202300225/1/A3.
Datum uitspraak: 19 maart 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
Stichting Gezond Water, gevestigd in Hansweert, gemeente Reimerswaal, (hierna: de stichting)
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 1 december 2022 in zaak nr. 21/2168 in het geding tussen:
de stichting
en
de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
Procesverloop
Bij brief van 27 oktober 2020 heeft de minister aan de stichting medegedeeld dat het handhavingsverzoek van de stichting van 26 januari 2020 geen aanvraag is, omdat zij geen belanghebbende is als bedoeld in artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).
Bij besluit van 20 april 2021 heeft de minister het door de stichting daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
Bij uitspraak van 1 december 2022 heeft de rechtbank het door de stichting daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de stichting hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 20 november 2024, waar de stichting, vertegenwoordigd door [gemachtigde A] en [gemachtigde B], en de minister, vertegenwoordigd door mr. F.O.A. Korff, gemachtigde, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. Op 26 februari 2020 heeft de stichting een handhavingsverzoek ingediend bij de minister over de verkoop van onverpakt vislood in hengelsportwinkels. Volgens de stichting zijn de gezondheidsrisico’s voor het personeel die optreden bij die verkoop in strijd met de veiligheidsvoorschriften. Daarom verzoekt zij de minister om de arbeidsomstandigheden voor winkelpersoneel in hengelsportwinkels in overeenstemming te brengen met de relevante wet- en regelgeving.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft overwogen dat de statutaire doelstelling van de stichting zich richt op het voorkomen en verminderen van verontreiniging van watersystemen, en dat deze doelstelling in onvoldoende rechtstreeks verband staat met de belangen van werknemers van hengelsportwinkels bij de arbeidsomstandigheden met betrekking tot de verkoop van onverpakt vislood.
De rechtbank heeft geoordeeld dat de stichting daarom geen belanghebbende is, en het verzoek van de stichting dus geen aanvraag is als bedoeld in artikel 1:3, derde lid van de Awb. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister dan ook terecht het bezwaar van de stichting niet-ontvankelijk verklaard.
Hoger beroep
3. De stichting is het niet eens met de uitspraak van de rechtbank. Volgens de stichting hebben de doelstellingen van de stichting ook betrekking op projecten gericht op het Nederlandse zoete en zoute water in de breedste zin van het woord, waaronder dus ook moet worden begrepen de bescherming van de menselijke gezondheid tegen de risico’s van onverpakt vislood. Bovendien behoort de voorlichting over onverpakt vislood tot de feitelijke werkzaamheden van de stichting.
Tijdens de zitting bij de Afdeling heeft de stichting aangevoerd dat ook het voeren van procedures onderdeel uitmaakt van de feitelijke werkzaamheden van de stichting. Door handhavingsverzoeken in te dienen tegen de verkoop van onverpakt vislood in hengelsportwinkels probeert de stichting die verkoop te beperken. Daardoor zou uiteindelijk ook minder vislood in de Nederlandse wateren belanden, aldus de stichting.
Beoordeling van het hoger beroep
4. Artikel 1:2, eerste lid, van de Awb, luidt: Onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.
Artikel 1:2, derde lid, van de Awb, luidt: Ten aanzien van rechtspersonen worden als hun belangen mede beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.
Artikel 1:3, derde lid, van de Awb, luidt: Onder een aanvraag wordt verstaan: een verzoek van een belanghebbende, een besluit te nemen.
4.1. De stichting is een bij notariële akte opgerichte stichting en is daarom een rechtspersoon. Voor het antwoord op de vraag of een rechtspersoon die opkomt voor een algemeen belang, belanghebbende is bij een besluit, zijn de statutaire doelstelling en de feitelijke werkzaamheden van de rechtspersoon bepalend. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling wordt een rechtspersoon als belanghebbende aangemerkt als cumulatief aan de eisen van artikel 1:2, derde lid van de Awb wordt voldaan. De door de rechtspersoon te behartigen belangen moeten zowel tot haar doelstellingen als tot haar feitelijke werkzaamheden behoren. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 9 juni 2010 ECLI:NL:RVS:2010:BM7122 onder 2.1.2.
4.2. Het belang dat de stichting volgens haar statuten behartigt, is "het voorkomen en verminderen van verontreiniging van watersystemen om milieuschade en risico’s voor de menselijke gezondheid te voorkomen en te beperken.". Daaruit blijkt dat de stichting zich alleen richt op het algemeen belang van de menselijke gezondheid voor zover dit in verband staat met de verontreiniging van watersystemen. De rechtbank heeft dan ook terecht overwogen dat deze doelstelling niet in direct verband staat met het collectieve belang van de medewerkers van hengelsportwinkels bij hun arbeidsomstandigheden. Nu het verzoek van de stichting uitdrukkelijk gaat over die arbeidsomstandigheden, heeft de rechtbank alleen al daarom terecht geoordeeld dat de stichting geen belanghebbende is bij een besluit op dat verzoek, en dat het verzoek van de stichting dus geen aanvraag is als bedoeld in artikel 1:3, derde lid van de Awb.
Het betoog slaagt niet.
Slotsom
5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
6. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. C.C.W. Lange, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. I.W.M.J. Bossmann, griffier.
w.g. Lange
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Bossmann
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 19 maart 2025
314-1114