Uitspraken

Een deel van alle rechterlijke uitspraken wordt gepubliceerd op rechtspraak.nl. Dit gebeurt gepseudonimiseerd.

Deze uitspraak is gepseudonimiseerd volgens de pseudonimiseringsrichtlijn

ECLI:NL:RVS:2025:1068

Raad van State
13-03-2025
19-03-2025
202303834/1/V1
Vreemdelingenrecht
Hoger beroep

Bij besluit van 8 juli 2021 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Rechtspraak.nl

Uitspraak

202303834/1/V1.

Datum uitspraak: 13 maart 2025

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

de minister van Asiel en Migratie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 23 mei 2023 in zaak nr. NL22.23080 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de minister.

Procesverloop

Bij besluit van 8 juli 2021 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Bij besluit van 21 oktober 2022 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 23 mei 2023 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van de uitspraak.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.

De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. L.K. Matpanözer, advocaat in Amsterdam, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Overwegingen

Inleiding

1.       De minister heeft de vreemdeling een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met de beperking ‘studie’ verleend met ingangsdatum 1 september 2019. Bij besluit van 30 maart 2020 heeft de minister deze vergunning per 18 maart 2020 ingetrokken, omdat de vreemdeling per die datum is uitgeschreven uit de Basisregistratie Personen in verband met emigratie. De minister is er daarom van uitgegaan dat de vreemdeling zijn hoofdverblijf buiten Nederland heeft verplaatst. Ook was de vreemdeling afgemeld door het onderwijsinstituut. Het besluit van 30 maart 2020 staat in rechte vast.

1.1.    De minister heeft de aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met de beperking ‘zoekjaar hoogopgeleiden’ afgewezen, omdat hij geen geldige machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv) heeft. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat een vrijstelling van het mvv-vereiste geldt indien de vreemdeling eerder een verblijfsvergunning heeft gehad en deze op het moment van de aanvraag minder dan twee jaar is verlopen. Deze termijn geldt volgens de minister echter niet indien de vreemdeling zijn hoofdverblijf buiten Nederland heeft verplaatst. De minister heeft in dit kader verwezen naar artikel 3.82, tweede lid, aanhef en onder a, van het Vb 2000. Ook heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat de vreemdeling geen omstandigheden naar voren heeft gebracht in verband waarmee de minister niet van hem mag verlangen dat hij terugkeert naar Ghana om daar een mvv aan te vragen.

Het hoger beroep

2.       De minister richt zijn eerste grief tegen het oordeel van de rechtbank dat de beroepsgronden mede een beroep op artikel 3.71, derde lid, van het Vb 2000 bevatten. De minister betoogt dat de vreemdeling op geen enkel moment een beroep heeft gedaan op deze bepaling en daarom is de rechtbank volgens de minister buiten de omvang van het geschil getreden.

2.1.    Uit artikel 8:69 van de Awb volgt dat de bestuursrechter verplicht is de rechtsgronden aan te vullen. De Afdeling is van oordeel dat de rechtbank niet buiten de omvang van het geschil is getreden. Zij heeft terecht ambtshalve de rechtsgronden aangevuld. Uit de zittingsaantekeningen blijkt namelijk dat de gemachtigde van de vreemdeling heeft toegelicht dat het niet redelijk is dat de vreemdeling in Ghana een nieuwe aanvraag moet indienen en dat ter zitting aan de orde is geweest dat dit kan worden geduid als een beroep op de hardheidsclausule. De rechtbank heeft deze opmerking terecht vertaald naar een beroep op artikel 3.71, derde lid, van het Vb 2000.

2.2.    De grief faalt.

3.       De minister richt zijn tweede grief tegen het oordeel van de rechtbank dat hij niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat er geen sprake is van een onbillijkheid van overwegende aard door de vreemdeling het mvv-vereiste tegen te werpen. Volgens de rechtbank heeft de vreemdeling verschillende bewijzen naar voren gebracht van zijn verblijf in Nederland en zijn banden met Nederland, waaronder bankafschriften.

