Uitspraken

Een deel van alle rechterlijke uitspraken wordt gepubliceerd op rechtspraak.nl. Dit gebeurt gepseudonimiseerd.

Deze uitspraak is gepseudonimiseerd volgens de pseudonimiseringsrichtlijn

ECLI:NL:RVS:2024:2824

Raad van State
10-07-2024
10-07-2024
202401378/1/A2
Bestuursrecht
Eerste aanleg - meervoudig

Bij beslissing van 12 oktober 2023 heeft het college van bestuur van de Erasmus Universiteit Rotterdam de inschrijving van [appellant] voor de masteropleiding Pedagogische en Onderwijswetenschappen, specialisatie Orthopedagogiek definitief beëindigd met ingang van de volgende maand dan wel de (her)inschrijving voor deze opleiding of een verwante opleiding aan de Erasmus Universiteit Rotterdam geweigerd (een zogenoemd iudicium abeundi). [appellant] is in 2017 gestart met de premaster Pedagogische Wetenschappen aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. Na afronding daarvan is hij op 19 september 2019 begonnen aan de masteropleiding Pedagogische en Onderwijswetenschappen, specialisatie Orthopedagogiek, aan diezelfde universiteit. Op 29 maart 2019 heeft tijdens een werkgroep, waarbij [appellant] als notulist optrad, een incident plaatsgevonden. Nadat [appellant] door de werkgroepleiding en medestudenten werd aangesproken op zijn werkhouding is [appellant] met een dreigende houding naar een medestudent gelopen.

Rechtspraak.nl

Uitspraak

202401378/1/A2.

Datum uitspraak: 10 juli 2024

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

appellant,

en

het college van bestuur van de Erasmus Universiteit Rotterdam (hierna: het college van bestuur),

verweerder.

Procesverloop

Bij beslissing van 12 oktober 2023 heeft het college van bestuur de inschrijving van [appellant] voor de masteropleiding Pedagogische en Onderwijswetenschappen, specialisatie Orthopedagogiek, (hierna: de masteropleiding Orthopedagogiek) definitief beëindigd met ingang van de volgende maand dan wel de (her)inschrijving voor deze opleiding of een verwante opleiding aan de Erasmus Universiteit Rotterdam geweigerd (een zogenoemd iudicium abeundi).

Bij beslissing van 12 februari 2024 heeft het college van bestuur het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen deze beslissing heeft [appellant] beroep ingesteld.

Het college van bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 16 mei 2024, waar [appellant], bijgestaan door mr. R. Verspaandonk, advocaat te Den Haag, en het college van bestuur, vertegenwoordigd door mr. M. de Jong-Noordermeer en dr. M.G. Polak, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.       [appellant] is in 2017 gestart met de premaster Pedagogische Wetenschappen aan de Erasmus Universiteit Rotterdam (hierna: EUR). Na afronding daarvan is hij op 19 september 2019 begonnen aan de masteropleiding Pedagogische en Onderwijswetenschappen, specialisatie Orthopedagogiek, aan diezelfde universiteit.

Voorgeschiedenis

2.       Op 29 maart 2019 heeft tijdens een werkgroep, waarbij [appellant] als notulist optrad, een incident plaatsgevonden. Nadat [appellant] door de werkgroepleiding en medestudenten werd aangesproken op zijn werkhouding is [appellant] met een dreigende houding naar een medestudent gelopen. [appellant] is door de voorzitter van de examencommissie van de faculteit Erasmus School of Social and Behavioural Sciences van de EUR (hierna: de examencommissie) en de premastercoördinator van de opleiding Pedagogische Wetenschappen (hierna: de premastercoördinator) aangesproken op zijn gedrag en heeft een waarschuwing gekregen.

3.       In oktober 2019 is [appellant] in het kader van de masteropleiding begonnen aan een klinische stage bij De Waag. Deze stage is voortijdig beëindigd vanwege ongewenst en agressief gedrag van [appellant]. De stagebegeleider van De Waag heeft op 19 december 2019 met [appellant] een feedbackgesprek gevoerd over zijn onvoldoende presteren. Dit gesprek liep uit op een incident, waarbij [appellant] zich boos en intimiderend heeft gedragen. Vanwege dit incident heeft De Waag bij brief van 24 januari 2020 de stageovereenkomst met ingang van de datum van de brief beëindigd.

