202200684/1/R4.
Datum uitspraak: 19 maart 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Tussenuitspraak met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) in het geding tussen:
[appellant] en anderen, allen wonend in Hattem,
appellanten,
en
de raad van de gemeente Hattem,
verweerder
Procesverloop
Bij besluit van 13 december 2021 heeft de raad het bestemmingsplan "Woonzorgzone, Hattem" vastgesteld.
Tegen het besluit van 13 december 2021 hebben [appellant] en anderen beroep ingesteld.
De raad heeft een verweerschrift ingediend.
De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening (hierna: STAB) heeft op verzoek van de Afdeling een deskundigenbericht uitgebracht. De raad heeft zijn zienswijze daarop naar voren gebracht.
De raad heeft een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op zitting behandeld op 2 oktober 2024, waar [appellant] en anderen, vertegenwoordigd door mr. D. Korsse en mr. B.F. Peters, beiden advocaat te Almelo, en de raad, vertegenwoordigd door T.E. Siderius, wethouder van de gemeente Hattem, en drs. S.F. Herder, bijgestaan door mr. B.J. Walraven, advocaat te Rotterdam en door mr. S.J. de Haan, advocaat te Arnhem, zijn verschenen. Voorts zijn Stichting De Luwte, vertegenwoordigd door [gemachtigde A] en [gemachtigde B], Stichting Cambium, vertegenwoordigd door [gemachtigde C], en Schoolvereniging Florion, vertegenwoordigd door [gemachtigde D] en [gemachtigde E], ter zitting als partij gehoord.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is.
2. Het ontwerpplan is op 1 april 2021 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro) en de Crisis- en herstelwet, zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.
Het bestemmingsplan
3. Het bestemmingsplan voorziet in een juridisch-planologisch kader voor de ontwikkeling van drie appartementencomplexen en een woonzorgcomplex met in totaal 120 (zorg)woningen en een Integraal Kind Centrum (hierna: IKC) tussen de Geldersedijk en de Hollewand.
3.1. [appellant] en anderen kunnen zich als omwonenden niet verenigen met de voorziene ontwikkeling. Zij vrezen daardoor een aantasting van hun woon- en leefklimaat.
3.2. Op de zitting hebben [appellant] en anderen toegelicht dat hun beroep niet is gericht tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Hattem (hierna: het college) van 9 november 2021 waarbij op grond van artikel 110a van de Wet geluidhinder hogere waarden zijn vastgesteld ten behoeve van woonzorgzone Hattem.
Hoe beoordeelt de Afdeling een beroep tegen een bestemmingsplan?
4. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling oordeelt niet zelf of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het plan onevenredig zijn in verhouding tot de met het plan te dienen doelen.
4.1. De relevante regels van het bestemmingsplan staan in de bijlage bij deze uitspraak. De bijlage maakt deel uit van deze uitspraak.
Intrekking beroepsgrond en omvang beroep
5. Op de zitting hebben [appellant] en anderen hun beroepsgrond over de molenbiotoop ingetrokken.
Procedurele aspecten
Locatie IKC
6. [appellant] en anderen betogen dat voorafgaand aan de terinzagelegging van het ontwerpplan de gemeente voornemens was om een IKC op een locatie buiten het plangebied mogelijk te maken. Naar aanleiding van geuite zorgen door ouders en schoolbesturen is echter bij amendement alsnog voorzien in een IKC in het plangebied. Door deze wijziging op het laatste moment zijn omwonenden volgens [appellant] en anderen ten onrechte niet in de gelegenheid gesteld alsnog hun zienswijzen over deze wijziging naar voren te brengen.
6.1. De Afdeling stelt vast dat het plan is voorbereid met toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Awb. Niet gebleken is dat de raad niet op juiste wijze toepassing heeft gegeven aan wat is bepaald in die afdeling. Het ontwerpplan - waarin het IKC al was voorzien - is ter inzage gelegd en omwonenden zijn in de gelegenheid gesteld om een zienswijze over het ontwerpplan naar voren te brengen. [appellant] en anderen hebben ook gebruik gemaakt van die mogelijkheid om een zienswijze in te dienen. Dat zij meer bij de planvorming betrokken hadden willen zijn, is begrijpelijk, maar laat onverlet dat niet is gebleken dat de raad niet heeft voldaan aan de eisen die de wet aan de voorbereiding van het plan heeft gesteld. Het bieden van inspraak voorafgaande aan de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan maakt geen deel uit van de in de Wro en het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro) geregelde bestemmingsplanprocedure. Het niet bieden van inspraak in die eerdere fase heeft daarom geen gevolgen voor de rechtmatigheid van het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan.
Het betoog slaagt niet.
Onjuistheden plantoelichting
7. Voor zover [appellant] en anderen wijzen op onjuistheden in de plantoelichting, overweegt de Afdeling dat niet aannemelijk is gemaakt dat de plantoelichting, die overigens als zodanig geen juridisch bindend onderdeel van het bestemmingsplan is, dusdanige onjuistheden en onvolkomenheden bevat dat reeds om die reden geoordeeld dient te worden dat geen goede belangenafweging heeft plaatsgevonden en dat de raad het bestemmingsplan alleen al daarom niet heeft mogen vaststellen.
Het betoog slaagt niet.
Ontbreken milieueffectrapport
8. [appellant] en anderen betogen dat artikel 7.2a, eerste lid, van de Wet milieubeheer de raad verplicht om een milieueffectrapport (hierna: MER) voor plannen op te stellen. Zij betwisten dat ten behoeve van dit bestemmingsplan een beroep kan worden gedaan op de uitzondering zoals neergelegd in artikel 3, eerste lid, onder a, van het Besluit milieueffectenrapportage (hierna: Besluit m.e.r.) op de directe (plan)MER-plicht die voortvloeit uit artikel 7.2a, eerste lid, van de Wet milieubeheer. Niet inzichtelijk is waarom de raad zich op het standpunt stelt dat sprake is van een klein gebied, als bedoeld in dat artikel, aldus [appellant] en anderen. Ook betwisten zij de conclusie in de plan-m.e.r.-beoordeling dat er geen belangrijke nadelige milieugevolgen te verwachten zijn.
8.1. De raad stelt zich op het standpunt dat sprake is van een "klein gebied" als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van het Besluit m.e.r. Dit leidt de raad af uit de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 21 december 2016, in zaak C-444/15, ECLI:EU:C:2016:978.
8.2. Vast staat dat ten behoeve van het bestemmingsplan een passende beoordeling is opgesteld, zodat in beginsel op grond van artikel 7.2a van de Wet milieubeheer een verplichting bestaat tot het opstellen van een MER. De vraag ligt voor of is voldaan aan de vereisten uit artikel 3 van het Besluit m.e.r., in het bijzonder of sprake is van een plan dat het gebruik bepaalt van een klein gebied. De beoordeling van de vraag of sprake is van een klein gebied, moet naar het oordeel van de Afdeling worden bezien in relatie tot het totale grondgebied van het bevoegde lokale gezag, zoals aangegeven in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2 van het Besluit m.e.r. De Afdeling baseert dat oordeel op het volgende. Uit de Nota van toelichting bij het Besluit m.e.r. (Stb. 2020, 528, blz. 7, 9 en 15) volgt dat de wetgever voor ogen had om aan te sluiten bij de criteria die volgen uit artikel 3 van de SMB-richtlijn (Richtlijn 2001/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2001 betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma's (PbEG 2001, L 197)). In het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 21 december 2016, C 444/15, ECLI:EU:C:2016:978 (Associazione Italia Nostra Onlus) is een nadere uitleg van die criteria gegeven. Onder 73 heeft het Hof overwogen:
"Vastgesteld moet dan ook worden dat de Uniewetgever, door het begrip „kleine gebieden op lokaal niveau" te gebruiken, het grondgebied dat valt onder de bevoegdheid van de lokale instantie die het betrokken plan of programma heeft opgesteld en/of vastgesteld, als maatstaf heeft willen gebruiken. Aangezien het gebruik van „kleine gebieden" naast de bepaling op lokaal niveau als voorwaarde wordt gesteld, is het verder zo dat de omvang van het betrokken gebied, vergeleken met die van dat grondgebied, gering moet zijn."
8.3. In haar uitspraak van 21 december 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3910, heeft de Afdeling ten aanzien van een plangebied dat ongeveer 1% van het gehele grondgebied van een gemeente omvatte, geoordeeld dat dit kan worden aangemerkt als een ‘klein gebied’ als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder a, van het Besluit m.e.r. In de plan-m.e.r.-beoordeling wordt geconcludeerd dat de schaal en oppervlakte van het plan in relatie tot de omvang van de gemeente Hattem gering is. De Afdeling stelt vast dat de omvang van het plangebied minder dan 1% van het grondgebied van Hattem betreft. De Afdeling oordeelt daarom dat het plan betrekking heeft op het gebruik van een ‘klein gebied’ zoals bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2 van het Besluit m.e.r.
