RECHTBANK
ZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Middelburg
Zaaknummer / rekestnummer: 11324606 \ AZ VERZ 24-47
Beschikking van
20
januari 2025
ONDERNEMINGSRAAD VAN DE PENITENTIAIRE INRICHTING MIDDELBURG,
te Middelburg,
verzoekende partij,
hierna te noemen: de OR,
gemachtigde: mr. L.C.J. Sprengers,
DE STAAT DER NEDERLANDEN, IN HET BIJZONDER HET MINISTERIE VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID, DIENST JUSTITIËLE INRICHTINGEN, PENITENTIAIRE INRICHTING MIDDELBURG,
te Middelburg,
verwerende partij,
hierna te noemen: PI Middelburg,
gemachtigde: mr. M.E.L.U. Janssen.
3 Het verzoek en het verweer
3.1.
De OR verzoekt de kantonrechter, uitvoerbaar bij voorraad, de Staat der Nederlanden, in het bijzonder het Ministerie van Justitie en Veiligheid, Dienst Justitiële Inrichtingen, Penitentiaire Inrichting Middelburg, te gebieden om voor de huidige leden van de ondernemingsraad het genoemde artikel op de juiste wijze toe te passen en hen een MZ/VB toelage toe te kennen die gelijk is aan de gemiddelde toelage onregelmatige dienst (TOD) die gedurende de twaalf maanden voorafgaand aan het lidmaatschap van de ondernemingsraad werd toegekend, vermenigvuldigd met de vrijstellingsfactor.
3.2.
Aan het verzoek heeft de OR – samengevat – het volgende ten grondslag gelegd. PI Middelburg past artikel 17.2.1 van het Personeelsreglement niet goed toe. Na toetreding van een medewerker tot een medezeggenschapsorgaan, vergelijkt PI Middelburg het salaris verhoogd met de toelage onregelmatige dienst (hierna: TOD) van de werknemer met het salaris verhoogd met de TOD voorafgaand aan deze periode. Indien blijkt dat er sprake is van een negatief verschil, dan vindt toekenning van een medezeggenschaps- en vakbondsvrijgesteldentoelage (hierna: MZ/VB) plaats. De OR stelt dat PI Middelburg daarmee een onjuiste uitleg geeft aan de bepaling.
3.3.
PI Middelburg verzet zich tegen toewijzing van het verzoek en voert daartoe
– samengevat – het volgende aan. De OR is niet-ontvankelijk in zijn verzoek, omdat de OR niet om nakoming van rechtspositionele afspraken uit een personeelsreglement jegens de huidige leden van de OR kan vragen. Artikel 36 WOR biedt daarvoor geen basis. De OR heeft niet de bevoegdheid de individuele belangen van OR-leden te behartigen. De toekenning van de MZ/VB toelage betreft een individueel recht van een lid van de OR. Medewerkers dienen om die reden zelf bij de kantonrechter een dergelijk verzoek aanhangig te maken. Als het verzoek van de OR zou worden toegekend, heeft dat gevolgen voor de gehele organisatie van DJI. In dat geval bepaalt de WOR dat uitsluitend een GOR of een COR deze onderwerpen mag behandelen.
Voor het geval de kantonrechter van oordeel is dat de OR ontvankelijk is in zijn verzoek voert PI Middelburg het volgende aan. Indien leden van de OR als gevolg van de vrijstelling voor OR-werk minder onregelmatige diensten zouden kunnen draaien, dan hebben zij aanspraak op de toelage MZ/VB. De achtergrond van deze bepaling is dat OR-leden geen terugval in inkomen behoren te hebben, wanneer zij door hun werkzaamheden voor de OR minder onregelmatige diensten kunnen draaien. Indien leden van de OR geen onregelmatige diensten draaien, of ondanks hun werk voor de OR alsnog dezelfde diensten kunnen draaien, of vanwege hun leeftijd recht hebben op een vaste TOD 55+, dan worden zij niet geconfronteerd met een terugval in inkomen. In dat geval is er geen recht op de toelage MZ/VB. De onjuiste uitleg die de OR geeft aan de MZ/VB toeslag, zou leiden tot een bevoordeling van OR-leden ten opzichte van niet-OR-leden.