4.       Bij beslissing van 14 april 2020 heeft de examencommissie de stage bij De Waag beëindigd en heeft zij aan deelname aan een nieuwe stage de voorwaarde verbonden dat [appellant], alvorens hij daaraan begint, eerst een hersteltraject afrondt. Bij beslissing van 13 juli 2020 heeft het college van beroep voor de examens van de Erasmus Universiteit Rotterdam (hierna: het cobex) het door [appellant] ingestelde administratief beroep tegen de in de beslissing van 14 april 2020 gestelde voorwaarde voor deelname aan een nieuwe stage gegrond verklaard en dat besluit in zoverre vernietigd, omdat de examencommissie niet op grond van artikel 7.42a van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (hierna: de WHW) de bevoegdheid heeft om een dergelijke voorwaarde te stellen.

5.       Bij brief van 5 oktober 2020 heeft de examencommissie, in het kader van haar bevoegdheid om te adviseren over een iudicium abeundi, [appellant] geadviseerd om een zelfverbeteringstraject te doorlopen, waarbij hij hulp zoekt voor agressieregulatieproblemen en onafgestemd gedrag zoals gebleken tijdens het onderwijs en de stage. Bij beslissing van 4 mei 2021 heeft het cobex het door [appellant] daartegen ingestelde administratief beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat de brief van 5 oktober 2020 niet is gericht op rechtsgevolg en daarmee niet als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan worden aangemerkt.

6.       In 2022 is [appellant] gestart met een stage bij ‘s Heeren Loo. Deze stage is op 21 april 2023 voortijdig en per direct beëindigd, nadat zich op 20 april 2023 een incident heeft voorgedaan tussen [appellant] en zijn stagebegeleider.

Besluitvorming

7.       Op 29 juni 2023 heeft het college van bestuur een advies ontvangen van de examencommissie en de decaan van de faculteit Erasmus School of Social and Behavioural Sciences (hierna: de decaan) om de inschrijving van [appellant] bij de masteropleiding Orthopedagogiek definitief te beëindigen dan wel de herinschrijving te weigeren.

Aan dit advies hebben de examencommissie en de decaan in de eerste plaats de vroegtijdige beëindiging van de stages ten grondslag gelegd. Beide stage-instellingen maken melding van ernstige zorgen over de mogelijkheden van [appellant] en zijn houding op het gebied van reflectie, emotieregulatie, professioneel gedrag en respectvolle omgang met cliënten en medewerkers. Zo rapporteren beide instellingen dat [appellant] zich denigrerend gedraagt richting cliënten en/of medewerkers en geven zij aan dat [appellant] ondanks herhaaldelijke feedback en begeleiding niet in staat is om ontwikkeling te laten zien. Daarnaast hebben zich bij allebei de instellingen incidenten van dreigend of agressief gedrag door [appellant] voorgedaan. Ook raakte [appellant] tijdens een stage bij ‘s Heeren Loo in conflict met een cliënt waarbij hij in belangrijke mate verantwoordelijk was voor het ontstaan van het conflict, wat volgens de manager van die instelling zelden voorkomt. De stage-instellingen hebben aan de opleiding te kennen gegeven dat medewerkers en cliënten door het handelen van [appellant] zijn geschaad. [appellant] is door beide stage-instellingen ongeschikt bevonden voor de werkzaamheden als stagiair-orthopedagoog.

Aan het advies hebben de examencommissie en de decaan daarnaast uitingen van onprofessioneel gedrag tijdens het onderwijs ten grondslag gelegd. [appellant] heeft gedurende de premaster vier keer een onvoldoende beoordeling gekregen voor professioneel gedrag. [appellant] is hierop steeds per brief gemaand om zijn gedrag te verbeteren en hem is geadviseerd om hierbij advies in te winnen bij de studieadviseur. [appellant] is toch niet met de studieadviseur aan de slag gegaan met zijn professionele ontwikkeling. De examencommissie en de decaan vermelden in het advies ook het incident tijdens een werkgroep op 29 maart 2019, waarna [appellant] door de examencommissie en de premastercoördinator is uitgenodigd voor een gesprek. In het daaropvolgende vak 2.7C "Orthopedagogiek: Stoornissen bij kinderen" behaalde [appellant] opnieuw een onvoldoende voor professioneel gedrag. Ook tijdens de masteropleiding is [appellant] bij het vak "Diagnostiek" door de tutor aangesproken op zijn onvoldoende betrokkenheid bij de groepsbesprekingen. Daarbij is in het advies opgemerkt dat de gesloten houding van [appellant] en het gebrek aan bereidheid om te reflecteren op zijn eigen gedrag opvalt en dat [appellant] eerder de aanval kiest dan iets anders te doen als hij feedback krijgt op zijn functioneren. In het advies wordt ook gewezen op een melding van plagiaat door [appellant] die in januari 2021 door de examencommissie is behandeld.