8.4. Gelet op artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3 van het Besluit m.e.r., moet ook worden vastgesteld dat, ook al is sprake van een klein gebied, zich als gevolg van het plan geen aanzienlijke milieueffecten voordoen. Dat heeft de raad beoordeeld in de plan-m.e.r.-beoordeling, waarbij onder meer wordt verwezen naar de akoestische onderzoeken die aan het bestemmingsplan ten grondslag zijn gelegd. [appellant] en anderen hebben hun stelling dat de conclusie in de plan-m.e.r.-beoordeling onjuist is, aan de hand van verschillende beroepsgronden onderbouwd. De Afdeling zal deze beroepsgronden van [appellant] en anderen hierna bespreken. Zoals uit de vervolgoverwegingen van deze uitspraak zal blijken, is het oordeel van de Afdeling dat de conclusie in de plan-m.e.r.-beoordeling niet zorgvuldig tot stand is gekomen. Dit brengt met zich dat de Afdeling vooralsnog niet kan vaststellen of de raad zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het plan geen aanzienlijke milieueffecten heeft. Hierdoor kan de Afdeling vooralsnog niet vaststellen of de raad zich terecht heeft beroepen op de uitzondering als bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit m.e.r. Dit zal zij in de einduitspraak doen.
Maatschappelijke bestemming
9. [appellant] en anderen betogen dat met de maatschappelijke bestemming in meer dan alleen een IKC wordt voorzien, waaronder medische, sociale, educatieve, culturele en religieuze voorzieningen. In de onderzoeken die ten grondslag liggen aan het bestemmingsplan is geen rekening gehouden met deze gebruiksmogelijkheden. Gelet hierop is het bestemmingsplan volgens hen in zoverre in strijd met artikel 3.1 van de Wro en artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb.
9.1. De raad stelt zich op het standpunt dat een andere invulling van de maatschappelijke bestemming dan een IKC voor deze gronden niet representatief is.
9.2. De Afdeling volgt het standpunt van de raad niet. Hierbij neemt de Afdeling het volgende in aanmerking. Hoewel niet in geschil is dat de raad met de bestemming "Maatschappelijk" heeft bedoeld te voorzien in de huisvesting van basisscholen "De Zaaier" en de "Van Heemstraschool" en kinderopvang, laat dat onverlet dat, gelet op artikel 1.39, in samenhang bezien met artikel 5.1, onder a, van de planregels, met de bestemming "Maatschappelijk" in zijn algemeenheid is voorzien in (onder meer) voorzieningen in de medische, sociale en culturele, religieuze en administratieve sfeer. Gelet hierop staat het bestemmingsplan - dat voor herhaalde toepassing vatbaar is - er niet aan in de weg dat de gronden met de maatschappelijke bestemming op enig moment een andere maatschappelijke functie krijgen dan een IKC. De stelling van de raad dat het uitgangspunt dat op de gronden met een maatschappelijke bestemming een IKC wordt gerealiseerd een representatieve invulling van de maximale planologische mogelijkheden van de maatschappelijke bestemming betreft, omdat de resterende voorziene gebruiksmogelijkheden binnen deze bestemming minder geluidbelasting opleveren volgt de Afdeling ook niet, reeds niet omdat de raad de juistheid van deze stelling niet aannemelijk heeft gemaakt. Bovendien betreft het aspect geluid slechts een van de ruimtelijke aspecten die de raad bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te beoordelen. [appellant] en anderen stellen dan ook terecht dat in de verrichte ruimtelijke onderzoeken naar de ruimtelijke gevolgen van het plan niet kon worden volstaan met het gebruik van de gronden als IKC. Dit was anders geweest als was voorzien in een maatbestemming voor het IKC. In zoverre heeft de raad het plan onzorgvuldig voorbereid en in strijd met artikel 3:2 van de Awb vastgesteld.
Het betoog slaagt.
9.3. De raad heeft op de zitting benadrukt dat het zijn bedoeling was om met de bestemming "Maatschappelijk" enkel en alleen te voorzien in een IKC. De Afdeling ziet uit het oogpunt van finale geschilbeslechting dan ook aanleiding de overige beroepsgronden van [appellant] en anderen te bespreken, waarbij de Afdeling ervan uitgaat dat binnen de bestemming "Maatschappelijk" alleen is voorzien in een IKC waarbij educatieve voorzieningen en kinderopvang integraal zijn samengebracht.
Groenbestemming
10. [appellant] en anderen betogen dat de raad binnen de groenbestemming ten onrechte onvoorwaardelijk heeft voorzien in speeltuinen. Hierdoor vrezen zij een aantasting van hun akoestisch woon- en leefklimaat. De raad had dit volgens hen moeten reguleren door slechts op bepaalde specifieke plaatsen de aanduiding ‘speeltuin’ op te nemen.
10.1. De raad ziet speelterreinen op de gronden direct rondom de voorziene woontorens niet als een representatieve invulling van de groenbestemming. Indien de gronden rondom de voorziene woontorens onverhoopt als kleinschalige speeltuin in gebruik worden genomen, bestaat volgens de raad geen reden om aan te nemen dat het gebruik van de gronden als kleinschalige speelterrein tot onaanvaardbare geluidhinder voor [appellant] en anderen leiden.
10.2. Aan de gronden rondom de drie voorziene woontorens is de bestemming "Groen" toegekend. Op grond van artikel 4.1, aanhef en onder a en b, van de planregels zijn de voor "Groen" aangewezen gronden bestemd voor groenvoorzieningen en speelterreinen. Op grond van artikel 4.2.2 van de planregels mogen speelvoorzieningen een bouwhoogte hebben van maximaal 5 meter en mogen overige bouwwerken een bouwhoogte hebben van maximaal 3 meter. Over de aard en de omvang van de speelvoorzieningen zijn door de raad verder geen regels geformuleerd. De omvang van deze bestemmingsvlakken bij de drie verschillende woonblokken varieert van ongeveer 800-1200 m2. Gelet hierop en nu de aard en omvang van de speelvoorzieningen, behoudens de bouwhoogte, niet zijn gereguleerd in het bestemmingsplan, volgt de Afdeling de stelling van de raad dat de invulling van deze groene bestemmingsvlakken als speeltuin niet representatief is, niet. Onder deze omstandigheden is de Afdeling van oordeel dat de raad zich niet op het standpunt mocht stellen dat regels omtrent de maximale omvang en de aard en/of locatie van de speeltoestellen in de planregels binnen de groenbestemming bij voorbaat overbodig zijn. In zoverre heeft de raad het plan onzorgvuldig voorbereid en in strijd met artikel 3:2 van de Awb vastgesteld.
Het betoog slaagt.
Woonbestemming
11. [appellant] en anderen betogen dat de raad met de toekenning van de bestemming "Wonen - Woongebouw" aan Hollewand Zuid niet heeft bereikt wat hij heeft beoogd. Door de toekenning van een woonbestemming aan de Hollewand Zuid, staat het bestemmingsplan volgens hen niet in de weg aan reguliere bewoning. Gelet op de wens van de raad om ter plaatse te voorzien in intramurale zorg, had volgens hen een maatschappelijke bestemming, eventueel met de aanduiding ‘zorginstelling’, toegekend moeten worden. Intramurale zorg verdraagt zich volgens hen niet met een reguliere woonbestemming. In zoverre kleeft volgens [appellant] en anderen dan ook een zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek aan het plan.
11.1. Aan de gronden waar drie appartementencomplexen zijn voorzien is de bestemming "Wonen - Woongebouw" toegekend met de aanduidingen "bouwvlak" en "maximum bouwhoogte (m): 10". Op grond van artikel 7.1, aanhef en onder a, van de planregels zijn de voor "Wonen - Woongebouw" aangewezen gronden bestemd voor: het wonen, al dan niet in combinatie met een aan-huis-verbonden beroep, waarbij het aantal woningen in totaal, in combinatie met het aantal woningen dat gerealiseerd wordt binnen de bestemming "Gemengd" niet meer dan 120 mag zijn.
In artikel 1.55 van de planregels is ‘woning’ gedefinieerd als een complex van ruimten, geschikt en bestemd voor de huisvesting van niet meer dan één huishouden, waaronder begrepen eventueel gemeenschappelijk gebruik van bepaalde ruimten.