3.4.
In reactie op het niet-ontvankelijkheidsverweer van PI Middelburg heeft de OR ter zitting toegelicht dat artikel 36 lid 2 WOR een algemene geschillenregeling geeft. De OR kan op grond hiervan een geschil over de interpretatie en toepassing van een regeling in het personeelsreglement aanhangig maken. Artikel 17 en 18 WOR gaan over de faciliteiten en doorbetaling van loon in verband met het OR-werk. Op grond van artikel 21 WOR moet de ondernemer ervoor zorgen dat OR-leden niet worden benadeeld. Dit artikel geeft naast de individuele OR-leden ook de OR een rechtsingang. Dat het hier gaat om toepassing van het personeelsreglement staat aan ontvankelijkheid niet in de weg. Het gaat hier om een besluit van de bestuurder van PI Middelburg na een briefwisseling met de OR over de wijze waarop de OR-leden gefaciliteerd moeten worden. Dit besluit is in strijd met een juiste uitleg van het personeelsreglement. Daarmee is het geen aangelegenheid van gemeenschappelijk belang voor de meerderheid van de ondernemingen waarvoor de GOR is ingesteld.
4 De beoordeling
4.1.
De OR grondt zijn verzoek op artikel 36 lid 2 WOR. Lid 2 van dit artikel biedt de OR de mogelijkheid de kantonrechter te verzoeken te bepalen dat PI Middelburg aan hetgeen bij of krachtens de WOR is bepaald, gevolg moet geven. De OR beroept zich vervolgens op artikel 21 WOR. Hierin is bepaald dat de ondernemer ervoor moet zorgdragen dat leden van de OR door hun lidmaatschap geen nadeel ondervinden. Ook in dat artikel is bepaald dat naast de individuele leden van de OR ook de OR de kantonrechter kan verzoeken te bepalen dat de ondernemer aan dit bepaalde gevolg moet geven.
4.2.
DJI – en daarmee PI Middelburg – heeft aan artikel 21 WOR gevolg gegeven met het bepaalde in artikel 17.2.1 van het personeelsreglement. Dit artikel in het personeelsreglement is erop gericht leden van de OR, die door de vrijstelling voor hun OR-werk geen of minder onregelmatige diensten draaien, met een recht op een MZ/VB-toelage te garanderen dat zij niet terugvallen in inkomen. In de tweede zin van dit artikel is bepaald hoe een eventueel recht op de toelage MZ/VB wordt vastgesteld. De OR meent dat PI Middelburg aan het bepaalde in het personeelsreglement een onjuiste toepassing geeft. Aan de orde is dan of de OR bevoegd is de kantonrechter te verzoeken PI Middelburg te gebieden dit artikel van het personeelsreglement voor de huidige leden van de OR op de juiste wijze toe te passen.
4.3.
De kantonrechter oordeelt dat de OR ook de wijze waarop PI Middelburg voor de huidige leden van de OR uitvoering geeft aan artikel 17.2.1 van het personeelsreglement aan haar kan voorleggen. Het doel van het bepaalde in artikel 21 WOR is bescherming tegen benadeling van OR-leden. Als dat doel op papier is geregeld, maar de ondernemer daaraan in de praktijk geen of een onjuiste invulling geeft, leidt een redelijke uitleg ertoe dat ook dan de OR dat aan de kantonrechter moet kunnen voorleggen. Zowel artikel 21 als artikel 36 WOR biedt de OR daarvoor een rechtsingang. Het belang bij een goede toepassing van artikel 17.2.1 van het personeelsreglement strekt verder dan het belang van het individuele lid van de OR dat door die toepassing wordt geraakt. Het gaat erom dat de OR in staat wordt gesteld zonder belemmering zijn werk te kunnen doen. Het betreft dus niet alleen de bescherming van de zittende leden van de OR, maar ook een waarborg voor potentiële OR-leden. Die moeten erop kunnen rekenen dat werk voor de OR er niet toe leidt dat zij een terugval krijgen in inkomen, omdat PI Middelburg het bepaalde in artikel 17.2.1 van het personeelsreglement toepast op een wijze dat toch nadeel ontstaat.
4.4.