In het advies is verder vermeld dat [appellant] erg veel moeite heeft om feedback over zijn tekortkomingen te accepteren en dat hij niet openstaat voor coaching. De examencommissie heeft [appellant] meermaals gewezen op mogelijkheden om aan zijn tekortkomingen te werken. Tot twee keer toe heeft [appellant] administratief beroep ingesteld tegen een opdracht dan wel uitnodiging van de examencommissie die verband hield met remediëring. Ondanks herhaaldelijke uitnodiging voor remediërende gesprekken met de examencommissie heeft [appellant] slechts één keer aan een dergelijk gesprek deelgenomen. Ook de stage-instellingen hebben tevergeefs geprobeerd [appellant] te begeleiden naar het vertonen van het gewenste gedrag.

De optelsom van de incidenten van onprofessioneel en dreigend gedrag en de vruchteloze pogingen tot remediëring geven de examencommissie en de decaan de overtuiging dat [appellant] niet geschikt is voor het beroep waarvoor de opleiding Orthopedagogiek hem opleidt. Dit gedrag is bovendien direct van invloed op de samenwerkingsrelaties tussen betrokkenen binnen de gezondheidszorg en vormt direct en indirect een gevaar voor de cliëntveiligheid. Het opnieuw aanbieden van een remediëringstraject zal naar de verwachting van de examencommissie en de decaan geen uitkomst bieden.

8.       Op 6 juli 2023 heeft het college van bestuur het voornemen kenbaar gemaakt om de inschrijving van [appellant] voor de masteropleiding Orthopedagogiek te beëindigen. Op 25 juli 2023 heeft [appellant] zijn zienswijze op het voornemen gegeven.

9.       Bij de beslissing van 12 oktober 2023 heeft het college van bestuur, onder verwijzing naar het advies van de examencommissie en de decaan, de inschrijving van [appellant] voor de masteropleiding Orthopedagogiek per 1 november 2023 definitief beëindigd dan wel de (her)inschrijving voor deze opleiding of een verwante opleiding aan de EUR geweigerd. Het college van bestuur heeft zich in deze beslissing op het standpunt gesteld dat de ernst van de gedragingen in relatie tot het beroep waarvoor de opleiding opleidt, het uit de weggaan van remediëring en het niet meer kunnen aanbieden van een reële oplossing nopen tot het toepassen van de bevoegdheid van artikel 7.42a van de WHW.

10.     Bij de beslissing van 12 februari 2024 heeft het college van bestuur het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar, onder verwijzing naar het advies van de Geschillenadviescommissie Studenten inzake Iudicium Abeundi (hierna: de geschillenadviescommissie), ongegrond verklaard. De geschillenadviescommissie heeft in haar advies vermeld dat er tijdens het onderwijs en de stages meerdere incidenten zijn geweest die gekwalificeerd moeten worden als respectloos, intimiderend en onfatsoenlijk gedrag. Het gaat hierbij om een herhaling van vergelijkbare gedragingen, die in de context van het toekomstige beroep van orthopedagoog, waarbij veelal met jonge en kwetsbare patiënten moet worden omgegaan, een duidelijk risico en bedreiging voor toekomstige patiënten oplevert. Het is [appellant] door de opleiding voldoende duidelijk gemaakt dat zijn gedrag niet passend was bij het beroep waarvoor hij werd opgeleid. Hij heeft, ondanks verschillende adviezen daartoe, er lange tijd voor gekozen geen behandeling voor zijn gedragsproblematiek te zoeken. Hiermee heeft hij de mogelijkheid laten liggen om zijn gedrag te wijzigen dan wel aannemelijk te maken dat zijn gedrag remedieerbaar is. Er is sprake van gedragingen die het inzetten van de bevoegdheid van artikel 7.42a van de WHW rechtvaardigen. Gezien de ernst van de gedragingen kon geen andere, minder verstrekkende maatregel, worden opgelegd, aldus de geschillenadviescommissie in haar advies.