11.2. In paragraaf 2.2 van de plantoelichting staat dat de raad heeft beoogd om in de twee zuidelijke gebouwen ook een zorgcomponent toe te voegen ten dienste van de bewoners in de vorm van een ruimte waar zorgverleners - indien dat nodig is - kunnen komen om van daaruit service te verlenen en/of zelfs een keer kunnen overnachten. Voor de vraag of dit gebruik in overeenstemming is met de bestemming "Wonen - Woongebouw" (en of de raad dus heeft bereikt wat hij heeft beoogd) is van belang wat in artikel 7.1, aanhef en onder a, van de planregels onder ‘wonen’ moet worden verstaan. Het bestemmingsplan kent geen definitie van ‘wonen’, zodat aangesloten moet worden bij het normale taalgebruik. Niet in geschil is dat met de toekenning van de bestemming "Wonen - Woongebouw" is voorzien in reguliere bewoning. Hoewel naast zelfstandige bewoning door een gezin, ook minder traditionele woonvormen zich met een woonbestemming verdragen indien daarbij sprake is van nagenoeg zelfstandige bewoning (vergelijk de uitspraak van 29 november 2006, ECLI:NL:RVS:2006:AZ3261, r.o. 2.1.2 en 2 oktober 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1348, r.o. 3.2), dient de woonfunctie - vanwege het ontbreken van een definitiebepaling in de planregels van ‘wonen’ die anders bepaalt - binnen de bestemming "Wonen - Woongebouw" het hoofddoel te blijven. [appellant] en anderen stellen terecht dat op het moment dat de nadruk van het verblijf in de woningen verschuift van zelfstandige bewoning naar zorg, dat gebruik zich niet langer verdraagt met de bestemming "Wonen - Woongebouw" maar een meer maatschappelijk karakter krijgt. De Afdeling begrijpt de raad in paragraaf 2.2 van de plantoelichting aldus dat hij met de bestemming "Wonen - Woongebouw" ook heeft willen voorzien in een woonvorm waarbij de nadruk - al dan niet tijdelijk - ligt op het zorgelement. Het moment waarop deze verschuiving niet langer in overeenstemming is met de bestemming "Wonen - Woongebouw" acht de Afdeling echter onduidelijk. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de veranderende opvattingen over en ontwikkeling in de zorg ertoe hebben geleid dat steeds meer andere dan traditionele, meer kleinschalige, initiatieven in het leven worden geroepen, waarbij zorg wordt aangeboden in combinatie met al dan niet meer of minder zelfstandige bewoning. In de praktijk zal dit in het kader van de handhaving rechtsonzekere situaties opleveren. De definitie in de planregels van ‘woning’ in artikel 1.55 doet aan dit oordeel niet af, omdat de definitie van woning geen betekenis toekomt bij de uitleg van wat onder de gebruiksfunctie ‘wonen’ in artikel 7.1, aanhef en onder a, van de planregels moet worden verstaan. Nog daargelaten dat deze definitie ook niet overeenstemt met het gebruik dat de raad blijkens paragraaf 2.2 van de plantoelichting voor de twee voorziene zuidelijke gebouwen met de bestemming "Wonen - Woongebouw" voor ogen had. Het voorgaande maakt dat het bestemmingsplan in zoverre in strijd met de rechtszekerheid is vastgesteld.
Het betoog slaagt.
Bestemming "Gemengd"
12. Het beroep van [appellant] en anderen is voorts gericht tegen het plandeel met de bestemming "Gemengd". Dit plandeel is volgens hen in strijd met de rechtszekerheid vastgesteld, omdat onduidelijk is of ook is voorzien in reguliere bewoning. Voorts ontbreekt een definitie van woonzorgcentrum, zodat niet duidelijk is wat daaronder moet worden verstaan.
12.1. De raad stelt zich op het standpunt dat uit de planregels duidelijk volgt wat met de bestemming "Gemengd" is voorzien, zo ook dat reguliere bewoning tot de gebruiksmogelijkheden behoort. Met de raad is de Afdeling van oordeel dat het bestemmingsplan in zoverre niet in strijd met de rechtszekerheid is vastgesteld. Duidelijk is dat de raad, naast woonvormen waarbij de zelfstandige bewoning prevaleert boven het zorgcomponent, ook heeft willen voorzien in woonvormen waarbij de nadruk van het gebruik ligt op de zorgcomponent. De Afdeling acht de term woonzorgcentrum daarbij voldoende duidelijk. Om die reden mocht de raad naar het oordeel van de Afdeling afzien van de opname van een definitie van ‘woonzorgcentrum’ in de planregels.
Het betoog slaagt niet.
Behoefte
13. [appellant] en anderen betogen dat het bestemmingsplan in strijd met artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro is vastgesteld. Hiertoe voeren zij aan dat niet aan de hand van een analyse met objectieve en actuele cijfermatige gegevens is aangetoond dat behoefte bestaat aan de voorziene woningbouw. Niet inzichtelijk is volgens hen hoe de behoefte aan woningen in Hattem zich verhoudt tot de harde (plan)capaciteit. Evenmin is gebleken van regionale afstemming. Bij de laddertoets in de plantoelichting is bovendien ten onrechte niet uitgegaan van de maximale planologische mogelijkheden, omdat de behoefte aan het IKC helemaal niet wordt beschreven. Gelet op het voorgaande is het bestemmingsplan volgens [appellant] en anderen ook in strijd met artikelen 2.1 en 2.2 van de Omgevingsverordening Gelderland 2021 en artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb.
13.1. Niet in geschil is dat het bestemmingsplan voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro schrijft - onder meer - voor dat de toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt een beschrijving bevat van de behoefte aan die ontwikkeling. Die beschrijving is ten aanzien van de voorziene woningbouw opgenomen in paragrafen 3.1 en 3.3 van de toelichting bij het bestemmingsplan. In paragraaf 2.2 staat beschreven waarom tevens is voorzien in een IKC. Ten aanzien van in de toelichting opgenomen uiteenzettingen en berekeningen die zien op toekomstige ontwikkelingen, of in de documenten waarnaar in de toelichting ter beschrijving van de behoefte wordt verwezen, beoordeelt de Afdeling of wat in beroep is aangevoerd aanleiding geeft te oordelen dat die verwachtingen omtrent deze ontwikkelingen zodanig afwijken van wat redelijkerwijs is te verwachten dat het bestuursorgaan zich hier bij zijn besluitvorming niet op heeft mogen baseren (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 6 november 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1859 en 28 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1724 (overzichtsuitspraak)).
13.2. Uit paragrafen 3.1 en 3.3 van de plantoelichting en het woonbehoefteonderzoek waarvan de resultaten zijn neergelegd in het rapport "Inzicht in de Hattemse woningbehoefte" van 11 september 2019 (hierna: het woonbehoefteonderzoek), opgesteld door Bureau Stedelijke Planning, volgt dat de raad heeft bezien of sprake is van een behoefte aan de in het plan voorziene ontwikkelingen. De Afdeling is van oordeel dat de raad zich terecht op het standpunt stelt dat de plantoelichting, in samenhang met het woonbehoefteonderzoek, voldoende gegevens bevat om in dit geval te kunnen dienen als een onderzoek naar de behoefte als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de raad onder verwijzing naar het woonbehoefteonderzoek waarnaar in de plantoelichting wordt verwezen nog heeft toegelicht dat in de periode 2019-2029 het aantal huishoudens in Hattem blijft groeien met ongeveer 330 huishoudens en in de periode 2029-2040 met nog eens ongeveer 240 huishoudens, terwijl de harde plancapaciteit in 2019 slechts 140 woningen bedroeg. Verder wordt in het woonbehoefteonderzoek de kwalitatieve opgave om meer woningen in Hattem geschikt te maken of te realiseren voor de vergrijzende bevolking sterk benadrukt. In wat [appellant] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling - mede gezien de huidige ontwikkelingen op de woningmarkt - geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de raad zich ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan niet op dit woonbehoefteonderzoek uit 2019 mocht baseren. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich met het oog op artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro niet op het standpunt mocht stellen dat het plan voor wat betreft woningbouw voorziet in een behoefte.
Het betoog slaagt in zoverre niet.
13.3. Voor zover [appellant] en anderen aanvoeren dat in paragrafen 3.1 en 3.3 wordt gerefereerd aan een woonbehoefteonderzoek van Triada en dat niet duidelijk is op welk onderzoek wordt gedoeld omdat dit onderzoek niet na de vaststelling van het bestemmingsplan ter inzage is gelegd, overweegt de Afdeling dat deze beroepsgrond gaat over een mogelijke onregelmatigheid van na de datum van het bestreden besluit. Alleen al daarom kan de gestelde onregelmatigheid de rechtmatigheid van het besluit niet aantasten. Deze mogelijke onregelmatigheid kan dus geen reden zijn voor de vernietiging van het bestreden besluit.
Het betoog slaagt niet.
