202101988/1/V6.
Datum uitspraak: 30 maart 2022
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], wonend te Amsterdam,
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 17 februari 2021 in zaak nr. 19/6518 in het geding tussen:
[appellante]
en
de burgemeester van Amsterdam.
Procesverloop
Bij besluit van 19 oktober 2018 heeft de burgemeester geweigerd te bevestigen dat [appellante] het Nederlanderschap heeft verkregen.
Bij besluit van 31 oktober 2019 heeft de burgemeester het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 17 februari 2021 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 november 2021, waar [appellante], vertegenwoordigd door haar [echtgenoot] en mr. M.G. Evers, advocaat te Leiden, is verschenen.
Na de zitting heeft de Afdeling het onderzoek heropend en de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.
[appellante] heeft nadere stukken ingediend.
De burgemeester heeft een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak opnieuw ter zitting behandeld op 22 februari 2022, waar [appellante], bijgestaan door haar echtgenoot en mr. M.G. Evers, en de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. S. de Ruijter, zijn verschenen.
Overwegingen
1. Het wettelijk kader en het beleidskader zijn opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.
Inleiding
2. [appellante] is op 24 augustus 1998 in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd. In 2005 heeft de burgemeester onderzoek gedaan naar de inschrijving van [appellante] op het adres [locatie] in Amsterdam. Zij hebben toen de echtgenoot van [appellante] gesproken. Hij heeft verklaard dat zij samen met hun kinderen in Egypte verblijft en dat de kinderen daar onderwijs volgen. De burgemeester heeft [appellante] daarom uitgeschreven uit de Basisregistratie Personen (hierna: de BRP) op 26 mei 2005. De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft naar aanleiding daarvan bij besluit van 19 april 2011 de aan [appellante] verleende verblijfsvergunning ingetrokken. In beroep heeft de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, bij uitspraak van 15 maart 2012, in zaak nr. 11/31040 overwogen dat de staatssecretaris de door [appellante] ingebrachte stukken, waaruit zou blijken dat zij niet kon reizen tussen mei 2005 en 2010 en daarom lang in Egypte heeft verbleven, niet kenbaar bij het besluit heeft betrokken. De rechtbank heeft dat besluit daarom vernietigd. [appellante] stelt dat de staatssecretaris haar alsnog een nieuwe verblijfsvergunning heeft verleend.
De burgemeester heeft geweigerd te bevestigen dat [appellante] het Nederlanderschap heeft verkregen, omdat zij tot het moment van de bevestiging van de verkrijging niet ten minste 15 jaar onafgebroken toelating en hoofdverblijf in Nederland heeft gehad als bedoeld in artikel 6, eerste lid, aanhef en onder g, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna: de RWN).
Bewijs
3. [appellante] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de verklaringen van de echtgenoot haar niet kunnen worden tegengeworpen, omdat die verklaringen slechts voor zijn rekening komen.
3.1. De verklaringen van de echtgenoot van 29 maart 2005 en van 1 april 2005 moeten worden aangemerkt als getuigenverklaringen. Het staat de burgemeester daarom vrij om deze verklaringen aan het besluit ten grondslag te leggen.
Het betoog faalt.
Goede procesorde
4. [appellante] betoogt verder dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de burgemeester zich pas in beroep op deze verklaringen heeft beroepen in plaats van in de bezwaarfase. Dit is volgens haar in strijd met de Awb.
4.1. De burgemeester heeft met de verklaringen zijn standpunt dat [appellante] haar hoofdverblijf buiten Nederland heeft verplaatst nader onderbouwd. De burgemeester heeft de verklaringen voor het eerst genoemd in zijn verweerschrift van 16 januari 2020. De zitting bij de rechtbank vond plaats op 13 januari 2021. [appellante] heeft daarom bijna een jaar de tijd gehad om zich over de verklaringen van de echtgenoot uit te laten. De rechtbank hoefde daarom deze verklaringen niet wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing te laten.
Het betoog faalt.