3.1.    De minister betoogt ten onrechte dat voor de discussie of de vreemdeling is uitgeschreven uit de Basisregistratie Personen in verband met emigratie in deze zaak geen plaats meer is, omdat het eerdere besluit van 30 maart 2020 in rechte vaststaat. De omstandigheid dat een besluit in rechte onaantastbaar is geworden, ziet uitsluitend op de met dat besluit tot stand gebrachte rechtsgevolgen. Die omstandigheid brengt niet met zich dat de feiten en omstandigheden die aan dit besluit ten grondslag liggen in rechte zijn komen vast te staan. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 6 januari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:6, onder 9. De rechtbank heeft dus terecht op basis van de in deze zaak voorliggende feiten een oordeel gegeven over de vraag of de vreemdeling zijn hoofdverblijf buiten Nederland heeft. Dat betekent echter niet dat de grief niet slaagt. De vreemdeling heeft alleen stukken overgelegd waaruit volgens hem blijkt dat hij zijn hoofdverblijf niet buiten Nederland heeft verplaatst en hij heeft ter toelichting op de toepassing van de hardheidsclausule geen andere feiten of omstandigheden aangevoerd. Daarom heeft de minister terecht geen aanleiding gezien voor het toepassen van de hardheidsclausule. De minister heeft dus niet ten onrechte geen grond gezien om artikel 3.71, derde lid, van het Vb 2000 toe te passen. De rechtbank is ten onrechte niet tot dat oordeel gekomen.

3.2.    De grief slaagt alleen al hierom.

4.       De minister richt zijn derde grief tegen het oordeel van de rechtbank dat hij niet mocht afzien van het horen van de vreemdeling in bezwaar. De minister betoogt dat het bezwaar niet tot een ander besluit kon leiden en hij daarom mocht afzien van het horen.

4.1.    De rechtbank heeft haar oordeel dat de hoorplicht is geschonden alleen gebaseerd op haar oordeel over de hardheidsclausule. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918, onder 5 tot en met 5.3, is het uitgangspunt dat de minister een vreemdeling hoort in bezwaar en moet hij terughoudend omgaan met uitzonderingen op zijn hoorplicht. De minister mag alleen krachtens artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb van het horen in bezwaar afzien, als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit. Omdat de vreemdeling in bezwaar geen redenen heeft genoemd waarom de minister hem op basis van de hardheidsclausule moest vrijstellen van het mvv-vereiste, heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat er voor de minister in het kader van het beroep op de hardheidsclausule aanleiding was om in bezwaar te horen.

4.2.    Deze grief slaagt ook.

5.       Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. De Afdeling beoordeelt het beroep. Daarbij bespreekt zij alleen beroepsgronden waarover de rechtbank nog geen oordeel heeft gegeven en beroepsgronden waarop na de overwegingen in hoger beroep nog moet worden beslist.

Het beroep

6.       De vreemdeling betoogt dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat hij zijn hoofdverblijf buiten Nederland verplaatst heeft. De vreemdeling stelt zich op het standpunt dat hij zich niet heeft uitgeschreven uit de Basisregistratie Personen. Ook verwijst hij naar kopieën van overgelegde bankafschriften, foto’s, een verklaring van het Masallachi Fonds en verschillende chatgesprekken waaruit volgens hem blijkt dat hij Nederland niet heeft verlaten. In zijn aanvullende beroepsgronden betoogt hij dat over de gehele periode van maart 2020 vliegverboden golden wegens de coronapandemie en het daarom vrijwel niet mogelijk was om zonder gegronde reden het land te verlaten.

6.1.    Het betoog van de vreemdeling slaagt niet. In het besluit van 8 juli 2021 heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat hij de vreemdeling vrijstelt van het mvv-vereiste als de vreemdeling eerder een verblijfsvergunning heeft gehad en die vergunning minder dan twee jaar is verlopen op het moment van de aanvraag, maar dat deze termijn niet geldt als de vreemdeling zijn hoofdverblijf buiten Nederland heeft verplaatst. De minister verwijst naar artikel 3.82, tweede lid, aanhef en onder a, van het Vb 2000. In het besluit van 30 maart 2020 heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat de vreemdeling per 18 maart 2020 uitgeschreven is uit de Basisregistratie Personen in verband met emigratie. De minister mag een uitschrijving van een vreemdeling uit de Basisregistratie Personen als een belangrijke aanwijzing zien dat een vreemdeling zijn hoofdverblijf buiten Nederland heeft verplaatst. Het is vervolgens aan de vreemdeling om dit bewijsvermoeden te weerleggen. Zie de uitspraak van de Afdeling van 24 mei 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1539, onder 2.1. Het betoog van de vreemdeling dat hij zichzelf zich niet heeft uitgeschreven slaagt niet, alleen al omdat dat niet afdoet aan de feitelijke uitschrijving als zodanig, en het daaruit voortvloeiende bewijsvermoeden. De minister heeft derhalve terecht de uitschrijving uit de Basisregistratie Personen als een belangrijke aanwijzing beschouwd voor de verplaatsing van het hoofdverblijf van de vreemdeling. Dat de vreemdeling afgemeld was door het onderwijsinstituut, omdat hij niet meer in Nederland zou zijn, versterkt deze aanwijzing.