13.4. In paragraaf 2.2 van de plantoelichting staat onder verwijzing naar de visie "Toekomstvisie en onderwijshuisvesting gemeente Hattem", vastgesteld in oktober 2017, dat de bouwkundige staat en onderwijskundige visie uitwijst dat de huidige panden van de basisscholen in Hattem - waaronder de Heemstraschool die zich in het plangebied bevindt - niet meer geschikt zijn. Besloten is daarom dat zes Hattemse basisscholen geclusterd gaan worden op drie locaties waar - eventueel samen met kinderopvangpartners - een IKC wordt gevormd. In maart 2019 heeft de raad blijkens de plantoelichting besloten dat het eerste cluster - bestaande uit de basisscholen De Zaaier en de Van Heemstraschool - vanwege de slechte staat van de huidige gebouwen en op basis van leerlingenprognoses als eerste wordt gerealiseerd. Onder deze omstandigheden ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt stelt dat de plantoelichting voldoende gegevens bevat om in dit geval te kunnen dienen als een beschrijving als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro van de lokale behoefte aan een IKC waar deze twee basisscholen deel van uitmaken.
Het betoog slaagt in zoverre niet.
13.5. Over het betoog dat het bestemmingsplan in strijd met artikelen 2.1 en 2.2 van de Omgevingsverordening Gelderland is vastgesteld, overweegt de Afdeling het volgende. Anders dan uit artikel 2.2, vloeien uit artikel 2.1 van de Omgevingsverordening geen rechtstreekse verplichtingen voort die gelden bij de vaststelling van een bestemmingsplan. Artikel 2.2, eerste lid, van de Omgevingsverordening daarentegen schrijft voor dat een bestemmingsplan alleen in nieuwe woningen mag voorzien als die ontwikkeling past binnen de door het college van gedeputeerde staten van Gelderland vastgestelde woonagenda. De raad heeft in dat verband toegelicht dat de regionale woonagenda van de regio Noord-Veluwe openbaar is en dat de woonzorgzone Geldersedijk (ook wel bekend als locatie ‘Oude IJsbaan’) al sinds 2010 op de provinciale planningslijst staat. Dit is door [appellant] en anderen niet betwist. Onder deze omstandigheden ziet de Afdeling geen aanknopingspunten dat het bestemmingsplan in strijd met artikel 2.2, eerste lid, van de Omgevingsverordening Gelderland is vastgesteld of dat in strijd met artikelen 3.1.1 en 3.1.6, eerste lid, aanhef en onder c, van het Bro ten onrechte geen regionale afstemming heeft plaatsgevonden.
Het betoog slaagt niet.
Akoestische gevolgen IKC
14. [appellant] en anderen betogen dat het akoestisch onderzoek dat ten grondslag is gelegd aan het bestemmingsplan ondeugdelijk is. Het betreft het rapport "Akoestisch onderzoek school in woonzorgcomplex te Hattem", van 14 oktober 2021 (hierna: het akoestisch rapport), opgesteld door Adviesbureau Van der Boom en de aanvullende akoestische notitie "Geluidbelasting woningen plan woonzorgzone" van 9 december 2021 (hierna: de aanvullende akoestische notitie). Zo liggen aan dit onderzoek, kort gezegd, volgens hen onjuiste uitgangspunten ten grondslag en is ten onrechte niet uitgegaan van de maximale planologische mogelijkheden (waaronder de voorziene speeltuinen, de zogenoemde beweegboulevard en het schoolplein). Zij verwijzen, ter ondersteuning van deze beroepsgrond, naar een drietal memo’s, opgesteld door de Nederlandse Stichting Geluidshinder. De voorwaardelijke verplichting, zoals neergelegd in artikel 5.3.2 van de planregels, is volgens hen onuitvoerbaar.
14.1. De raad heeft bij de beoordeling van het akoestisch klimaat van de voorziene woningen aansluiting gezocht bij de toetsingssystematiek uit de Brochure "Bedrijven en milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna: de VNG-brochure). Daarin zijn afstanden aanbevolen die kunnen worden aangehouden tussen woningen en bedrijven. De aanbevolen richtafstand geldt tussen enerzijds de grens van de milieubelastende bestemming en anderzijds de uiterste situering van de gevel van de woning die volgens het bestemmingsplan (of via vergunningvrij bouwen) mogelijk is. De aanbevolen afstanden zijn afhankelijk van het type omgeving waarin het plangebied ligt.
Indien wordt voldaan aan de toepasselijke richtafstand uit de VNG-brochure voor - in dit geval - het aspect geluid, dan kan volgens de toetsingssystematiek van de VNG-brochure in beginsel verdere toetsing voor het aspect geluid achterwege blijven (stap 1). De richtafstanden kunnen, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, blijkens de VNG-brochure met één afstandsstap worden verlaagd indien sprake is van het omgevingstype gemengd gebied. Indien niet wordt voldaan aan de richtafstand, dan dient de raad volgens de toetsingssystematiek met akoestisch onderzoek aan te tonen dat de geluidbelasting op woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen voldoet aan de geluidwaarden in paragraaf B5.3 van bijlage 5 van de VNG-brochure.
14.2. In de VNG-brochure wordt vanwege het aspect geluid bij basisscholen en kinderdagopvang een richtafstand van 30 meter tot gevoelige objecten aanbevolen, vanwege het aspect geluid. De afstand tussen de bestemming "Maatschappelijk" (waar het IKC is voorzien) en de woningen waarin het bestemmingsplan voorziet bedraagt ongeveer 25 meter. Deze afstand is korter dan de aanbevolen richtafstand voor basisscholen van 30 meter. Om er zeker van te zijn dat bij de woningen waar het bestemmingsplan in voorziet sprake is van een aanvaardbaar akoestisch woon- en leefklimaat, heeft de raad een akoestisch onderzoek verricht naar de akoestische gevolgen van het voorziene IKC op de nieuw voorziene woningen, waarbij ervan is uitgegaan dat het schoolplein/speelplaats aan de westzijde wordt gesitueerd. De resultaten van dit akoestisch onderzoek zijn neergelegd in het akoestisch rapport en de aanvullende akoestische notitie.
14.3. De Afdeling stelt voorop dat het akoestisch onderzoek, waarvan de resultaten zijn neergelegd in het akoestisch rapport en de aanvullende akoestische notitie, alleen is verricht om te kunnen beoordelen of bij de woningen waarin het bestemmingsplan voorziet sprake is van een aanvaardbaar akoestisch woon- en leefklimaat. Zouden de inhoudelijke beroepsgronden van [appellant] en anderen over voormeld akoestisch onderzoek al slagen, dan maakt die omstandigheid op zichzelf bezien - gezien de systematiek van de VNG-brochure - niet dat de raad ook ten aanzien van het woon- en leefklimaat van [appellant] en anderen gehouden was akoestisch onderzoek te verrichten. Daarom laat de Afdeling de beroepsgronden van [appellant] en anderen die zien op het akoestisch rapport en de aanvullende akoestische notitie buiten beschouwing.
14.4. Een deel van de woningen van [appellant] en anderen ligt op meer dan 30 meter afstand van de gronden die in het plangebied de bestemming "Maatschappelijk" hebben gekregen. Voor deze woningen wordt aan de (maximale) richtafstand uit de VNG-brochure voldaan en kan de raad om die reden ervan uitgaan dat het woon- en leefklimaat in deze woningen aanvaardbaar is. In dat geval is het aan [appellant] en anderen om op bijzondere omstandigheden te wijzen waardoor niet van deze richtafstand uitgegaan had kunnen worden. [appellant] en anderen hebben geen bijzondere omstandigheden aangevoerd.
Voor zover [appellant] en anderen stellen dat een aantal van hen binnen de aanbevolen richtafstand woont en dat overeenkomstig de toetsingssystematiek ten onrechte is afgezien van nader akoestisch onderzoek, overweegt de Afdeling het volgende. [appellant] en anderen doelen op de woningen in het woonzorgcomplex aan het Hof van Blom, ten zuidoosten van het voorziene IKC. Het woonzorgcomplex ligt nabij de Van Heemstraschool en nabij een drukke weg, de Geldersedijk. Gezien de reeds ter plaatse aanwezige functiemenging en de ligging nabij een drukke weg, mocht de raad zich naar het oordeel van de Afdeling op het standpunt stellen dat deze woningen van [appellant] en anderen in omgevingstype "gemengd gebied" liggen. Dit brengt met zich dat overeenkomstig de toetsingssystematiek van de VNG-brochure de aanbevolen richtafstand met een afstandsstap mocht worden verlaagd van 30 meter naar 10 meter. Vast staat dat de afstand van de voorziene bestemming "Maatschappelijk" tot de uiterste situering van de gevel van het woonzorgcomplex aan het Hof van Blom ten minste 10 meter bedraagt. Niet aannemelijk is dat de gevel van het woonzorgcomplex vergunningvrij dichter richting het voorziene IKC kan worden verplaatst. Gelet hierop wordt ook ten aanzien van de woningen van [appellant] en anderen aan het Hof van Blom voldaan aan de aanbevolen richtafstand uit de VNG-brochure van 10 meter, zodat overeenkomstig het uitgangspunt van de VNG-brochure de raad in beginsel mocht afzien van akoestisch onderzoek. In wat [appellant] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de raad daar in dit geval wel toe gehouden was.