Hoofdverblijf
5. [appellante] betoogt tot slot dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de verklaringen van haar echtgenoot uit zijn verband zijn getrokken. Ook heeft de rechtbank niet onderkend dat zij voor 26 mei 2005 weliswaar vaak met haar kinderen in Egypte verbleef, maar daar niet haar hoofdverblijf had. Uit de medische verklaring van juni 2005 blijkt volgens haar dat zij van 26 mei 2005 tot medio 2012 niet kon reizen in verband met haar gezondheidstoestand. De staatssecretaris heeft dit volgens haar ook erkend, nu zij alsnog in het bezit is gesteld van een nieuwe verblijfsvergunning. Volgens [appellante] heeft zij daarom buiten haar schuld om meer dan zes maanden buiten Nederland verbleven.
5.1. In de Handleiding RWN staat over artikel 1, eerste lid, aanhef en onder h, van de RWN, dat dit begrip hoofdverblijf een strikt feitelijke betekenis heeft en dat dit de plaats is waar een persoon kennelijk geregeld vertoeft en het centrum van zijn activiteiten heeft.
Anders dan bij de intrekking van de verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd is het in deze procedure niet aan het bestuursorgaan om aan te tonen dat [appellante] haar hoofdverblijf heeft verplaatst buiten Nederland, maar aan [appellante] om aannemelijk te maken dat zij haar hoofdverblijf in Nederland had, ondanks haar jarenlange verblijf in Egypte. [appellante] is hier niet in geslaagd. Zo volgt uit de verklaringen van de echtgenoot dat [appellante] met haar kinderen in Egypte verbleef en zij en haar kinderen hoogstens voor vakantie naar Nederland kwamen. De kinderen zijn geboren op [geboortedatum] 1993 en [geboortedatum] 1995 en gingen volgens de echtgenoot sinds jaar en dag in Egypte naar school. [appellante] werd wegens hartproblemen geholpen en verzorgd door familie in Egypte. Uit deze verklaringen blijkt niet dat het vertrek van [appellante] en de kinderen een tijdelijk karakter had.
Gelet hierop heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de burgemeester niet ten onrechte heeft aangenomen dat [appellante] niet aannemelijk heeft gemaakt te voldoen aan het vereiste van een onafgebroken periode van 15 jaar hoofdverblijf in Nederland.
5.2. [appellante] heeft evenmin aannemelijk gemaakt dat zij buiten haar schuld langer dan zes achtereenvolgende maanden buiten Nederland heeft verbleven. Dat de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, bij uitspraak van 15 maart 2012 heeft overwogen dat de staatssecretaris de door [appellante] ingebrachte stukken, waaruit zou blijken dat zij niet kon reizen tussen mei 2005 en 2010 en daarom lang in Egypte heeft verbleven, niet kenbaar bij het besluit heeft betrokken, betekent niet dat uit die medische stukken blijkt dat [appellante] in die periode niet kon reizen. [appellante] heeft deze medische stukken ook in deze procedure overgelegd. Hoewel uit de stukken van 8 juni 2005 en 29 januari 2006 volgt dat [appellante] hartproblemen heeft, volgt daaruit niet dat zij in de periode van 26 mei 2005 tot medio 2012 niet in staat was om te reizen. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat in de Handleiding RWN, onder artikel 1, eerste lid, aanhef en onder h, van de RWN, staat dat bij 'buiten schuld' moet worden gedacht aan de situatie waarbij een persoon kan aantonen dat hij meer dan zes achtereenvolgende maanden buiten Nederland heeft verbleven door bijvoorbeeld een ziekenhuisopname of een natuurramp. Uit de verklaringen van de echtgenoot volgt niet dat van een dergelijke situatie sprake was. Dat de echtgenoot in zijn verklaringen wel heeft gesproken over hartkwalen bij [appellante] is onvoldoende, omdat de echtgenoot heeft verklaard dat [appellante] wordt geholpen en verzorgd door familie in Egypte. Aangezien de echtgenoot ook heeft verklaard dat [appellante] en de kinderen voor vakanties naar Nederland kwamen, blijkt hieruit niet dat [appellante] door haar aandoening niet kon reizen. [appellante] heeft daarom niet aannemelijk gemaakt dat zij door haar medische situatie niet in staat was om naar Nederland te reizen en daarom buiten haar schuld langer dan zes achtereenvolgende maanden buiten Nederland heeft verbleven.
5.3. Het betoog faalt.
6. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De burgemeester hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het hoger beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.V.T.K. Oei, griffier.
w.g. Verheij
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Oei
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 30 maart 2022
850/670-954.