De kantonrechter volgt PI Middelburg evenmin in haar verweer dat het verzoek alleen door de COR of de GOR mag worden ingediend. Het geschil betreft de belangen van de OR leden van de PI Middelburg, omdat het gaat om de toepassing die deze inrichting geeft aan de regeling in het personeelsreglement. Niet is gebleken dat het geschil ook bij andere penitentiaire inrichtingen aan de orde is.
4.5.
Uit voorgaande overwegingen volgt dan ook dat de OR kan worden ontvangen in zijn verzoek.
4.6.
In artikel 17.1 van het personeelsreglement staat dat een werknemer, die lid wordt van de OR voor zijn OR-werk voor 0,75 dag wordt vrijgesteld van zijn gebruikelijke werk. Aan de hand van de arbeidsduur van de werknemer per week wordt de zogenaamde vrijstellingsfactor voor het OR-lid berekend (het aantal vrijgestelde uren gedeeld door de arbeidsduur).
4.7.
Artikel 17.2.1 regelt vervolgens in de eerste zin dat als iemand is vrijgesteld voor OR-werkzaamheden en daardoor geen of minder onregelmatige diensten draait, hij recht heeft op de MZ/VB toelage. In de tweede zin staat dat de toelage gelijk is aan de gemiddelde TOD per maand over het referentiejaar, vermenigvuldigd met de vrijstellingsfactor.
4.8.
Aan de orde is dan of de wijze waarop PI Middelburg deze regeling toepast in overeenstemming is met de tekst en het doel daarvan in verband met artikel 21 WOR. De OR meent dat dat niet het geval is.
4.9.
De OR heeft toegelicht dat een lidmaatschap vier jaar duurt. Het arbeidspatroon van een werknemer kan wijzigen door de werkzaamheden voor de OR. De regeling komt op een eenvoudige manier tegemoet aan dat risico voor vier jaar. Voorondersteld wordt dat een OR-lid door de vrijstelling voor het OR-werk minder onregelmatigheidsdiensten kan draaien, dan hij deed in het jaar voorafgaand aan de start van het lidmaatschap (het referentiejaar). Bij aanvang van het OR-lidmaatschap wordt de gemiddeld per maand genoten TOD gedurende het referentiejaar vastgesteld. Heeft iemand geen TOD gehad, dan is er geen recht op de MZ/VB-toelage. Heeft iemand wel een TOD gehad, dan wordt verondersteld dat de vrijstelling voor het OR-werk ertoe leidt dat er een terugval zal zijn in inkomen. De OR stelt dat daarmee – forfaitair – het recht op de MZ/VB-toelage ontstaat voor de hele periode van het OR-lidmaatschap, ongeacht of en zo ja, in welke mate, er tijdens dat lidmaatschap aanspraak bestaat op een TOD.
4.10.
PI Middelburg betwist dat het bij de regeling gaat om het voorzien in een risico. Zij stelt dat het een compensatieregeling is. Per individu kijkt PI Middelburg of er recht is op de MZ/VB-toelage. Als OR-leden vanwege hun functie geen onregelmatige diensten draaien of ondanks hun OR-werk alsnog dezelfde onregelmatige diensten kunnen draaien of vanwege hun leeftijd recht hebben op een vaste TOD 55+, dan worden zij niet geconfronteerd met een terugval in inkomen. In dat geval hebben zij geen recht op de toelage MZ/VB. Zij licht nader toe dat PIW’ers en het afdelingshoofd geen recht hebben op de MZ/VB-toelage, omdat zij alleen TOD ontvangen voor diensten in het weekend. Tijdens hun OR-lidmaatschap kunnen zij dezelfde diensten in het weekend werken als voorheen, zodat zij door hun OR-vrijstelling geen terugval hebben in hun inkomen. De verpleegkundige werkt geen onregelmatige diensten en heeft daarom geen recht op de MZ/VB-toelage.
Iemand die op grond van zijn leeftijd de vaste TOD 55+ ontvangt, mist door de vrijstelling voor het OR-werk geen inkomen en heeft daarom evenmin recht op de MZ/VB-toelage.
Beveiligers kunnen wel aanspraak hebben op deze toelage als zij sinds hun OR-lidmaatschap minder onregelmatige diensten zijn gaan werken.