Het betoog slaagt niet.
14.5. Voor zover [appellant] en anderen hebben aangevoerd dat artikel 5.3.2, aanhef en onder b, van de planregels onuitvoerbaar is, overweegt de Afdeling het volgende. Op grond van deze planregel mag een omgevingsvergunning voor bouwen pas worden verleend als uit een bijgevoegd akoestisch onderzoek blijkt dat het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau van 50 dB(A) en een maximaal geluidniveau van 70 dB(A) op de omliggende woningen niet overschreden worden. De Afdeling overweegt dat de raad daarmee de afweging of in zoverre sprake is van een goede ruimtelijke ordening van een bij recht voorziene functie doorschuift naar een later tijdstip, te weten naar het moment dat het college van burgemeester en wethouders moet beslissen of toepassing wordt gegeven aan artikel 5.3.2, aanhef en onder b, van de planregels. Dat is niet in overeenstemming met het systeem van artikel 3.1 van de Wro op grond waarvan de raad bij de vaststelling van het plan moet hebben afgewogen of de situaties die met voorziene functies kunnen ontstaan uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening aanvaardbaar zijn (vergelijk de uitspraken van de Afdeling van 18 juli 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX1872, r.o. 2.3.6 of 18 juni 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2217).
Het betoog slaagt.
Wegverkeerslawaai
15. [appellant] en anderen betogen dat onduidelijk is of het gebruik van stil asfalt noodzakelijk is om een aanvaardbaar woon- en leefklimaat bij de bestaande woningen (en de nieuwe woningen en het IKC) te waarborgen. Hoewel de raad die maatregel als niet kosteneffectief heeft aangemerkt, heeft het college besloten deze maatregel wel toe te passen. Als het treffen van die maatregel voor het college is ingegeven ter borging van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, dan is volgens [appellant] en anderen ten onrechte niet in de planregels gewaarborgd dat gebruik wordt gemaakt van stil asfalt.
15.1. Ten behoeve van het bestemmingsplan is het rapport "Geluidbelasting wegverkeer op woonzorgzone Geldersedijk te Hattem" van 9 december 2021 opgesteld door Adviesbureau Van der Boom, bijlage 4 van de plantoelichting (hierna: het onderzoek wegverkeerslawaai). Hierin zijn de resultaten neergelegd van het onderzoek naar de geluidbelasting door wegverkeer op de voorziene woningen en het IKC. Hieruit volgt dat de voorkeurgrenswaarde van 48 dB zal worden overschreden bij zowel de voorziene woningen als bij het IKC, maar dat de maximale hogere waarde van 63 dB bij geen van de rekenpunten wordt overschreden. Beoordeeld is of maatregelen genomen kunnen worden om de geluidbelasting terug te brengen naar de voorkeurgrenswaarden. In dit verband wordt in voornoemd rapport ten aanzien van stil asfalt geconcludeerd dat het gezien de kosten van stil asfalt en de problemen met het onderhoud van stille wegdekken met een korte weglengte voor het terugdringen van de geluidbelasting op deze locatie niet kosteneffectief is. Dit is de reden waarom het college bij besluit van 9 november 2021, onder verwijzing naar het onderzoek wegverkeerslawaai, hogere waarden heeft vastgesteld ten behoeve van de voorziene woningen en het IKC.
15.2. Het onderzoek wegverkeerslawaai ziet enkel en alleen op de akoestische gevolgen van het wegverkeer voor de planologisch voorziene woningen en IKC. De beroepsgrond van [appellant] en anderen ziet onder meer op de vraag of met inachtneming van artikel 110a, vijfde lid, van de Wet geluidhinder terecht is geconcludeerd dat toepassing van maatregelen, gericht op het terugbrengen van geluidbelasting van de weg - in dit geval het gebruik van stil asfalt - op de gevel van de betrokken woningen tot de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting onvoldoende doeltreffend zal zijn, dan wel overwegende bezwaren ontmoet van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard. Deze vraag wordt beantwoord in het kader van het besluit hogere waarden en komt in deze procedure in beginsel niet aan de orde. [appellant] en anderen hebben desgevraagd ter zitting toegelicht dat hun beroep geen betrekking heeft op het besluit van het college van 9 november 2021 tot vaststelling van hogere waarden in de zin van de Wet geluidhinder.
15.3. Het voorgaande laat onverlet dat de raad bij de vaststelling van een bestemmingsplan zich met het oog op de goede ruimtelijke ordening dient te vergewissen van de ruimtelijke gevolgen van het plan voor de bestaande omliggende woningen. Hieronder valt ook de eventuele toename van wegverkeerslawaai op bestaande woningen als gevolg van het al dan niet toenemen van verkeersbewegingen die het bestemmingsplan genereert. Dat heeft de raad gedaan in de notitie "Geluidbelasting bestaande woningen plan woonzorgzone" van 9 december 2021, opgesteld door Adviesbureau Van der Boom en als bijlage 5 gevoegd bij de plantoelichting (hierna: de akoestische notitie). Hieruit volgt, kort samengevat, dat de geluidbelasting op de gevel van de bestaande woningen vanwege de wegen in de omgeving zowel toe- als afneemt. Het verschil in geluidbelasting door alle wegen samen bedraagt volgens de akoestische notitie een toename van ten hoogste 0,9 dB. Een dergelijk klein verschil maakt volgens de notitie dat sprake blijft van een goed woon- en leefklimaat. Alleen al vanwege deze conclusie ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet mocht afzien van een voorwaardelijke verplichting over geluidreducerende maatregelen vanwege wegverkeerslawaai, zoals stil asfalt of een geluidscherm.
15.4. Voor zover [appellant] en anderen de conclusie van de akoestische notitie hebben bestreden, overweegt de Afdeling het volgende. Aan deze notitie liggen dezelfde onderzoeksuitgangspunten ten grondslag als aan voormeld rapport wegverkeerslawaai (bijlage 4 van de plantoelichting). In het rapport wegverkeerslawaai is het uitgangspunt gehanteerd dat het bestemmingsplan 1.278 verkeersbewegingen genereert. Met inachtneming van hun betoog zoals weergegeven onder 11 en 17, stellen [appellant] en anderen dat bij het berekende totaal van 1.278 verkeersbewegingen in het rapport Wegverkeerslawaai is miskend dat met de bestemming "Wonen - Woongebouw" en "Maatschappelijk" reguliere bewoning is voorzien, waarbij zorg slechts een ondergeschikt karakter mag hebben. Dit betoog mist echter feitelijke grondslag. Hiertoe overweegt de Afdeling het volgende. Voor het bepalen van de toekomstige verkeersbewegingen is in het rapport wegverkeerslawaai aangesloten bij de aanbevelingen van de CROW, zoals neergelegd in de publicatie "Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie", nr. 317. Aan de hand van die aanbevelingen wordt toegelicht dat voor een duur koopappartement in de schil van het centrum van een weinig stedelijke gemeente moet worden uitgegaan van 8,5 motorvoertuigbewegingen per dag en bij een aanleunwoning van 2,8 verkeersbewegingen per dag. [appellant] en anderen hebben deze verkeersgeneratiecijfers niet bestreden. Verder staat beschreven dat is uitgegaan van 22 appartementen per appartementencomplex (A,B,C) met de bestemming "Wonen - Woongebouw" en 54 appartementen voor het woonzorgappartementencomplex met de bestemming "Maatschappelijk". Vervolgens wordt in de akoestische notitie geconcludeerd dat de woningen en het woon-zorgcomplex gezamenlijk 1.020 verkeersbewegingen genereren, waarvan de gebouwen A, B, C per appartementencomplex 187 verkeersbewegingen per dag en het woon-zorgcomplex 459 verkeersbewegingen per dag. Hieruit leidt de Afdeling af dat voor alle 120 woningen is uitgegaan van het verkeersgeneratiekencijfer van 8,5 motorvoertuigbewegingen per dag voor koopappartementen in het segment duur. Naar het oordeel van de Afdeling is de raad daarmee uitgegaan van een representatieve invulling van de maximale planologische mogelijkheden. Immers, gelet op artikelen 3.1, aanhef en onder a, en 7.1, aanhef en onder a, van de planregels mogen op de gronden met de bestemming "Maatschappelijk" en "Wonen - Woongebouw" maximaal 120 appartementen worden gerealiseerd. De uitgangspunten die ten aanzien van de hoeveelheid verkeersbewegingen als gevolg van het IKC zijn aangehouden, hebben [appellant] en anderen verder onvoldoende bestreden.
15.5. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet mocht afzien van een voorwaardelijke verplichting over geluidreducerende maatregelen vanwege wegverkeerslawaai, zoals stil asfalt of een geluidscherm.
Het betoog slaagt niet.