BIJLAGE
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 6:6
Het bezwaar of beroep kan niet-ontvankelijk worden verklaard, indien:
a. niet is voldaan aan artikel 6:5 of aan enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het bezwaar of beroep, of
b. het bezwaar- of beroepschrift geheel of gedeeltelijk is geweigerd op grond van artikel 2:15,
mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.
Artikel 8:58
1. Tot tien dagen voor de zitting kunnen partijen nadere stukken indienen.
2. Op deze bevoegdheid worden partijen in de uitnodiging, bedoeld in artikel 8:56, gewezen.
Rijkswet op het Nederlanderschap
Artikel 1
1. In deze Rijkswet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
[…]
hoofdverblijf: de plaats waar een persoon zijn feitelijke woonstede heeft.
[…].
artikel 6
1. Na het afleggen van een daartoe strekkende schriftelijke verklaring verkrijgt door een bevestiging als bedoeld in het derde lid het Nederlanderschap:
[…]
g. de vreemdeling die gedurende tenminste drie jaren de echtgenoot is van een Nederlander en gedurende een onafgebroken periode van tenminste vijftien jaren toelating en hoofdverblijf heeft in het Europese deel van Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba;
[…].
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap
1-1-h. Toelichting ad artikel 1, eerste lid, aanhef en onder h
Voor de toepassing van deze Rijkswet wordt verstaan onder hoofdverblijf: de plaats waar een persoon zijn feitelijke woonstede heeft.
Het begrip ‘hoofdverblijf’ heeft een strikt feitelijke betekenis. Het hoofdverblijf van een persoon is de plaats waar hij kennelijk geregeld vertoeft, daar waar hij het centrum van zijn activiteiten heeft. Te denken valt bijvoorbeeld aan de plaats waar een persoon zijn slaapplaats heeft, waar hij werkelijk woont (met zijn gezin) of waar zijn inboedel zich bevindt. Er moet sprake zijn van een meer duurzame betrekking tussen een persoon en een plaats. Een verblijf van voorbijgaande aard heeft geen betekenis.
[…]
De vraag welke plaats als het hoofdverblijf van een persoon moet worden aangemerkt is een feitelijke, die aan de hand van verschillende factoren van feitelijke aard wordt beantwoord. Met de wil van de persoon wordt slechts rekening gehouden, voor zover deze blijkt uit zijn gedragingen.
Of sprake is van hoofdverblijf werd tot de inwerkingtreding van de Wet BRP behoudens contra-indicatie aangenomen aan de hand van een inschrijving in de toenmalige GBA. Met ingang van de Wet BRP wordt primair getoetst aan de hand van de gegevens uit de BRP. In de BRP worden zowel ingezetenen als niet-ingezetenen ingeschreven. Hoofdverblijf in Europees Nederland kan worden aangenomen als een persoon als ingezetene is ingeschreven in de BRP, tenzij er indicaties zijn dat de persoon zijn hoofdverblijf buiten Nederland heeft verplaatst.
Indicaties voor verplaatsing van het hoofdverblijf buiten Nederland zijn onder meer:
- registratie als niet-ingezetene in de BRP;
- de bijhouding van de GBA (de voorganger van de BRP) is opgeschort wegens vertrek naar het buitenland of ‘Land Onbekend’;
[…]
Deze indicaties zijn niet limitatief. Ook op andere feitelijke gronden kan worden geconcludeerd dat een persoon zijn hoofdverblijf heeft verplaatst. […]
Vestiging van het hoofdverblijf buiten Nederland wordt in ieder geval aangenomen, als een persoon:
[…]
- meer dan zes achtereenvolgende maanden buiten Nederland heeft verbleven, tenzij hij aannemelijk maakt dat de overschrijding van de periode van zes maanden het gevolg is van buiten zijn schuld gelegen omstandigheden (te denken valt aan de situatie waarbij de persoon kan aantonen dat de overschrijding van die termijn te wijten is aan een ziekenhuisopname of een natuurramp); of
- voor het derde achtereenvolgende jaar meer dan vier achtereenvolgende maanden buiten Nederland heeft verbleven, tenzij hij aannemelijk maakt dat het centrum van zijn activiteiten niet naar het buitenland is verlegd.
[…].