Beroep

11.     [appellant] betoogt dat de beslissing van 12 februari 2024 onzorgvuldig is voorbereid en ondeugdelijk is gemotiveerd. Volgens [appellant] gaat het college van bestuur uit van een verkeerde veronderstelling van de feiten en de verweten gedragingen. Er heeft geen hoor en wederhoor plaatsgevonden, waardoor de gedragingen niet als vaststaand kunnen worden beschouwd. [appellant] betwist uitdrukkelijk dat hij de stagebegeleider bij de tweede stage complimenten zou hebben gemaakt of dat hij over een toekomst voor hen beiden zou hebben gesproken en dat hij zou hebben gezegd dat zij niet de politie mocht bellen. [appellant] betwist ook dat hem na de beëindiging van de tweede stage een toegangsverbod zou zijn opgelegd. [appellant] voert daarnaast aan dat hij slechts op zijn gedragingen is aangesproken in het kader van het leerproces. Hij heeft hiervoor geen schriftelijke waarschuwing gekregen in kader van de geschiktheid voor de opleiding. Ook al zou van de juistheid van de door het college gestelde feiten moeten worden uitgegaan, dan vormen deze gedragingen, mede gelet op het ontbreken van een formele waarschuwing, bovendien onvoldoende grondslag voor een uitschrijving op grond van artikel 7.42a van de WHW. [appellant] voert verder aan dat uit het schikkingsvoorstel dat hij heeft gedaan volgt dat sprake is van voldoende zelfinzicht. [appellant] voert tot slot aan dat de gevolgen van het besluit onevenredig zijn.

11.1.  Artikel 7.42a van de WHW luidt:

"1. Het instellingsbestuur kan in bijzondere gevallen na advies van de examencommissie, de decaan of een met de decaan vergelijkbaar orgaan binnen de instelling en na zorgvuldige afweging van de betrokken belangen de inschrijving van een student voor een opleiding beëindigen dan wel weigeren, als die student door zijn gedragingen of uitlatingen blijk heeft gegeven van ongeschiktheid voor de uitoefening van een of meer beroepen waartoe de door hem gevolgde opleiding hem opleidt, dan wel voor de praktische voorbereiding op de beroepsuitoefening.

2. Het instellingsbestuur dan wel het instellingsbestuur van een andere instelling die een zelfde of verwante opleiding verzorgt, kan besluiten de student niet opnieuw of niet voor die opleiding in te schrijven.

3. Indien de student, bedoeld in het eerste lid, is ingeschreven voor een andere opleiding en daarbinnen het onderwijs volgt van een afstudeerrichting die overeenkomt met of gelet op de praktische voorbereiding op de beroepsuitoefening verwant is aan de opleiding waarvoor de inschrijving met toepassing van het eerste lid is beëindigd, kan het instellingsbestuur na advies van de examencommissie, de decaan of een met de decaan vergelijkbaar orgaan binnen de instelling en na zorgvuldige afweging van de betrokken belangen besluiten dat de student die afstudeerrichting of andere onderdelen van die opleiding niet mag volgen.

4. Artikel 7.42, vierde en vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing."

11.2.  De Afdeling overweegt, in navolging van de uitspraak van het College van Beroep voor het Hoger Onderwijs van 22 februari 2018 in zaaknummer CBHO 2017/133, dat uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 7.42a van de WHW (Kamerstukken II 2008/09, 31 821, nr. 3, blz. 25 e.v.) volgt dat de in deze bepaling neergelegde bevoegdheid zich richt op gevallen waarin personen door hun gedragingen een bedreiging vormen voor anderen, zoals medestudenten, docenten maar ook voor degenen die op een andere manier deel uitmaken van het onderwijs. De situatie zal zich, aldus voormelde totstandkomingsgeschiedenis, met name voordoen bij de praktijkoefeningen (stages, practica of coschappen) die voorbereiden op de beroepsuitoefening. Van belang is dat het gaat om gedragingen en uitlatingen die in de context van het beroep of de praktijkoefening ontoelaatbaar zijn. De Afdeling overweegt verder dat, gelet op artikel 7.42a van de WHW, het aan het college van bestuur is om een beoordeling te geven over de ongeschiktheid van een student voor de opleiding in relatie tot de uitoefening van een of meer beroepen waartoe de gevolgde opleiding opleidt. Bij deze beoordeling, waarbij het zich ook moet laten adviseren, heeft het college van bestuur beoordelingsruimte. Hierbij zal het college van bestuur bovendien een belangenafweging moeten maken.

11.3.  Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college van bestuur op grond van het samenstel van gebeurtenissen en incidenten, het gezamenlijke advies van de examencommissie en de decaan en de daaraan ten grondslag liggende dossierstukken, van zijn bevoegdheid, neergelegd in artikel 7.42a van de WHW gebruik mogen maken.