Parkeren
16. [appellant] en anderen betogen dat niet inzichtelijk is welke parkeerbehoefte het bestemmingsplan genereert en waar ruimte bestaat voor parkeren in openbaar gebied. De raad kan volgens hen niet volstaan met de parkeerbalans in het stedenbouwkundig plan waarin wordt uitgegaan van 26 (Hollewand Noord), 31 (Hollewand Midden) en 15 (Hollewand Zuid) parkeerplaatsen voor de drie woongebouwen. Ten onrechte wordt daarbij uitgegaan van de (lagere) norm voor intramurale zorg omdat, uitgaande van de maximale planologische mogelijkheden in Hollewand Zuid, ook is voorzien in reguliere woningen. Bovendien geldt - indien wordt uitgegaan van de Nota Parkeernormen - voor woningen huur, etage, midden goedkoop een parkeernorm van 1,6, hetgeen een parkeerbehoefte van 29 onderscheidenlijk 39 parkeerplaatsen oplevert voor Hollewand Noord en Hollewand Midden. Verder gaat de parkeerbalans er volgens [appellant] en anderen ten onrechte van uit dat het personeel van het IKC en het woonzorgcentrum aan de andere kant van de dijk zal parkeren.
Verder achten zij de waarborg in artikel 15.1 van de planregels rechtsonzeker, omdat niet duidelijk is bij welke omgevingsvergunning deze bepaling als toetsingskader geldt. Ook is volgens [appellant] en anderen onduidelijk wat moet worden verstaan onder voldoende parkeergelegenheid en wat moet worden verstaan onder de Nota parkeernormen. Voorts bevat deze bepaling volgens [appellant] en anderen een ongeclausuleerde mogelijkheid om af te wijken van het parkeerbeleid.
Parkeerbehoefte en parkeervoorzieningen
16.1. De raad dient zich ervan te vergewissen welke parkeerbehoefte het bestemmingsplan genereert en in hoeverre in die behoefte aan parkeergelegenheid kan worden voorzien. De parkeerbehoefte die het plan genereert dient aan de hand van de gehanteerde parkeernormen te worden berekend. Bij de berekening van de parkeerbehoefte dient in beginsel ook uit te worden uitgegaan van de maximaal planologische mogelijkheden. De parkeernormen die zijn neergelegd in de Nota Parkeernormen hebben [appellant] en anderen op zichzelf niet bestreden.
16.2. In het Stedenbouwkundig plan dat als bijlage 1 bij de plantoelichting is gevoegd, staat dat het bestemmingsplan een parkeerbehoefte van 251 parkeerplaatsen genereert. Niet inzichtelijk is hoe, aan de hand van welke parkeernormen uit de Nota parkeernormen, tot deze parkeerbehoefte is gekomen. Hierdoor kan de Afdeling - ook met inachtneming wat de Afdeling onder 11.2 heeft overwogen - niet beoordelen in hoeverre is uitgegaan van een representatieve invulling van de maximaal planologisch voorziene mogelijkheden. Evenmin is inzichtelijk gemaakt in hoeverre in de berekende parkeerbehoefte kan worden voorzien binnen het plangebied en/of in hoeverre de parkeerbehoefte buiten het plangebied moet en met inachtneming van de bestaande parkeerdruk kan worden opgevangen. In zoverre heeft de raad het plan onzorgvuldig voorbereid en in strijd met artikel 3:2 van de Awb vastgesteld.
Dit betoog slaagt.
Waarborg aanleg en instandhouding voldoende parkeergelegenheid
16.3. Voor zover [appellant] en anderen artikel 15.1 van de planregels rechtsonzeker achten, overweegt de Afdeling het volgende. In de uitspraak van de Afdeling van 9 september 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2837, r.o. 4.14 staat beschreven waar een dynamische verwijzing naar de gemeentelijke parkeernormen in de planregels aan moet voldoen. Zo moet uit de planregel duidelijk volgen wat onder "voldoende parkeergelegenheid" wordt verstaan. De Afdeling stelt vast dat in artikel 15.1 staat dat aan de hand van de parkeernormen in de Nota Parkeernormen wordt bepaald of sprake is van voldoende parkeergelegenheid, met dien verstande dat indien voornoemde beleidsregels gedurende de planperiode worden gewijzigd, rekening wordt gehouden met die wijziging. De Afdeling is van oordeel dat voldoende duidelijk is dat met "Nota Parkeernormen" wordt gedoeld op de gemeentelijke nota "Nota Parkeernormen" van december 2013 die via de gemeentelijke website te raadplegen is. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat dit blijkens de gemeentelijke website de enige nota met parkeernormen in Hattem is en dat uit het beroepschrift van [appellant] en anderen blijkt dat de inhoud van de Nota Parkeernormen bij hen bekend is. Overigens neemt dit niet weg dat de beleidsregel op grond van de Bekendmakingswet beschikbaar moet worden gehouden op https://wetten.overheid.nl, ook met het oog op toekomstige besluitvorming. Die omstandigheid maakt echter niet dat de planregel onduidelijk is.
Dit betoog slaagt niet.
16.4. Verder volgt uit voornoemde uitspraak van de Afdeling van 9 november 2015 dat duidelijk moet zijn om de uitoefening van welke bevoegdheid het gaat. Anders dan artikel 3.1.2, tweede lid, onder a, van het Bro voorschrijft, wordt in artikel 15.1, onder b, van de planregels niet aangegeven op de uitoefening van welke bevoegdheid artikel 15 van de planregels betrekking heeft. Gelet hierop biedt artikel 15 van de planregels onvoldoende waarborg om te worden gehanteerd als toetsingsnorm bij de aanvraag voor een omgevingsvergunning. [appellant] en anderen stellen naar het oordeel van de Afdeling dan ook terecht dat in artikel 15.1 van de planregels ten onrechte niet staat om welke omgevingsvergunning het gaat. In zoverre heeft de raad het plan onzorgvuldig voorbereid en in strijd met artikel 3:2 van de Awb vastgesteld.
Dit betoog slaagt.
16.5. Het betoog van [appellant] en anderen dat met artikel 15.1, onder c, van de planregels ongeclausuleerd is voorzien in een afwijking van de gemeentelijke parkeernormen, volgt de Afdeling niet. Reden hiervoor is dat deze binnenplanse afwijkingsbevoegdheid alleen mag worden toegepast als geen onevenredige gevolgen voor de omgeving optreden.
Overigens volgt uit het bepaalde in de aanhef van artikel 2.12, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht - en zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraken van 9 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2985, en van 3 maart 2021, ECLI:NL:RVS:2021:450 - dat de omgevingsvergunning bij toepassing van een binnenplanse afwijkingsregeling als bedoeld met artikel 15.1, onder c, van de planregels alleen kan worden verleend als de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 13 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4624) is dit vanwege de invoering van artikel 22.281 van het Omgevingsplan gemeente Hattem (de Bruidsschat) per 1 januari 2024 niet gewijzigd, met dien verstande dat sprake moet zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Met de invoering van artikel 22.281 van de Bruidsschat heeft de wetgever willen ondervangen dat vanwege artikel 8.0a, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving per 1 januari 2024 geen mogelijkheid meer bestaat om de omgevingsvergunning voor een activiteit die voldoet aan de binnenplanse beoordelingsregels uit het tijdelijk deel van een omgevingsplan, op andere gronden te kunnen weigeren. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van het Invoeringsbesluit Omgevingswet (Stb. 2020, nr. 400, blz. 936) volgt dat de wetgever met de invoering van deze overgangsrechtelijke regeling een neutrale overgang naar het nieuwe stelsel heeft willen borgen. En zoals hiervoor reeds uiteengezet geldt onder het oude recht als eis dat zich bij de toepassing van de bevoegdheid geen strijd met een goede ruimtelijke ordening mag voordoen. Per 1 januari 2024 geldt als eis dat sprake moet zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Dit betoog slaagt niet.
Verkeer
17. [appellant] en anderen betogen dat ten onrechte geen kenbaar deskundig verkeersonderzoek ten grondslag is gelegd aan het bestemmingsplan. Hoewel in onderzoeken over andere ruimtelijke aspecten (stedenbouw en akoestiek) wordt vermeld hoeveel verkeersbewegingen het bestemmingsplan genereert, is daarmee volgens hen nog niet inzichtelijk wat de gevolgen voor de verkeersafwikkeling en de verkeersveiligheid in de directe omgeving van het plangebied zijn. Bovendien wordt in deze onderzoeken volgens [appellant] en anderen voor wat betreft het aantal verkeersbewegingen uitgegaan van verschillende en zeer uiteenlopende getallen.
17.1. De raad stelt zich op het standpunt dat artikel 3.1.6, eerste lid, onder f, van het Bro niet verplicht tot het bijvoegen van een verkeersonderzoek. Dat er verschillen zijn tussen gegevens die staan vermeld in de verschillende onderzoeken kan volgens de raad worden verklaard, omdat het gaat om inschattingen die in de loop van de procedure kunnen wijzigen omdat aannames wijzigen.