PI Middelburg bevestigt dat de MZ/VB-toelage eenmalig wordt berekend en dan geldt voor de hele zittingsduur van de OR.
4.11.
De kantonrechter overweegt dat de kern van hetgeen de OR en PI Middelburg verdeeld houdt, neerkomt op uitleg van de eerste zin van artikel 17.2.1 van het personeelsreglement. Op grond van artikel 21 WOR moet de ondernemer ervoor zorgen dat een (potentieel) OR lid geen nadeel ondervindt van zijn (beoogd) OR werk. Zoals hiervoor onder 4.2 al is overwogen, is dat uitgewerkt in artikel 17.2.1 van het personeelsreglement. Het doel van deze bepaling is te voorkomen dat een werknemer die onregelmatige diensten werkt en daarvoor een toelage op zijn loon krijgt (TOD), door zijn vrijstelling voor het OR-werk minder onregelmatige diensten kan werken en daardoor nadeel ondervindt wegens mislopen van TOD. Dit oorzakelijke verband volgt nadrukkelijk uit de tekst: ‘Als u vrijgesteld bent (voor OR-werk) en daardoor geen of minder onregelmatige diensten draait, heeft u recht (op een MZ/VB-toelage) om te garanderen dat u niet terugvalt in inkomen’. Er moet een oorzakelijk verband zijn tussen de vrijstelling voor het OR-werk en het niet in dezelfde mate draaien van onregelmatige diensten. In de gevallen waarin daarvan wel sprake is, garandeert de ondernemer dat er geen terugval in inkomen zal zijn. De aldus gegeven garantie duidt op compensatie en niet op een forfaitaire toeslag. Een forfaitaire toeslag zou inhouden, dat zodra een OR-lid in het referentiejaar een TOD ontving, hij enkel door de OR-vrijstelling recht krijgt op de toelage. Deze uitleg doet geen recht aan het doel van de regeling die is gebaseerd op artikel 21 WOR. Het doel is voorkomen van benadeling, terwijl een forfaitaire toeslag mogelijk zal leiden tot bevoordeling. Daarvoor is geen rechtvaardiging.
4.12.
PI Middelburg moet voor de bepaling van een recht op de MZ/VB-toelage dus eerst vaststellen dat een OR-lid in het referentiejaar een TOD ontving en dan dat door de OR-vrijstelling minder onregelmatige diensten zijn gedraaid. Daarvan uitgaande is het juist dat PI Middelburg het recht op de MZ/VB-toelage niet bij aanvang van het OR-lidmaatschap vaststelt, maar op een later moment gedurende of aan het eind van het eerste lidmaatschapsjaar. Het OR-lid behoudt dan gedurende de jaren twee tot en met vier van zijn OR-lidmaatschapsperiode recht op dezelfde toelage als in het eerste jaar, ongeacht wat hij gedurende die periode nog aan TOD ontvangt. Dat laatste aspect is niet in geschil. PI Middelburg erkent dat de MZ/VB-toelage eenmalig wordt berekend en geldt voor de hele zittingsduur.
4.13.
Dit leidt ertoe dat een OR-lid dat geen TOD ontving in het referentiejaar, geen recht heeft op de MZ/VB-toelage. PI Middelburg heeft onweersproken gesteld dat dit geldt voor de verpleegkundige.
4.14.
Voor de beveiligers jonger dan 55 jaar geldt dat zij recht kunnen hebben op een MZ/VB-toelage. Dit betekent dat PI Middelburg voor hen individueel moet vaststellen hoe hoog de gemiddelde TOD per maand was in het referentiejaar en hoe hoog de genoten TOD was in het eerste jaar van het OR-lidmaatschap. De kantonrechter veronderstelt dat dit eenvoudig uit de salarisadministratie blijkt. Ervan uitgaande dat de TOD een percentage is van het reguliere uurloon, moet worden gekeken naar het aantal uren onregelmatige diensten. Als in dat eerste OR jaar minder TOD is ontvangen, omdat minder onregelmatige diensten zijn gedraaid, wordt verondersteld dat dit komt door de OR-vrijstelling. PI Middelburg kan zich er niet op beroepen dat een beveiliger evenveel onregelmatige diensten had kunnen draaien, omdat het OR-werk daaraan feitelijk niet in de weg stond. Zij kan niet van het OR-lid verlangen dat die aantoont dat minder onregelmatige diensten konden worden gedraaid door het OR-werk. Een dergelijke bewijslast zou een belemmering opleveren die niet past bij de aard van de vergoeding en het uitgangspunt dat een OR-lid geen nadeel mag ondervinden door het OR-werk.