6.2.    De minister heeft zich voorts op het standpunt mogen stellen dat de vreemdeling met de overgelegde stukken het uit voormelde uitschrijving voortvloeiende vermoeden dat hij zijn hoofdverblijf buiten Nederland heeft verplaatst, niet heeft weerlegd. Zo laten de bankafschriften zien dat tussen 15 maart 2020 en 29 mei 2020 geen dan wel zeer weinig pintransacties in Nederland hebben plaatsgevonden, terwijl in de periode daarvoor dagelijks dan wel om de zoveel dagen pintransacties bij onder andere verschillende supermarkten zichtbaar zijn. In de perioden daarna is overwegend sprake van de afschrijving van zeer kleine bedragen, en onder meer meerdere substantiële overboekingen vanaf de bankrekening naar Remitly Europe Limited, een dienst die onder meer geldelijke overboekingen vanuit Nederland naar Ghana faciliteert. De bankafschriften laten verder niet zien dat de vreemdeling inkomen uit arbeid in Nederland heeft genoten of dat hij huur ter zake van een woning in Nederland heeft betaald. Dat de vreemdeling, zoals hij ter zitting bij de rechtbank heeft gesteld, zwart in Nederland werkte en ook in Nederland woonde maar geen huurovereenkomst had, heeft hij onvoldoende toegelicht. Het door de vreemdeling ter onderbouwing daarvan ingebrachte enkele chatgesprek over een wifi-toegangscode geeft geen aanknopingspunt dat de vreemdeling in Nederland woonde. Ook de door de vreemdeling overgelegde chatgeschiedenis met zijn gestelde werkgever geeft die aanknopingspunten niet. Daaruit is niet op te maken dat de vreemdeling voor langere tijd in Nederland verbleef. Verder heeft de minister zich ook op het standpunt mogen stellen dat de overige overgelegde stukken niet afkomstig zijn uit objectieve verifieerbare bronnen en hij er daarom minder waarde aan hecht. De door de vreemdeling ter onderbouwing overgelegde foto’s zijn veelal gedateerd voor 18 maart 2020 en voor zover een enkele foto daarna is gedateerd, geven deze geen aanknopingspunten dat hij langere tijd in Nederland verbleef. Het betoog van de vreemdeling dat er vliegverboden golden wegens de coronapandemie, en hij daarom in maart 2020 niet Nederland heeft kunnen verlaten, baat hem niet, omdat dit op zichzelf geen aanknopingspunten geeft dat hij op dat moment feitelijk in Nederland verbleef. Het betoog van de vreemdeling dat de minister uit de uitschrijving van de vreemdeling uit de Basisregistratie Personen in verband met emigratie niet heeft mogen afleiden dat de vreemdeling zijn hoofdverblijf naar het buitenland had verplaatst, heeft de minister daarom niet hoeven volgen.

6.3.    De beroepsgrond faalt.

7.       Het beroep is ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        verklaart het hoger beroep gegrond;

II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 23 mei 2023 in zaak nr. NL22.23080;

III.      verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, voorzitter, en mr. A. Kuijer en mr. J.J.W.P. van Gastel, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Zwemstra, griffier.

w.g. De Poorter

voorzitter

w.g. Zwemstra

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 13 maart 2025

91-1078

De gegevens worden opgehaald

Hulp bij zoeken

Er is een uitgebreide handleiding beschikbaar voor het zoeken naar uitspraken, met onder andere uitleg over:

Selectiecriteria

De Rechtspraak, Hoge Raad der Nederlanden en Raad van State publiceren uitspraken op basis van selectiecriteria:

  • Uitspraken zaken meervoudige kamers
  • Uitspraken Hoge Raad en appelcolleges
  • Uitspraken met media-aandacht
  • Uitspraken in strafzaken
  • Europees recht
  • Richtinggevende uitspraken
  • Wraking

Weekoverzicht

Selecteer een week en bekijk welke uitspraken er in die week aan het uitsprakenregister zijn toegevoegd.