11.4.  Daartoe wordt overwogen dat het gezamenlijke advies van de examencommissie en de decaan voldoende wordt ondersteund door verklaringen en gespreksverslagen van zowel medewerkers van de EUR als van De Waag en ‘s Heeren Loo en de stagebeoordelingen van beide stage-instellingen. [appellant] is in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze op dit advies te geven, waarvan hij ook gebruik heeft gemaakt. Het betoog van [appellant] dat geen hoor en wederhoor heeft plaatsgevonden wordt dan ook niet gevolgd. In de verslaglegging van de stage bij ’s Heeren Loo is melding gemaakt van een incident op 20 april 2023, waarbij [appellant] een dwingend verzoek aan de stagebegeleider heeft gedaan om op persoonlijk vlak iets voor hem te betekenen en haar persoonlijke mentor te zijn. Uit het verslag volgt dat toen de stagebegeleider dit weigerde, [appellant] heeft gezegd dat als hij boos zou worden zij niet de politie mocht bellen. Ook is in een verslag van een gesprek op 21 april 2023 over de beëindiging van de stage opgenomen dat de manager van ‘s Heeren Loo [appellant] de toegang tot de stage-instelling heeft ontzegd. De enkele betwisting van hetgeen in deze verslagen is vermeld, is onvoldoende om te twijfelen aan de juistheid ervan. Verder is van belang dat het incident dat zich op 20 april 2023 heeft voorgedaan, en dat tot onmiddellijke beëindiging van de stage bij ‘s Heeren Loo heeft geleid, niet het enige incident is dat zich tijdens die stage heeft voorgedaan. Daarnaast bestaat geen grond voor het oordeel dat [appellant] niet is gewaarschuwd dat zijn gedragingen tot toepassing van de in artikel 7.42a van de WHW neergelegde bevoegdheid zouden kunnen leiden. Zo is [appellant] in de brief van 5 oktober 2020 door de examencommissie meegedeeld dat wanneer hij de gedragsnormen opnieuw overschrijdt, de examencommissie nadrukkelijk zal kijken naar de mogelijkheid om aan het college van bestuur te adviseren om tot uitschrijving van [appellant] van de opleiding over te gaan.

11.5.  Het college van bestuur heeft, onder verwijzing naar het advies van de examencommissie en de decaan, voldoende onderbouwd dat [appellant] door zijn gedragingen blijk heeft gegeven van ongeschiktheid voor de uitoefening van het beroep van orthopedagoog en de praktische voorbereiding daarvan. [appellant] heeft zijn betoog dat dit anders zou zijn niet onderbouwd. Het geven van een waarschuwing is geen wettelijk vereiste om tot beëindiging van de inschrijving over te kunnen gaan. Zoals hiervoor is overwogen is [appellant] desondanks door de examencommissie in die zin gewaarschuwd. Het college van bestuur heeft aan zijn beslissing van 12 februari 2024, onder verwijzing naar het advies van de geschillenadviescommissie, ten grondslag gelegd dat [appellant], ondanks verschillende adviezen daartoe, er lange tijd voor heeft gekozen geen behandeling voor zijn gedragsproblematiek te zoeken. Hiermee heeft hij, zoals het college van bestuur terecht van oordeel is, de mogelijkheid laten liggen om aannemelijk te maken dat zijn gedrag remedieerbaar is. Dat [appellant] in het schikkingsvoorstel dat hij in de bezwaarprocedure heeft gedaan voldoende zelfinzicht heeft getoond maakt, wat hier ook van zij, gelet op deze voorgeschiedenis niet dat het college van bestuur er niet van heeft mogen uitgaan dat er geen uitzicht was op remediëring.

11.6.  Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college van bestuur het belang van [appellant] zorgvuldig gewogen en dat belang niet doorslaggevend hoeven achten bij de beslissing tot definitieve beëindiging van de inschrijving van de masteropleiding. Het college van bestuur heeft de belangen van medestudenten, medewerkers van de universiteit, medewerkers van de stage-instellingen en van toekomstige patiënten zwaarder mogen laten wegen.

Conclusie

12.     Het beroep is ongegrond.

13.     Het college van bestuur hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. A.J.C. de Moor-van Vugt en mr. H. Benek, leden, in tegenwoordigheid van mr. H.A. Komduur, griffier.

w.g. Scholten-Hinloopen

voorzitter

w.g. Komduur

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 10 juli 2024

809

De gegevens worden opgehaald

Hulp bij zoeken

Er is een uitgebreide handleiding beschikbaar voor het zoeken naar uitspraken, met onder andere uitleg over:

Selectiecriteria

De Rechtspraak, Hoge Raad der Nederlanden en Raad van State publiceren uitspraken op basis van selectiecriteria:

  • Uitspraken zaken meervoudige kamers
  • Uitspraken Hoge Raad en appelcolleges
  • Uitspraken met media-aandacht
  • Uitspraken in strafzaken
  • Europees recht
  • Richtinggevende uitspraken
  • Wraking

Weekoverzicht

Selecteer een week en bekijk welke uitspraken er in die week aan het uitsprakenregister zijn toegevoegd.