PI Middelburg kan voor de vaststelling of een OR-lid recht heeft op een MZ/VB-toelage niet uitgaan van het jaarinkomen. Als PI Middelburg, zoals de OR stelt, voor de bepaling van het recht op een MZ/VB-toelage het inkomen van het referentiejaar inclusief TOD vergelijkt met het inkomen gedurende het OR-lidmaatschapsjaar inclusief TOD, hanteert zij niet de juiste systematiek. Artikel 17.2.1 van het personeelsreglement is duidelijk. Het gaat erom dat wordt vastgesteld dat in het referentiejaar meer onregelmatige diensten zijn gedraaid dan in het eerste OR-jaar. Op basis daarvan wordt dan de omvang van de MZ/VB-toelage berekend overeenkomstig het bepaalde in de tweede volzin van artikel 17.2.1 van het personeelsreglement.
4.15.
Een OR-lid dat in het referentiejaar een vaste 55+ TOD ontving, blijft die houden onafhankelijk van het aantal onregelmatige diensten. De hoogte van die TOD wordt dan niet meer bepaald door de onregelmatige diensten die werkelijk worden gedraaid, maar door de leeftijd. Van een terugval in inkomen door de vrijstelling voor het OR-werk kan dan geen sprake zijn. Er is dan ook geen recht op de MZ/VB-toelage. Als een OR-lid gedurende het lidmaatschap 55 jaar wordt en daarmee recht krijgt op de TOD 55+ staat in artikel 17.2.1 van het personeelsreglement dat de MZ/VB-toelage voor de bepaling van de hoogte van de TOD 55+ meetelt.
4.16.
PI Middelburg heeft onweersproken gesteld dat de PIW’ers en het afdelingshoofd alleen onregelmatige diensten kunnen hebben in het weekend. Door de week worden geen onregelmatige diensten gedraaid waarvoor een recht op TOD bestaat. Het OR-werk is altijd op een dag door de week. Met PI Middelburg is de kantonrechter dan ook van oordeel dat het OR-werk het draaien van onregelmatige diensten niet in de weg hoeft te staan. Dit leidt ertoe dat de vrijstelling voor OR-werk niet in oorzakelijk verband kan staan tot het draaien van minder onregelmatige diensten. De zorg van de OR dat de relatieve werkdruk voor een PIW’er of het afdelingshoofd hoger wordt, deelt de kantonrechter niet. De OR heeft die stelling ook niet concreet toegelicht.
4.17.
De slotsom is dat het verzoek van de OR kan worden toegewezen, in die zin dat zij de juiste systematiek voor het bepalen van de MZ/VB moet volgen, zoals die is weergegeven onder 4.12 en 4.14 van dit vonnis. Of dat er toe leidt dat aan (een van) de huidige individuele OR-leden alsnog een MZ/VB-toelage moet worden toegekend, kan in deze procedure niet worden vastgesteld. Dit leidt tot de hierna onder 5. nader verwoorde beslissing.
4.18.
Op grond van artikel 22a Wor compenseert de kantonrechter de proceskosten tussen partijen.
5 De beslissing
5.1.
gebiedt de Staat der Nederlanden, in het bijzonder het Ministerie van Justitie en Veiligheid, Dienst Justitiële Inrichtingen, PI Middelburg om voor de huidige leden van de OR artikel 17.2.1 op de juiste wijze, zoals uiteengezet in deze beschikking en meer concreet onder 4.12 en 4.14, toe te passen en aan hen na uitvoering daarvan de alsdan vastgestelde MZ/VB toe te kennen;
5.2.
compenseert de proceskosten tussen partijen, zodat iedere partij de eigen kosten draagt;
5.3.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. Van der Lende-Mulder Smit en in het openbaar uitgesproken op 20 januari 2025.