Europees recht
  • Richtinggevende uitspraken
  • Wraking

Weekoverzicht

Selecteer een week en bekijk welke uitspraken er in die week aan het uitsprakenregister zijn toegevoegd.