17.2. In deze procedure ligt ter beoordeling voor of de raad zich er voldoende van heeft vergewist dat een aanvaardbare verkeerssituatie en verkeersafwikkeling in en om het plangebied kan worden gerealiseerd (vergelijk bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 2 maart 2022, ECLI:NL:RVS:2022:654). De raad is daarbij - anders dan [appellant] en anderen lijken te veronderstellen - niet gehouden tot de inschakeling van een extern deskundigenbureau. Gemeenten beschikken over het algemeen over eigen deskundigen, waaronder verkeerskundigen, zodat inschakeling van externe deskundigen door het gemeentebestuur niet bij voorbaat is aangewezen. Het is in beginsel aan de raad om te beoordelen of de interne deskundigheid waarover de gemeente beschikt, in een concrete situatie volstaat of dat inschakeling van een externe deskundige aangewezen is (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 31 juli 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2614, r.o. 3.1).
17.3. In paragraaf 4.4 van de plantoelichting staan de gevolgen voor de verkeersafwikkeling en verkeersveiligheid summier beschreven. Vermeld wordt dat het aantal verkeersbewegingen toeneemt, maar dat de omliggende wegen voldoende capaciteit hebben om deze verkeerstoename op te vangen. Met [appellant] en anderen is de Afdeling van oordeel dat aan de hand van paragraaf 4.4 van de plantoelichting niet kan worden vastgesteld hoe de raad tot deze conclusie in paragraaf 4.4 is gekomen. Hierdoor is onduidelijk of de raad zich er voldoende van heeft vergewist dat een aanvaardbare verkeerssituatie en verkeersafwikkeling in en om het plangebied kan worden gerealiseerd. Hoewel in het rapport wegverkeerslawaai inzichtelijk wordt gemaakt hoeveel verkeersbewegingen het plan genereert, wordt daarmee geen beoordeling gegeven van de verkeersafwikkeling en verkeersveiligheid. Onduidelijk blijft immers ten aanzien van welke omliggende wegen de raad in paragraaf 4.4 een standpunt heeft ingenomen over de verkeersveiligheid en -afwikkeling, welke uitgangspunten daarbij zijn gehanteerd en in hoeverre de raad bepaalde maatregelen - zoals bijvoorbeeld de aanwezigheid van de Kiss & Ride-voorziening - uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk acht. [appellant] en anderen stellen daarom terecht dat het bestemmingsplan wat betreft het aspect verkeer onzorgvuldig is voorbereid en in strijd met artikel 3:2 van de Awb is vastgesteld.
Het betoog slaagt.
Stikstof en Natura 2000-gebied Rijntakken: passende beoordeling
18. [appellant] en anderen betogen dat de passende beoordeling die ten grondslag is gelegd aan het bestemmingsplan niet deugdelijk is. Hiertoe voeren zij verschillende beroepsgronden aan.
18.1. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) blijkt dat de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis heeft willen stellen dat er een verband is tussen een beroepsgrond en het belang waarin de appellant door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van degene die in (hoger) beroep komt.
18.2. De bepalingen in de Wet natuurbescherming (hierna: de Wnb) over de beoordeling van plannen die gevolgen kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied zijn daarin opgenomen ter bescherming van het behoud van de natuurwaarden in deze gebieden. Uit de uitspraak van de Afdeling van 13 juli 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BR1412, volgt dat de individuele belangen van burgers bij het behoud van een goede kwaliteit van hun leefomgeving, waarvan een Natura 2000-gebied deel uitmaakt, zo verweven kunnen zijn met het algemene belang dat de Wnb bedoelt te beschermen, dat niet kan worden geoordeeld dat de betrokken normen van de Wnb kennelijk niet strekken tot bescherming van hun belangen.
18.3. Van [appellant] en anderen woont [appellant A] aan de [locatie] het dichtst bij het Natura 2000-gebied Rijntakken.
18.4. Hoewel de afstand tussen het perceel van [appellant A] en het Natura 2000-gebied hemelsbreed gemeten met ongeveer 110 meter verwevenheid niet op voorhand zou uitsluiten, is van verwevenheid in dit geval naar het oordeel van de Afdeling geen sprake. Tussen deze woning en het Natura 2000-gebied liggen een erfontsluitingsweg, een park met bosschages en waterpartijen, een fietspad en een dijklichaam met daarop de gebiedsontsluitingsweg Geldersedijk die aansluit op de rijksweg A28. Daar komt bij dat de woning verlaagd ligt ten opzichte van de dijk, waardoor het directe zicht op het achterliggende Natura 2000-gebied in elk geval vanuit de leefruimten op de begane grond en de buitenruimte van de woning grotendeels wordt weggenomen. Bovendien is het Natura 2000-gebied vanaf het perceel niet binnen de hemelsbreed gemeten afstand te bereiken, gelet op de beperkte toegankelijk ervan achter de dijk. Onder deze omstandigheden is de Afdeling van oordeel dat het betreffende Natura 2000-gebied geen deel uitmaakt van de leefomgeving van [appellant A] en van de overige appellanten voor wie vorenstaande belemmeringen in nog sterkere mate gelden.
18.5. Gelet op het voorgaande moet worden geoordeeld dat de betrokken normen van de Wnb kennelijk niet strekken tot bescherming van het belang van [appellant] en anderen. Artikel 8:69a van de Awb staat er dan ook aan in de weg dat het bestreden besluit als gevolg van deze beroepsgrond wordt vernietigd. Reden waarom de Afdeling de beroepsgronden over de passende beoordeling buiten beschouwing laat.
Soortenbescherming
19. Over het betoog van [appellant] en anderen dat in de quickscan die aan het bestemmingsplan ten grondslag is gelegd, ten onrechte niet wordt ingegaan op de bastaardkikker, overweegt de Afdeling het volgende. De raad mag het plan niet vaststellen als en voor zover hij op voorhand redelijkerwijs had moeten inzien dat het wettelijke soortenbeschermingsregime in de Wnb aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. In wat [appellant] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling daarvoor geen aanleiding. Bij brief van 24 februari 2022 heeft Blom Ecologie toegelicht dat de bastaardkikker - ook wel de middelste groene kikker genoemd - is beoordeeld in de quickscan en dat voor deze kikker een provinciale vrijstelling geldt. In zoverre mist de stelling van [appellant] en anderen feitelijke grondslag. In wat [appellant] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet op het standpunt mocht stellen dat het wettelijke soortenbeschermingsregime in de Wnb niet op voorhand aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.
Het betoog slaagt niet.
20. Verder biedt de enkele stelling dat in het bestemmingsplan maatregelen moeten worden opgenomen ter voorkoming van effecten op soorten die mogelijk voorkomen in het plangebied, geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de raad daar redelijkerwijs niet van af mocht zien.
Het betoog slaagt niet.
Archeologie
21. Het beroep van [appellant] en anderen is voorts gericht tegen artikel 8 dat volgens hen onvoldoende waarborgt dat historisch materiaal in de bovenlaag van het plangebied wordt beschadigd, zonder dat daaraan voorafgaand archeologisch onderzoek is verricht. [appellant] en anderen richten zich met deze beroepsgrond op de normen die waren neergelegd in de Monumentenwet 1988 (die per 1 juli 2016 is ingetrokken), dan wel die zijn neergelegd in de Erfgoedwet (die per 1 juli 2016 in werking is getreden). In dat verband overweegt de Afdeling dat de toepassing van het relativiteitsvereiste als vervat in artikel 8:69a van de Awb met zich brengt dat ten aanzien van de aangevoerde beroepsgronden wordt bezien of de ingeroepen norm strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.
21.1. De normen uit de Monumentenwet 1988 en de Erfgoedwet, strekten en strekken tot het behoud van monumenten van archeologie. Het gaat [appellant] en anderen in deze procedure om het belang gevrijwaard te blijven van de ruimtelijke gevolgen van de realisatie van woningen en een IKC. De normen uit de Monumentenwet 1988 en de Erfgoedwet, strekten en strekken daarom kennelijk niet tot bescherming van de belangen van [appellant] en anderen. Gelet hierop staat artikel 8:69a van de Awb eraan in de weg dat deze beroepsgrond kan leiden tot een vernietiging van het bestreden besluit. De Afdeling ziet daarom af van een inhoudelijke bespreking van deze grond.
Water
22. [appellant] en anderen vrezen wateroverlast als gevolg van de voorziene verhardingen. Zij betogen dat het aspect water aan de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan in de weg staat. Uitgegaan is van een toekomstige verharding van 19.118 m2, terwijl volgens hen niet inzichtelijk is of daarmee is uitgegaan van de maximale planologische mogelijkheden van het bestemmingsplan, zoals parkeerplaatsen, wegen, paden, speelvoorzieningen en nutsvoorzieningen.
22.1. In paragraaf 4.2 van de plantoelichting is ingegaan op de gevolgen van het bestemmingsplan voor de waterhuishouding in en om het plangebied. Hieruit volgt dat een digitale watertoets is verricht. De resultaten daarvan zijn neergelegd in de notitie "Notitie voor ruimtelijke plannen met mogelijk een groot waterbelang" van 9 april 2020 (bijlage 8 van de plantoelichting) van Waterschap Vallei en Veluwe. Daarnaast is in bijlage 9 aan de hand van inrichtingstekeningen inzichtelijk gemaakt dat het bestemmingsplan voorziet in 9.525 m2 extra verharding en daarmee komt op 19.118 m2 aan verharding in het plangebied. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het bestemmingsplan in strijd met artikel 3.1.6, eerste lid, onder b, van het Bro is vastgesteld.
22.2. In wat [appellant] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich bij de vaststelling van het bestemmingsplan niet op de conclusies in paragraaf 4.2 van de plantoelichting over de waterhuishouding mocht baseren. Voor zover [appellant] en anderen stellen dat de toename aan verhardingen groter is dan 9.525 m2, overweegt de Afdeling het volgende. Hoewel [appellant] en anderen terecht stellen dat niet inzichtelijk is welke uitgangspunten aan de berekening van de toename van verhardingen ten grondslag zijn gelegd, ziet de Afdeling in wat [appellant] en anderen hebben aangevoerd - met inachtneming van de omvang van de voorziene bouwvlakken en de overige bouw- en gebruiksmogelijkheden - geen aanleiding voor het oordeel dat de door de raad geschatte toename van 9.525 m2 aan verharding niet realistisch is. Zou de toename aan verharding onverhoopt groter zijn, dan biedt wat [appellant] en anderen hebben aangevoerd geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de raad op voorhand had moeten inzien dat de waterhuishouding aan de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan in de weg staat. Daarbij acht de Afdeling van belang dat alle bestemmingen in het plangebied voorzien in het gebruik van de gronden voor ‘water’ (zie artikel 4.1, onder c, artikel 5.1, onder b, en artikel 7.1, onder b, van de planregels) of voor ‘water- en speelvoorzieningen’ (zie artikel 6.1, onder d, van de planregels).
Het betoog slaagt niet.
Overig
23. Wat [appellant] en anderen voor het overige hebben aangevoerd geeft geen aanleiding voor het oordeel dat het bestemmingsplan in strijd is met een goede ruimtelijke ordening of anderszins in strijd is met het recht.
Conclusie
24. Gelet op wat onder 8.4, 9.2, 10.2, 11.2, 14.5, 16.2, 16.4 en 17.3 is overwogen is het besluit van 13 december 2021 genomen in strijd met de rechtszekerheid en artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb.
25. Ingevolge artikel 8:51d van de Awb kan de Afdeling het bestuursorgaan opdragen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. Gelet op de uitspraak van de Afdeling van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1174, blijft dan nog het vóór 1 januari 2024 geldende recht van toepassing.
26. Met het oog op een spoedige beslechting van het geschil zal de Afdeling de raad daarom op de voet van artikel 8:51d van de Awb opdragen om de hiervoor onder 8.4, 9.2, 10.2, 11.2, 14.5, 16.2, 16.4 en 17.3 geconstateerde gebreken in het besluit van 13 december 2021 binnen 20 weken na verzending van deze uitspraak met in achtneming van deze uitspraak te herstellen.
27. Afdeling 3.4 van de Awb hoeft bij de voorbereiding van een gewijzigd of nieuw besluit niet opnieuw te worden toegepast.
Proceskosten
28. In de einduitspraak wordt beslist over vergoeding van de proceskosten en het betaalde griffierecht.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
draagt de raad van de gemeente Hattem op om:
- binnen 20 weken na verzending van deze tussenuitspraak, met inachtneming van wat daarin is overwogen, de gebreken geconstateerd onder 8.4, 9.2, 10.2, 11.2, 14.5, 16.2, 16.4 en 17.3 in het besluit van 13 december 2021 te herstellen;
- de Afdeling en partijen de uitkomst mee te delen en het gewijzigde of nieuwe besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mee te delen.
Aldus vastgesteld door mr. P.H.A. Knol, voorzitter, en mr. J.F. de Groot en mr. M.M. Kaajan, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.C. Stoof, griffier.
w.g. Knol
voorzitter
w.g. Stoof
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 19 maart 2025
749
BIJLAGEN
Planregels bestemmingsplan "Woonzorgzone, Hattem"
Artikel 1.39 maatschappelijke voorzieningen:
voorzieningen in de medische, sociale, educatieve, culturele, religieuze en administratieve sfeer en andere vergelijkbare voorzieningen, die een min of meer openbaar karakter hebben, met uitzondering van een seksinrichting.
Artikel 1.41 nutsvoorzieningen:
een voorziening ten behoeve van de telecommunicatie en de gas-, water- en elektriciteitsdistributie, alsmede soortgelijke voorzieningen van openbaar nut, waaronder in ieder geval worden begrepen transformatorhuisjes, pompstations, gemalen, telefooncellen en zendmasten;
Artikel 1.55 woning:
een complex van ruimten, geschikt en bestemd voor de huisvesting van niet meer dan één huishouden, waaronder begrepen eventueel gemeenschappelijk gebruik van bepaalde ruimten;
Artikel 3 Gemengd
Artikel 3.1 Bestemmingsomschrijving
De voor 'Gemengd' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a. een woonzorgcentrum en het wonen, al dan niet in combinatie met een aan-huis-verbonden beroep, waarbij het aantal woningen in totaal, in combinatie met het aantal woningen dat gerealiseerd wordt binnen de bestemming 'Wonen - Woongebouw' niet meer dan 120 mag zijn;
met daaraan ondergeschikt:
[…]
Artikel 4 Groen
Artikel 4.1 Bestemmingsomschrijving
De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a. groenvoorzieningen;
b. speelterreinen;
met daaraan ondergeschikt:
[…]
Artikel 4.2.2 Andere bouwwerken
a. een speelvoorziening mag een bouwhoogte hebben van maximaal 5,00 meter;
b. een overig ander bouwwerk mag een bouwhoogte hebben van maximaal 3,00 meter.
Artikel 5 Maatschappelijk
Artikel 5.1 Bestemmingsomschrijving
De voor 'Maatschappelijk' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a. maatschappelijke voorzieningen;
met daaraan ondergeschikt:
[…]
Artikel 5.3.2 Akoestiek
Aanvullend aan het bepaalde in de voorstaande (sub)leden geldt dat:
a. het gebruik van de gronden en opstallen niet mag leiden tot een hoger langtijdgemiddelde beoordelingsniveau van 50 dB(A) en een maximaal geluidniveau van 70 dB(A) op de omliggende woningen;
b. een omgevingsvergunning voor het bouwen mag pas worden verleend als uit een bijgevoegd akoestisch onderzoek blijkt dat voornoemde waarden niet overschreden worden.
Artikel 7 Wonen - Woongebouw
Artikel 7.1 Bestemmingsomschrijving
De voor 'Wonen - Woongebouw' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a. het wonen, al dan niet in combinatie met een aan-huis-verbonden beroep, waarbij het aantal woningen in totaal, in combinatie met het aantal woningen dat gerealiseerd wordt binnen de bestemming 'Gemengd' niet meer dan 120 mag zijn;
met daaraan ondergeschikt:
[….]
Artikel 15
Artikel 15.1 Voldoende parkeergelegenheid
Bepalingen omtrent het parkeren:
a. Een bouwwerk, waarvan een behoefte aan parkeergelegenheid wordt verwacht, kan niet worden gebouwd of gebruikt wanneer op het bouwperceel of in de omgeving daarvan niet in voldoende parkeergelegenheid is voorzien en in stand wordt gehouden.
b. Bij omgevingsvergunning wordt aan de hand van de parkeernormen in de Nota Parkeernormen bepaald of sprake is van voldoende parkeergelegenheid met dien verstande dat indien voornoemde beleidsregels gedurende de planperiode worden gewijzigd, rekening wordt gehouden met die wijziging;
c. Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van de eis dat parkeren op eigen terrein dient plaats te vinden (sub a) en de parkeernormen zoals opgenomen in de Nota Parkeernormen (sub b) mits dit geen onevenredige gevolgen heeft voor de omgeving en wordt voldaan aan de in de Nota Parkeernormen opgenomen regels en voorwaarden.
Besluit ruimtelijke ordening
Artikel 3.1.6, eerste lid, aanhef en onder b, van het Bro luidt:
"Een bestemmingsplan alsmede een ontwerp hiervoor gaan vergezeld van een toelichting, waarin zijn neergelegd: een beschrijving van de wijze waarop in het plan rekening gehouden is met de gevolgen voor de waterhuishouding."